Sara Jansen

Leestijd 14 — 17 minuten

De aanwezigheid van afwezigheid

Over het schrijven van beweging, tijd en ruimte in het oeuvre van fieldworks

Noot 1: Ik schreef de eerste versie van dit essay als mijn persoonlijk antwoord op fieldworks PORTRAIT, een retrospectieve van Heine Avdal en Yukuko Shinozaki’s oeuvre in Pact Zollverein in Essen, Duitsland, van 15 tot 17 juni 2018. Op de laatste dag van het driedaagse event, presenteerde ik het – in de vorm van een lezing – als onderdeel van een vierdelig portret van dansgezelschap fieldworks in tekst, muziek (Johann Loiseau, Oleg Soulimenko) en tekening (Brynjar Bandlien). 

Tijdens PORTRAIT werden de zaalvoorstellingen nothing’s for something (2012) en you are here (2008) hernomen, kon het publiek de interactieve performance Box with holes (2005) ervaren, en werden veelal doorlopende locatie-specifieke werken getoond, waaronder distant voices installation (2018), een geanimeerde sculptuur van grote witte kubussen, en Field Works-office mapping (2013), waarbij de kantoren in het Pact-gebouw volledig getransformeerd werden door een gestage accumulatie van tekeningen. Sindsdien werd dit essay al een aantal keer herwerkt. Elke versie onderzoekt andere vormen van performativiteit en de mogelijkheden voor performatieve interactie, tussen tekst en actie, tekst en afbeelding, tekst en context. Het is de bedoeling dat dit proces ook in de toekomst wordt verdergezet zodat deze tekst zijn eigen grenzen kan blijven opzoeken. Deze versie kijkt terug op het archief van dit essay, de geschiedenis van de verschillende iteraties tot nu toe en mijn eigen geschiedenis met fieldworks. Ze bestudeert eveneens de rol die het concept archief zelf speelt binnen het recente oeuvre van het gezel­ schap en in de context van PORTRAIT in het bijzonder.

Voorwoord 1

Wanneer ik een dag voor de start van PORTRAIT in Pact aankom, tref ik al verschillende stapels witte kubussen aan in de hal van het kunstencentrum. Op een monitor achter de ticketbalie zie ik een grote groep mensen die zich met dezelfde kubussen een weg banen door het drukke metronetwerk van Tokio. Een reeks postkaarten, met telkens een andere evocatieve tekening,
is uitgestald op de treden van de trap. Ze leiden me naar de eerste verdieping, waar ik in een lange witte gang intrigerende configuraties ontdek van zwarte blokjes, geflankeerd door reepjes papier met tekst.

Ook in de bar hangen dezelfde kaartjes aan de muren. Het lijkt na verloop van tijd alsof de mensen die ik in de gangen kruis of die in de weer zijn met kabels, lampen, of geluidsinstallaties, deel gaan uitmaken van het/een gebeuren. Hoewel de retrospectieve strikt genomen nog niet begonnen is, is dat eigenlijk wel al het geval. Alles – elke actie, elk object – begint er uit te zien als een interventie en als onderdeel van een subtiele, maar complexe choreografie.

Voorwoord 2

In elke voorstelling van fieldworks verschijnen postkaarten, letters, kubussen en bolletjes rood garen, om vervolgens te verdwijnen en opnieuw te verschijnen. Objecten worden – zorgvuldig, methodisch, aandachtig, ritmisch – in de ruimte geplaatst, om zich, pas veel later met elkaar te verbinden. Concrete gebaren beginnen er na een tijd, of vanaf een afstand, abstract uit te zien. Beelden en situaties zijn niet ‘echt’ maar ook niet ‘niet echt’.

Acties en objecten worden toegevoegd aan een vertrouwde situatie of plaats, om iets (nieuws) te onthullen, of om een andere toegang of benadering te introduceren – tot een ruimte, een gebouw, taal, beeld, dans. Lijnen en trajecten tekenen zich af in de ruimte en worden geleidelijk zichtbaar. Een gevoel, een bepaalde perceptie van beweging, wordt in gang gezet. Deze beweging zet zich verder, ook na de initiële actie, in hoe we al deze lijnen met elkaar beginnen te verbinden en in hoe we dit spel van punten, pijlen, gebaren, acties en objecten lezen. We blijven elementen verbinden en opnieuw verbinden, terwijl deze voortdurend verschuiven en transformeren, accumuleren, en zich groeperen en hergroeperen in allerlei configuraties in de ruimte en in de loop van de tijd.

Terwijl de wereld rondom ons zich in beweging zet, worden wij ook uitgenodigd om te bewegen, om van positie te veranderen, te dwalen, te exploreren, om vervoerd te worden – telkens op een ander tempo.

Inleiding

PORTRAIT maakt duidelijk dat het verkennen en verleggen van de grenzen en het potentieel van de choreografie door het verruimen en het opnieuw kaderen en definiëren van de twee termen waaruit het begrip bestaat – beweging en schrijven – als een rode draad door het oeuvre van fieldworks loopt.

1. Schrijven

Sinds hun eerste samenwerking in 2000 integreren Avdal en Shinozaki verschillende manieren van schrijven, schetsen en documenteren in hun dans. Deze acties van wat we ‘performatieve inscriptie’ of ‘performatieve archivering’ kunnen noemen, spelen een cruciale rol in de poëtische interventies die de kunstenaars creëren voor de conventionele theaterruimte, en voor meer alledaagse plekken.
In unannounced (2017) en in andere voorstellingen voor de black box, zoomen de choreografen in op en herschrijven ze het materiaal van het theater: gordijnen, muren, technische apparatuur, stoelen, gangen, kleedkamers, licht, rekwisieten, maar ook de positie en rol van de performer en de toeschouwer. In projecten op locatie, zoals borrowed landscape (2011–…) en carry
on (2015–…), passen ze vergelijkbare strategieën toe op hotelkamers, supermarkten en museumlobby’s.
Avdal en Shinozaki nemen telkens opnieuw de tijd om archief- en bijna archeologisch of forensisch onderzoek te voeren naar de locatie in kwestie. Haar architectuur, geschiedenis, geheugen, gebruikers, gebruiken: ze observeren en analyseren de details van de ruimte en schrijven vervolgens hun werk in haar structuur in. Eerst infiltreren ze, en dan markeren ze de plaats, vaak letterlijk, met notities, tekeningen, postkaarten, letters, geluiden, objecten, en andere subtiele en minder subtiele gebaren en acties. Denk aan de opeenstapeling van tekeningen in Field Works – office mapping of aan het uitlijnen en uitkrassen van de lichamen van de dansers op de scène in nothing’s for something bijvoorbeeld, maar ook aan de manier waarop de identiteit van de hele Pact-site geleidelijk aan verandert in de loop van de retrospectieve. Dergelijke performatieve annotaties zijn bedoeld om de eigenheden en conventies van een plaats zichtbaar te maken en in vraag te stellen, om ze anders te belichten en te verbeelden.

Terwijl ze de handeling van het schrijven op diverse manieren benaderen en de betekenis en het potentieel ervan verruimen, stellen de choreografische strategieën van fieldworks ook de veronderstelling in vraag dat schrijven en bewegen (in dans) niet compatibel zouden zijn. Beide worden samengebracht in steeds wisselende verbanden, waardoor de scheiding en hiërarchie tussen hen wordt opgeschort. Er ontstaat een soort tussengebied waarin tekst beweging genereert en omgekeerd. Het werk speelt met de idee van choreografie als het schrijven van beweging in tijd en ruimte – maar ook van het schrijven van tijd en het schrijven van ruimte – en verkent de grenzen van dit idee.

Het performatieve schrijven van Avdal en Shinozaki transformeert de theatrale ruimte. Het stelt ook de tijdelijkheid in vraag van de dans als een kortstondige en immateriële kunstvorm en maakt kanttekeningen bij de idee van een voorstelling als een tijdspanne die performers en publiek samen doorbrengen. Niet alleen de ruimte waarin deze performances plaatsvinden, maar ook de tijd van de voorstelling deint steeds verder uit. De grenzen van het werk worden als het ware steeds elastischer.
Net zoals interpunctie en annotatie in de traditionele betekenis, openen de choreografische procedures waarmee fieldworks experimenteert ruimte voor reflectie in de textuur – de ruimte en tijd – van de voorstelling. Ik lees deze aantekeningen als choreografische acties van timing en spatiëring, die in dit geval een tastbare vorm aannemen. Avdal en Shinozaki openen ruimte en tijd in alledaagse situaties, om hun dans in te schuiven. Ook de toeschouwer wordt uitgenodigd om in de voorstelling in te stappen, en gaat mee deel uitmaken van de textuur van de choreografie.

2. Beweging

De projecten van fieldworks verruimen ook het begrip beweging. Beweging beperkt zich niet tot de gebaren, handelingen, en de dansfrases van de performers. Ook objecten, beelden, woorden en ruimtes worden voortdurend in beweging gezet.
Het werk circuleert, stukken ervan worden hergebruikt of later op een andere manier geactiveerd, en toeschouwers worden gemobiliseerd. Maar dit oeuvre gaat ook uit van de perceptie als een mobiel, vloeiend, en actief gegeven. De vindingrijke interventies veranderen voortdurend het perspectief van het publiek, en verschuiven de focus op wat gebeurt, de blik op de context. De referentiekaders van de toeschouwer worden verplaatst, zodat hij zich op een andere manier bewust wordt van de omgeving en zich telkens opnieuw moet aanpassen aan de (veranderende) situatie. De performances activeren zo wat we een choreografisch bewustzijn, of een choreografische waarnemingsmodus, zouden kunnen noemen.
In elk stuk worden we ertoe bewogen om op verkenning te gaan. Beweging accumuleert, verspreidt, en verplaatst zich. Ze is aanstekelijk, besmettelijk, en wordt overgedragen en gedeeld tussen performers, publiek én objecten. De performances vragen om een actief, multisensorieel engagement.
Het oeuvre roept op wat Brian Massumi ‘felt perception’ noemt wanneer hij beschrijft hoe de perceptie van beweging zich verder zet, ook nadat het bewegende object uit het zicht is verdwenen.11Massumi, Brian. (2011, 2013). Semblance and Event: Activist Philosophy and the Occurrent Arts (p. 106). Cambridge: The MIT Press. fieldworks’ performances suggereren dat de observatie zelf een vorm van beweging inhoudt, in de ruimte en in de tijd. De kunstenaars zetten een beweging, van onbepaalde duur, in gang, naar het onbekende, het onverwachte en onvoorspelbare.

Noot 2: Op zoek naar een manier om al schrijvend een ruimte voor mijzelf te openen in dit project en naar een vorm die poten­tieel kan resoneren met wat in dit werk zelf gebeurt, besluit ik om te kijken naar hoe de idee van het schrijven zelf figureert in dit oeuvre, en hoe dit me toelaat om te expe­rimenteren met strategieën om ruimte en tijd te creëren in de textuur van een tekst: leestekens, aantekeningen, een niet­-lineaire structuur, verschillende ritmes…

carry on

Op de eerste verdieping in Pact, in een lange, witte, betegelde gang die naar de theaterzalen leidt, staan reeksen kleine, zwarte kubussen opgesteld, in verschillende configuraties. Ze verwijzen naar het locatieproject carry on (2015–…). De meest recente iteratie van carry on, gecreëerd in het kunstencentrum Tou Scene in Stavanger (Noorwegen) in februari 2018, begint in de foyer wanneer de barman onmerkbaar vervangen wordt door een performer, en Heine Avdal een kleine, zwarte kubus wegneemt uit zijn schuilplaats, ergens hoog, tegen de muur, in een hoek van de ruimte.
De choreograaf plaatst het blokje op de bar, waar het afwisselend de rol van spatie, leesteken, en ontbrekende letter krijgt in een woordspel met handgemaakte, witte, kartonnen 3D-letters. Avdal en de barman maken een reeks van in elkaar overgaande woorden en korte zinnen met deze letters, die samen, uiteindelijk, t o u s c e n e c a r r y o n vormen.

Met zijn arm uitgestrekt en het zwarte blokje in de palm van zijn hand, loodst Avdal ons de foyer uit, door een deur achteraan in de ruimte. We volgen hem naar de theaterzaal. Hij plaatst het kubusje op de grond, midden op de scène, waar het baadt in het licht van een toneelspot. Wanneer we het enkele tellen later terugzien, ditmaal van boven op een technische brug, ligt het nog op dezelfde plaats, maar is het aanzienlijk groter geworden.

Gedurende onze geheimzinnige tour door het gebouw, verdwijnt en verschijnt deze kubus, in verschillende gedaantes. Hij toont de weg, verandert van grootte, kleur en materialiteit, vermenigvuldigt zich, en spreekt zelfs tot ons. Terwijl we de performers blijven volgen, verschuift ons perspectief op dit kleine object voortdurend. Tegelijkertijd biedt het blokje ons ook een zekere houvast, een gevoel van continuïteit, een verhaal zelfs, en een inkijk in wat fieldworks beweegt.

Wat is de status van dit object dat zich verplaatst, en soms zichtbaar en soms onmerkbaar wordt doorgegeven van de ene performer aan de volgende; doorschuift van één scène naar de volgende; terwijl wij mee het spoor volgen, deelnemen aan het avontuur, trap op en trap af, door gangen en kamers, van knusse zolders tot in pikdonkere kelders?

De kubus zet maar één van de vele trajecten uit die worden gevolgd of in kaart gebracht in de loop van carry on. Deze iteratie roept het beeld op van een architectuurplan, met talloze waarneembare en onzichtbare routes: die van ons, die van andere groepen toeschouwers die gelijktijdig op weg zijn door Tou Scene, en de verborgen parcours van de dansers, die door de gangen rennen, en zich stiekem een weg banen naar hun volgende positie, om daar opnieuw te verschijnen in een andere context en een andere rol. Soms merken we iets op van hun verplaatsingen: als we een deur achter ons horen of voelen openen, of sluiten, of als we in een ooghoek iemand zien wegglijden in een kast, een gat in het plafond of een lift… Maar meestal krijgen we alleen de suggestie van een beweging en ontvouwt deze zich verder in onze verbeelding.

Net als het andere werk van fieldworks maakt carry on de grotendeels onzichtbare structuren zichtbaar die een voorstelling, een ruimte, of een locatie ondersteunen, of misschien beter: dragen. Het opent ruimte in deze structuren, en nodigt mensen uit om deze te verkennen vanuit een ander – en altijd mobiel – standpunt of perspectief. carry on creëert een situatie die uitnodigend en aanlokkelijk is; het centrale gebaar in het stuk is een wenkend gebaar.

Field Works – office mapping

In Field Works – office mapping (2013) zien we een ander inspirerend voorbeeld van performatieve carto-grafie. De kunstenaars infiltreren in een bureau en beginnen de architectuur, het meubilair, de spullen en de activiteiten van het personeel te annoteren met acties, gebaren, geluiden en tekeningen. Tijdens PORTRAIT creëert beeldend kunstenaar Christelle Fillod talloze tekeningen in een van de kantoren in Pact, waardoor het, in de loop van de retrospectieve, meer en meer overwoekerd geraakt. Fillod legt vellen A4-printerpapier (gedeeltelijk) over gebruiksvoorwerpen, om (delen van) deze voorwerpen te bedekken of te verbergen en te vervangen door getekende versies. De tekeningen breiden zo de bestaande objecten of situaties uit, vervolledigen voorwerpen, en herbestemmen of herwaarderen ze. Haar interventies vestigen de aandacht op de objecten in de ruimte, waardoor deze meer prominent aanwezig zijn. Tegelijkertijd verbergen de schetsen de voorwerpen, waardoor ze verdwijnen.

De handeling van het tekenen bepaalt de choreografie.Tekenen is hier erg lichamelijk en ook zeer persoonlijk. Het is een manier van observeren als een directe, fysieke en dynamische interactie met het materiaal en de materialiteit van de objecten, van de ruimte en van tijd – op de aandachtige, zintuiglijke wijze die tekenend is voor het oeuvre van fieldworks. Ook door dit gebaar wordt een vertrouwde ruimte letterlijk ‘overtekend’, hertekend, en getransformeerd, waardoor alles iets bevreemdends krijgt. Het zet de toeschouwer ertoe aan om anders te gaan kijken, om in te zoomen op de details, te zoeken, en om andere aspecten van deze op het eerste gezicht doordeweekse omgeving te ontdekken. De aandacht komt te liggen op de onderliggende structuur. Door het tekenen wordt de performance ook opgetekend. Het produceert een soort verslag of een archief van de interventie, en van welbepaalde items in de ruimte (een glas, een nietjesmachine, computerscherm, kabel,…) en de activiteiten die er mogelijk al plaatsvonden, plaatsvinden, of nog zouden kunnen plaatsvinden. De tekeningen zijn tegelijkertijd de voorstelling en het archief van de voorstelling. De kunstenaar en de toeschouwer maken deel uit van dit archief, maar staan er tegelijkertijd ook buiten, glurend naar binnen.

Voor Fillod is de lijn, of een pennentrek, de plaats waar ze zichzelf in haar omgeving inschrijft en iets van zichzelf toevoegt. Het object uitlijnen en vervormen opent een ruimte in en rondom het object, ook voor de toeschouwer, om er in te stappen en er zijn eigen wereld op te projecteren. Deze lijnen beperken of fixeren deze voorwerpen dan ook niet, maar animeren ze eerder, en trekken ze open in de ruimte en in de verbeelding van de toeschouwer. Net zoals choreografische acties en gebaren zetten deze tekeningen een beweging in gang die zich in de ruimte inschrijft en uitdeint, voor onbepaalde tijd doorgaat. De vraag is waar de wereld gecreëerd door de vertekening van zo’n lijn of object eindigt.

Timing en Spacing

‘With poetry, the imagination takes its place on the margin, exactly where the function of unreality comes to charm or to disturb – always to awaken – the sleeping being lost in its automatisms.’
(Gaston Bachelard, The Poetics of Space22Bachelard, Gaston. (1969). The Poetics of Space (p.31). Boston: Beacon Press.)

De subtiele en minder subtiele elementen die door fieldworks aan een ruimte worden toegevoegd, opereren als gebaren van timing en spacing, die in de ‘realiteit’ worden ingevoegd als een vorm van performatieve interpunctie. Ze creëren ruimtes – als een interval in de ruimte en in de tijd – waarin ons perspectief verandert en de situatie licht uit evenwicht wordt gehaald.

Deze performances vragen om participatie, om beweging. Diverse blikken en manieren van kijken, verschillende gezichtspunten en invalshoeken, worden naast en tegenover elkaar geplaatst. De toeschouwer moet zijn aandacht voortdurend verdelen. Meerdere lijnen worden gelijktijdig uitgezet – door dansers, publiek, objecten –, kruisen elkaar en verbinden zich in steeds andere netwerken, die telkens om een heroriëntering of nieuwe interpretatie vragen.

De strategieën van fieldworks herinneren aan wat Michel de Certeau in The Practice of Everyday Lifetactics’ (tactieken) en ‘ruses’ (listen) noemt. Hij stelt dat onze ‘dagelijkse praktijk’ (‘everyday practice’) beheerst wordt door wat hij ‘models of action’ en ‘modes of operation’ noemt.33De Certeau, Michel. (1984, 1988). The Practice of Everyday Life (p. 11). Oakland: University of California Press. Door subtiel in te grijpen op deze processen, kunnen we ons verzetten tegen de manier waarop ons gedrag erdoor gestuurd wordt. Dit is precies wat de ingrepen, op alledaagse ruimtes en handelingen, meesterlijk georkestreerd door Avdal en Shinozaki, bewerkstelligen. Ze maken tastbaar in welke mate onze routines ingegeven zijn door onze omgeving, en wat onze ervaring en perceptie van een ruimte beïnvloedt. We worden geconfronteerd met hoe we ons al dan niet onbewust door een ruimte bewegen, of beter, erdoor bewogen worden. Iets gelijkaardigs gebeurt met tijd.

Deze performances tonen niet alleen hoe ruimte beweging genereert en beweging op zijn beurt ruimte genereert. Ze exploreren ook de unieke verhouding van dans tot de tijd, waarbij het verleden het lichaam vooruit stuwt, in het hier en nu van de uitvoering. Tijd, in dans, is nooit lineair, maar eerder een soort cluster van temporaliteiten.

Wanneer een ruimte benaderd wordt als een archief, wordt deze gelezen als een verzameling van tijdsfragmenten: van verleden, heden, en toekomst. Avdal en Shinzaki benadrukken dat ‘archief’ hier niet zozeer naar het verleden verwijst. De choreografen gaan er actief mee aan de slag, in het heden, en het blijft veranderen en zich ontwikkelen.

In Pact had PORTRAIT al sporen achtergelaten toen de retrospectieve nog niet begonnen was. In carry on zien de dansers eruit alsof ze deel uitmaken van Tou Scene, en gewoon doorgaan met hun dagelijkse activiteiten. Het lijkt alsof ze zo zullen blijven doorgaan, ook nadat de show is afgelopen. De tijd van de uitvoering is gelaagd, uitgerekt en blijft zich verder uitbreiden. De grenzen van de tijd, net zoals die van de ruimte, blijven verder vervagen.

Een project als carry on is ook een reflectie op wat precies meegenomen wordt van één iteratie van een voorstelling naar een volgende, van één werk naar een volgend, van één beweging naar een volgende, zowel door de dansers als het publiek. Als we naar huis gaan, dragen we carry on met ons mee (in hoe we kijken en onze omgeving ervaren), ook nadat de voorstelling afgelopen is, en we de draad van onze eigen levens weer opgepikt hebben. De interventies van fieldworks bakenen een stuk van onze dagelijkse wereld af als performance. Vervolgens verschuiven ze dit frame, en onze eigen, vertrouwde referentiekaders.

Grenzen / Kaders

De projecten van fieldworks worden gekenmerkt door een notie van grenzeloosheid in de ruimte en in de tijd. Ze zoeken de grenzen op van het moment. Heine Avdal spreekt van ‘blurring the moment’ (het moment vervagen). Het moment van de voorstelling, het hier en nu, is het kader waarbinnen de choreografen werken. De uitdaging is hoe dit kader te doorbreken. Het gaat steeds over een ander kader: de fysieke grenzen van de theaterzaal (of de vierde muur), een kantoor, een postkaart, een computerscherm, of een blad papier. De randen van het frame, de lijnen die het begrenst, worden verzet en geherdefinieerd als een soort open ruimte.

Wanneer het kader in kwestie een locatie is, zoals bij carry on, nemen de kunstenaars de tijd om het binnen te dringen om er vervolgens weer uit te breken. De alledaagse realiteit infiltreert de voorstelling en de voorstelling infiltreert de dagelijkse realiteit. Wanneer het over een A4 gaat, zoals in Field Works –office mapping, of over een postkaart, dan creëren de bladranden, de kantlijnen, of de pennentrekken kaders die verschoven, vervormd of doorgeprikt kunnen worden. Een voorstelling wordt opgevat als een dynamisch kader met permeabele grenzen: een vervaagd/vervagend moment. De kunstenaars tekenen en hertekenen, schrijven en herschrijven, maken en maken ongedaan. Dit proces wordt herhaald binnen één voorstelling en over meerdere iteraties van eenzelfde voorstelling. Het resultaat is dat het gegeven van de choreografie, als kader, ook voortdurend in vraag wordt gesteld.

Noot 3: Het proces van het schrijven en herschrijven van deze tekst is, intussen, onderdeel geworden van unwritten conversations (2018), het meest recente project van Avdal en Shinozaki, waarvoor ze mensen met wie ze regelmatig samenwerken uitnodigen om te reflecteren over ideeën, methodes, en alternatieve samenwerkingsmodellen, zonder een specifiek doel of eindpunt voor ogen.

Zoals PORTRAIT heeft ook unwritten conversations in se weinig te maken met het verleden. Deze momenten van reflectie zijn niets minder dan een nieuw kader waarbinnen de kunstenaars kunnen experimenteren, waar ze kunnen uitbreken om een nieuw hier en nu te verkennen, en om uiteindelijk iets te creëren dat dan later opnieuw in vraag kan worden gesteld.

Wat archiveert deze tekst? En op welke manier?
Hoe kan ik, met mijn schrijven, dit archief infiltreren, op een manier die resoneert met hoe fieldworks elke nieuwe locatie infiltreert, 
uitspit, 
en met het gevonden materiaal aan de slag gaat,
alternatieve toegangspunten opzoekt, 
de blik blijft verschuiven,
en laag na laag toevoegt,
van aantekeningen en acties,
op een speelse, poëtische manier,
en met zin voor humor en magie,
om de ruimte in vraag te stellen
– als kader en als moment –
en plaats te maken voor de verbeelding
van de toeschouwer
om een eigen route uit te zetten.
Een onmogelijke opdracht.

The presence of absence

De verschillende vormen van ‘schrijven’ zoals hierboven beschreven maken deel uit van een archiefpraktijk. Ze registreren en reproduceren aspecten van de fysieke ruimte en de acties die daarin plaatsvinden. Het is ook een tegenarchief. Het voegt materiaal toe, zet het in beweging, en activeert de verbeelding. Het creëert voortdurend nieuwe openingen, visualiseert andere aspecten van wat verborgen zit, en geeft hints van wat nog zou kunnen verschijnen.

Avdal en Shinozaki onderzoeken of de materialen waarop/waarmee ze schrijven, zoals de pagina, de muur, de vloer, of dagelijkse activiteiten, dragers kunnen zijn van een choreografische praktijk en archief. Choreografie wordt in dit oeuvre voorgesteld als een vorm van ‘schrijven’: het (her-)schrijven van tijd en ruimte, tekst en context, als beweging, en het (her-)schrijven van de ruimte en tijd waardoor een beweging zich in gang zet. Dit proces onderstreept de materialiteit van de plaats in kwestie, maar ook het materiaal van de dans.

In de loop van de retrospectieve in Pact blijft het werk zich verder verspreiden in de gangen en kamers van het gebouw. Het verandert van vorm, woekert, groeit. De beweging wordt overgezet van de ene performance naar de andere, maar ook tussen lichamen en objecten. Net als de zwarte en witte kubussen, de postkaarten, en de ballonnen (van nothing’s for something) die blijven verschijnen, blijft de beweging circuleren in de ruimte en zich verder verspreiden. PORTRAIT maakt zichtbaar hoe we beweging waarnemen, terwijl die verder blijft uitdeinen, van het ene object naar het volgende.

Het oeuvre van fieldworks wordt gekenmerkt door een extreme aandacht voor het kleinste detail en een unieke gevoeligheid voor subtiele verschuivingen in tijd en ruimte, en voor de aanwezigheid of afwezigheid van (andere) lichamen. In die zin belichaamt dit werk op diverse manieren wat in de dans vaak onzichtbaar blijft: zowel de materialiteit van beweging zelf als de relatie van de dans tot zijn materiaal (tijd, ruimte en lichamen): het object van choreografie.

Heine Avdal en Yukiko Shinozaki spreken over ‘the presence of absence’: de aanwezigheid van afwezigheid. Alle punten, lijnen en trajecten wijzen op de beweging (dans), die aanwezig, maar op een bepaalde manier ook afwezig is, onopgemerkt blijft. Ze ontstaat en bestendigt zich door de manier waarop deze veelheid van elementen in ruimte en tijd worden geschreven of gecomponeerd, en blijven echoën terwijl ze lijken te verdwijnen om opnieuw te verschijnen.

 

Ik wil graag Heine Avdal en Yukiko Shinozaki / fieldworks bedanken. Deze tekst kwam tot stand in dialoog met hen en met hun medewerkers. Avdal en Shinozaki annoteerden deze tekst met tekeningen van Orfee Schuijt. De foto’s van fieldworks PORTRAIT zijn van Dirk Rose.

essay
Leestijd 14 — 17 minuten

Sara Jansen

Sara Jansen is onderzoeker en dramaturg. Ze werkte mee aan voorstellingen van onder anderen Anne Teresa De Keersmaeker / Rosas, Heine Avdal en Yukiko Shinozaki / fieldworks, en Trajal Harrell.
 

essay