‘Locus (1975)’ (Trisha Brown)

Alexander Baervoets

Leestijd 3 — 6 minuten

Danssolo

Wanneer een dansliefhebber een voorstelling gaat zien, heeft hij gewoonlijk een keuze gemaakt tussen klassieken hedendaags, soms zelfs tussen specifieke genres als het romantische ballet of het danstheater. Anders dan in de muziek, zijn de vormomschrijvingen redelijk vaag gebleven. In dans is er geen sprake van genres als de symfonie, het concerto, het kwartet, de sonate en zo meer. Dans is daarvoor te lang een wereld van puur vermaak gebleven.

De quasi-wetenschappelijkheid van de muziek zou nochtans redelijk eenvoudig toegepast kunnen worden op de dans, als men daar al nood aan had. Niet iedereen heeft een boodschap aan een ” voorstelling in vier bedrijven met hoofdzakelijk groepsbewegingen, een symfonisch ballet in het ritme van…” Er is slechts één geval in dans waarbij de vormstructuur gemeenlijk als specifiek wordt onderscheiden en dat is de solo. Daar zijn goede redenen voor. Men staat daar zo gauw niet bij stil, maar een avondvullende voorstelling door een danser-solist is eigenlijk een apart genre, een curiositeit bijna.

In een solo staat de dansers alleen. Hij heeft, behalve zijn eigen lichaam, geen steunpunt in de ruimte. De mogelijkheid om spanningsvelden te creëren door middel van formaties ontbreekt. Vormelijk gesproken kan hij de ruimte en de tijd slechts invullen door middel van zijn trajecten en zijn bewegingen. Anders dan bij groepschoreografieën zijn die trajecten volkomen eenduidig, omdat er geen interferentie ontstaat met andere lijnen. Bij iedere verplaatsing in de ruimte blijft de solist het middelpunt en op de plek die hij achterliet blijft enkel leegte. In sommige choreografieën zie je dan ook hoe de danser de kracht van die grote lege vlakken al dan niet bewust laat werken. Om de aandacht van het publiek gedurende gans de voorstelling gaande te houden kan de solist verschillende personages uitbeelden of zich van een reeks attributen bedienen, maar op geen enkel moment kan hij zich verstoppen, nooit mag hij verslappen.

In het klassieke repertoire van voor 1900 komt er bij mijn weten geen enkele avondvullende solovoorstelling voor. Daar zijn zowel praktische als artistieke redenen voor. Zo is het voor een klassiek danser zo goed als onmogelijk drie kwartier of langer alleen op de scène te staan. Daartoe zijn zowel het fysieke uithoudingsvermogen van de danser als het uitbeeldingsvermogen van de klassieke techniek ontoereikend. Bovendien wordt een klassieke balletvoorstelling – divertissements als de Pas de quatre niet te na gesproken – opgehangen aan een verhaalstructuur, die heel wat pantomime en een hele schare personages vereist.

Het is pas rond de laatste eeuwwende dat de solo als genre ontstond bij figuren als Loïe Fuller en Isadora Duncan. Niet toevallig wilden juist die voortrekkers niets van doen hebben met het klassieke ballet en stonden zij een nieuwe, vrije dans voor. Fuller experimenteerde met belichting en met attributen die haar bewegingen konden uitvergroten; Duncan poogde te komen tot een directe expressie van emoties, zonder een omweg te maken langs een gecodificeerde danstaal. Beiden improviseerden.

In essentie vallen de meeste danssolo’s terug op dezelfde uitgangspunten, uitzonderingen als de abstract werkende Steve Paxton of Trisha Brown niet meegerekend. Meestal betreft het een “vrije” dans, al dan niet vastgelegd, die drijft op impulsen en die niet vanuit een specifieke techniek is gedacht. Emoties en energieën staan centraal. Eerder dan naar een dramatisch hoogtepunt wordt naar een spanningsboog toegewerkt. In de plaats van een gecodificeerde taal stelt men een directe taal. Vaak ontstaat de dans in een strikte symbiose met de muziek.

In 1905 maakte Isadora Duncan een eerste toernee door Rusland. Men discussieert nog steeds over de vraag of haar optredens enige invloed hadden op het werk van Mikhail Fokine, de jonge Russische choreograaf die later, onder Diaghilev, mee het succes van de Ballets russes zou bepalen. In 1907 maakte Fokine De stervende zwaan voor sterdanseres Anna Pavlova. De zeer expressieve stijl van deze choreografie was duidelijk een breuk met het rigiede keurslijf van de klassieke dans. Uit het voorgaande mag echter blijken dat ook de solovorm toen even revolutionair was en dit kan mogelijk worden gezien als een nog sterker argument wat de invloed van Isadora Duncan betreft. Slechts op één punt brak Fokine niet met de traditie. Hij choreografeerde en Pavlova danste, wat indruist tegen de ongeschreven wet dat de solist tegelijk choreograaf en danser is.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#34

15.06.1991

14.09.1991

Alexander Baervoets

artikel