Delphine Hesters

Leestijd 17 — 20 minuten

Criteria voor een kunstendecreet

Uitgangspunten, werkwijze en addertjes onder het gras in de beoordelingsorganen

Een zee aan interpretatieruimte

Uit: Artistiek Advies Les Ballets C. de la B.

Artistiek valt het op dat er weinig echte kritische zelfbevraging gebeurt in het gezelschap, behalve misschien bij De Smedt. Men betreedt de bekende paden. Ook en misschien vooral als een jong iemand als Cherkaoui bijvoorbeeld een uitstap wil maken naar het teksttheater (in casu Toneelhuis), wil de commissie hierover graag meer dan wat gemeenplaatsen vernemen. Deze vraag naar meer duidelijkheid naar de artistieke voornemens van het gezelschap is des te meer relevant daar de commissie toch wel vragen heeft omtrent de artistieke waarde van wat het gezelschap de laatste vier jaar heeft gerealiseerd.

De Vlaamse overheid wil het belang van kunstenaars in de samenleving onderschrijven1 en rekent het bijgevolg tot haar taak kunst in de maatschappij te stimuleren via de verdeling van subsidies. Dat deze subsidies ten goede moeten komen aan ‘kwalitatief hoogwaardige kunstcreatie’ en moeten leiden tot een ‘rijk cultureel landschap’, aldus het Kunstendecreet, staat buiten kijf. Het ontwerpen en uitvoeren van een verantwoord overheidsbeleid gaat uiteraard gepaard met het maken van keuzes, maar wegens de verzelfstandiging en de professionalisering van de kunsten binnen onze maatschappij worden de uitvoerende politieke mandatarissen niet meer geacht in staat te zijn om beslissingen te nemen die op gespecialiseerde kennis over kunst gestoeld zijn. Om sturing vanuit politieke belangen tegen te gaan en de kwaliteit van de kunst centraal te stellen in haar keuzes, doet de overheid dan ook een beroep op de beoordelingscommissies2. Omdat een kwaliteitsoordeel over de artistiek-inhoudelijke aspecten van een aanvraagdossier altijd een subjectief gegeven blijft –kenner of niet–, worden de visies van zeven à vijftien verscheiden veldkenners-met-ervaring samengebracht. De combinatie van hun ‘subjectiviteiten’ moet leiden tot een ‘objectief’ en dus aanvaardbaar oordeel en uiteindelijk tot een legitiem kunstenbeleid. Bovendien levert het Kunstendecreet de beoordelingscommissies een handleiding die de neuzen in dezelfde richting moet zetten en willekeur dient tegen te gaan onder de vorm van een lijst van beoordelingcriteria. Die criteria zijn: 1. profilering en positionering; 2. langetermijnvisie; 3. kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking; 4. landelijke en/of internationale uitstraling; 5. samenwerking en netwerking met artistieke en niet-artistieke actoren in het binnen- en/of het buitenland; 6. haalbaarheid; 7. publieksgerichtheid; 8. gedegen financiële onderbouw van de werking. Niet alleen de beoordelingscommissies krijgen de opdracht om op basis van deze lijst hun deskundig oordeel te vellen over de subsidiedossiers, ook de administratie Cultuur voert een kwaliteitstoets uit, gestoeld op dezelfde kwaliteitscriteria. Terwijl de commissies oordelen over de artistiek-inhoudelijke aspecten, spreekt de administratie zich uit over de zakelijke kant van de kunstenorganisaties.

Uit: Artistiek Advies Damaged Goods

Meg Stuart zorgt zonder discussie voor een drive binnen het Vlaamse danslandschap. Het grote knelpunt daarentegen is de zichtbaarheid, aanwezigheid en inbedding in Vlaanderen. Vanwege de buitenlandse residenties is de choreografe zelden in België werkzaam. Functioneren als Vlaams gesubsidieerd gezelschap vraagt volgens de beoordelingscommissie onder andere om een minimale fysieke aanwezigheid van de choreogra(a)f(e) en een betrokkenheid met het danslandschap.

De beoordelingscriteria geven het kader aan waarbinnen de commissies en de administratie hun oordeel kunnen focussen. Voor de invulling van de criteria staan ze echter zelf in. De begrippen lijken bij een eerste lezing duidelijke oriëntatiepunten, maar wanneer men er even bij blijft stilstaan, openen ze elk een zee van interpretatieruimte. Het decreet biedt acht maatstaven, maar de ijking blijft achterwege. De lijst van criteria is bovendien niet hiërarchisch opgesteld – prioriteiten moeten de beoordelaars blijkbaar zelf bepalen.

Dit artikel geeft de resultaten weer van een analyse van de adviezen van de beoordelingscommissies en de afdelingen van de administratie Cultuur die zij bij de eerste structurele ronde van het Kunstendecreet hebben neergeschreven3. De vragen waarop we een antwoord wilden vinden, waren die naar de invulling en de inzet van de beoordelingscriteria. We wilden een zicht krijgen op de ladingen die de beoordelingsvlaggen dekken en op de bewuste en onbewuste prioriteiten die de commissies en administratie naar voor hebben geschoven voor hun kunstsectoren.

Onze bevindingen over de interpretaties van commissies en administratie komen uiteraard voort uit ons eigen interpretatieproces en claimen dus niet zomaar ‘de ware gronden’ van de adviezen bloot te leggen. Bovendien gaat het louter om vastgestelde trends, niet om een volledige topografie van denkpatronen. Toch willen we op zijn minst een glimp opvangen van de inhoud van de black box van het kwaliteitsoordeel binnen het Kunstendecreet om daarnaast een aantal ideeën te formuleren over hoe de kwaliteit van dit oordeel volgens ons verbeterd kan worden.

Onderstaande resultaten tonen in hoofdzaak de conclusies met betrekking tot het werk van de beoordelingscommissies. Wie wil lezen wat we concludeerden over de advisering van de administratie kan een meer uitgebreide versie van dit artikel downloaden op www.e-tcetera.be. Ook vragen over het gebruikte materiaal en onze werkwijze worden daarin beantwoord.

Uit: Zakelijk Advies Kobalt Works

De administratie stelt vast dat de organisatie in grote mate is opgebouwd rond één enkele persoon. De administratie vraagt zich dan ook af wat de overlevingskansen zijn van de organisatie, mocht die persoon om welke reden dan ook uit de organisatie wegvallen. Meerjarige subsidies worden immers toegekend aan organisaties en niet aan personen. Enkel voor de twee creaties begint de organisatie te evolueren naar een ruimere structuur dan een eenmansgezelschap. Vooral de satellietprojecten zijn te zeer toegespitst op één enkele persoon.

Het belang van landmeten

Uit: Artistiek Advies Sint-Lukasstichting

De commissie is van mening dat de Sint-Lukasstichting door de jaren heen bewezen heeft te beschikken over een continue werking en een valabele programmering. De organisatie heeft een belangrijke signaalfunctie door jonge en nieuwe kunstenaars een tentoonstellingsplek te bieden. De stichting heeft zowel qua galeriewerking als qua tijdschrift een landelijk belang en speelt binnen het veld van de hedendaagse kunst in Vlaanderen een rol van betekenis.

Eerst enkele algemene bedenkingen over kwaliteitsbeoordeling. De bedoeling van evaluaties waarbij de motivatie meegedeeld wordt aan de organisaties, bestaat er volgens ons ook in dat de beoordeelde er wijzer van wordt. Artistieke en zakelijke adviezen zijn idealiter niet enkel adviezen aan de minister, maar ook aan de organisaties. Om deze doelstelling te kunnen verwezenlijken dient een oordeel voorzien te zijn van een argumentatie. Anders dan we eerst hadden verwacht, bevatten de adviezen van de beoordelingscommissies en verschillende afdelingen van de administratie echter weinig argumentatie in de vorm van concrete verwijzingen naar de dossiers of een specifieke invulling van de beoordelingscriteria. Zo stelt men zich bijvoorbeeld regelmatig vragen bij één of ander aspect van de werking, zonder te concretiseren welke die vragen dan wel mogen zijn en wat de oorsprong is van de twijfel (al slaagt de commissie ‘festivals’ er regelmatig in wél concreet aan te wijzen waar precies de problemen in de plannen zich situeren). Enerzijds heeft dit ongetwijfeld te maken met het gebrek aan tijd waarmee de commissieleden te kampen hadden: de commissies zijn immers pas met vertraging in januari samengesteld, terwijl drie maanden en een grondige lezing van de dossiers later de préadviezen al moesten klaarliggen. Anderzijds heeft dit ook te maken met het ontbreken van een duidelijk geformuleerd interpretatiekader waarmee de beoordelingscommissies konden werken en waarbinnen de beoordelingen vaste grond hadden kunnen krijgen. Cultuursocioloog Rudi Laermans wees er in De Standaard van 24 juni 2005 op dat het Kunstendecreet vooral werkt volgens een sterk administratieve aanpak en dat een degelijke inhoudelijke onderbouw ontbreekt. Alle vormelijke vereisten en procedures zijn vastgelegd, maar een visie op de wenselijke evoluties binnen het kunstenveld en zijn verschillende disciplines werd niet geformuleerd. Veel definitiemacht komt daarmee potentieel in handen van de beoordelingscommissies, maar die hebben hun kans niet ten volle gegrepen –of opnieuw: ‘kunnen grijpen’, want het ontwikkelen van een breed gedragen, doch scherpe toekomstvisie voor een sector vraagt méér dan drie maanden tijd.

Hetzelfde geldt voor de adviescommissie Kunsten die via het Kunstendecreet werd opgericht en die als voornaamste taak heeft de kwaliteitsbeoordeling te coördineren en te evalueren. Ze moet volgens het decreet op basis van haar expertise en overzicht over het hele kunstenveld gefundeerd beleidsadvies kunnen formuleren, maar over hoe deze taak vóór, binnen of na het beoordelingsproces kan aansluiten op het werk van de beoordelingscommissies zwijgen het decreet en het uitvoeringsbesluit. De adviescommissie is op papier nochtans de ideale denktank om de ontbrekende inhoudelijke poot van het kunstenbeleid ‘van onderuit’, via de ervaringsdeskundigen in de commissies, mee vorm te geven, eventueel in tandem met de steunpunten. (Gezien het vrijwillige karakter van de inzet van de commissieleden en de opdracht van de steunpunten, is het ook meer aan de laatste om het landmeten voor hun sector uit te voeren, en zo het oordeel van de eerste op z’n minst grondig voor te bereiden.) Het lijkt bovendien opportuun de adviescommissie aan de rechterhand van de minister van Cultuur –en dus zijn kabinet– te zetten wanneer deze de subsidieknopen doorhakt, zeker nu de commissies binnen het ‘geïntegreerd en integraal’ kader van het Kunstendecreet op voorhand niet meer weten hoeveel geld voor hun sector beschikbaar zal zijn en de minister na de beoordeling nog kan beslissen over de verdeling van de middelen. De beslissingen van minister Anciaux die eind juni bekend gemaakt zijn lijken immers een belangrijk deel van het beoordelingswerk teniet gedaan te hebben. Terwijl commissies en administratie in hun werk de moeilijke oefening doen te zoeken naar een beoordeling-op-maat van elk dossier, wordt in de finale fase opnieuw abstractie gemaakt van de individuele aanvragen en worden de organisaties ingedeeld in de ruwe categorieën van toegekende bedragen, zonder oog voor de specificiteit en de noden van elke organisatie.

Uit: Artistiek Advies Etablissements

d’en Face Projects

Voorlopig fungeert Etablissements nog te veel als louter experimenteerruimte voor de nieuwe beleidsploeg van acht mensen. Etablissments zal, na haar herprofilering in 2003, nu vooral in de komende jaren haar bestaansrecht moeten bewijzen.

Besluit: De commissie adviseert de aanvraag van Etablissements d’en Face Projects vzw tot subsidi­ëring van het geheel van haar werking voor de periode 2006-2007 positief.

Ondanks het ontbreken van een globaal inhoudelijk kader, hebben enkele commissies naast een beschouwing achteraf van vastgestelde tendensen in hun werkveld vóór de beoordeling van de individuele dossiers getracht inhoudelijke accenten te leggen en aandachtspunten naar voor te schuiven binnen hun eigen sector. De commissie ‘festivals’, bijvoorbeeld, heeft de beoordelingscriteria vertaald naar een aantal vragen die ze zelf het meest relevant achtte voor de evaluatie van festivalorganisaties (Is het profiel volledig/gedeeltelijk cultureel/artistiek? Welke dynamiek heeft dit festival, wat brengt het teweeg? enzovoort). De collega’s die de ‘kunstencentra en werkplaatsen’ beoordeelden, hebben een poging ondernomen om een aantal evoluties in het veld te accentueren (niveau landschap) en een invulling te geven aan voor hen doorslaggevende beoordelingscriteria (niveau individuele dossiers). Bovendien heeft deze commissie de definities van ‘kunstencentrum’ en ‘werkplaats’ van het decreet uitgewerkt en getracht om binnen die laatste categorie de subgroep van de alternatieve managementbureaus te omschrijven. Willem Hofstee4 stelt in Boekmancahier dat discussies om te komen tot een consensus (bijvoorbeeld over het criterium van kwaliteit, of de basiskenmerken van een werkplaats) niet noodzakelijk gerechtvaardigd worden door een duidelijk aanduidbare verbetering van het oordeel an sich, maar dat ze een meer preventieve functie hebben, namelijk de beoordelaars bij de les en het beoordelingsscript te houden. Discussies die resulteren in de landschapsnota’s zorgen echter niet alleen voor een meer doordacht en bewust proces van beoordelen binnen de commissies, bovendien worden de organisaties in staat gesteld hun individueel verdict binnen een breder kader te begrijpen én wordt het de minister bemoeilijkt om bij de uiteindelijke verdeling van de subsidies af te wijken van de adviezen. Het wordt dan immers duidelijk dat het wegnemen van een individueel puzzelstuk uit een beredeneerde landschapstekening meer repercussies heeft dan voor de organisatie alleen.

Ook een uiteenzetting over de werkwijze van de beoordeling, zoals uitgebreid neergeschreven bij de theatercommissie en ook aangegeven bij de commissie ‘festivals’, komt de transparantie van het proces van oordelen enkel ten goede, al blijft dat onvermijdelijk altijd gesluierd en gestoeld op een noodzakelijk vertrouwen in de deskundigheid van de commissieleden. Voor organisatiestructuren binnen de kunsten is een oordeel over structurele subsidies letterlijk van levensbelang, en wanneer ze enkel koers kunnen varen op wat gecommuniceerd wordt via papier, is een zorgvuldige uiteenzetting op z’n minst wenselijk.

De maten en gewichten van de beoordelingscriteria

Zoals reeds vermeld, hebben een aantal commissies expliciet getracht een invulling te geven aan de beoordelingscriteria die in het Kunstendecreet neergeschreven zijn. De rest van de interpretaties is enkel impliciet af te lezen uit de adviezen. Onze opdracht bestond er dan ook voornamelijk in de onnadrukkelijke invulling van de criteria uit de adviezen te abstraheren. In wat volgt zetten we onze belangrijkste bevindingen op een rij.

Uit: Artistiek Advies Contour

Contour vzw heeft in korte tijd een gedegen professionalisme opgebouwd en toont in zijn beleidsplan voldoende maturiteit om volwaardig te kunnen doorgroeien als organisatie met focus op videokunst. Getuige hiervan is de al uitgebreide internationale Europese samenwerking. Vooral op publieksgerichtheid scoort de Contour ook zeer goed vermits haar projecten dikwijls en/of grotendeels zich in de publieke ruimte bevinden (projecties, tentoonstellingsparcours in de stad…)

‘Kwaliteit’ – een ongrijpbaar goed?

Uit: Artistiek Advies Theaterfestival

Tegelijk heeft de commissie vragen bij de organisatie van het festival en de publiekswerking voor de volgende edities. Uit het dossier blijkt een doorgedreven institutionalisering en een gebrek aan artistieke keuzes.

De commissie vraagt zich ook af of de thema’s en activiteiten uit het randprogramma een publieksverbreding garanderen.

Zowat het moeilijkst in te vullen of te beargumenteren beoordelingscriterium is dat van de ‘kwaliteit van inhoudelijk concept en concrete (uit)werking’. Naast de eenvoudige vermelding dat het werk van organisatie X of kunstenaar Y ‘kwaliteitsvol’ is, zonder meer, konden we onder andere volgende variaties op de notie ‘kwaliteit’ terugvinden in de adviezen van de beoordelingscommissies: organisaties of kunstenaars zijn ‘vernieuwend, eigenzinnig, boeiend, interessant’ en ‘intrigerend’, ze ‘geven richting aan het veld’ of ‘vervullen een voortrekkersrol’, maken ‘scherpe of uitdagende keuzes’ en vormen een ‘meerwaarde voor het landschap’. Een ‘consequent parcours’ wordt geprezen, net als ‘evolutie’. ‘In herhaling vallen’ is te vermijden. Een flinke dosis ‘kritische zelfreflectie’ blijkt het ook uitzonderlijk goed te doen. De commissies ‘geloven, vertrouwen’ en ‘appreciëren’. Enkel bij de theatercommissie zien we een consequente poging om deze kwaliteiten ook te duiden door verwijzingen naar specifieke voorstellingen of de invulling van deelaspecten van het theater maken (dramaturgie, scenografie, prestaties van acteurs, keuze van thema’s of stukken, enzovoort). Ook tijdens een debatavond die we organiseerden met enkele stakeholders uit de sectoren van de podium- en de beeldende kunsten die handelde over kwaliteit en kwaliteitsbeoordeling, kwamen we tot de voorzichtige conclusie dat het symptoom van ‘kwaliteit’ erg moeilijk beargumenteerbaar is, al was het maar omdat een subjectief oordeel moeilijk sluitend gesteund kan worden door rationele, ‘objectieve’ argumenten. Dat ‘kwaliteit’ een volledig lege doos is, is daarmee ook niet gezegd. Dezelfde Hofstee van daarnet schrijft het volgende: ‘Kwaliteit heeft wel degelijk een intersubjectieve kern. Die valt nooit helemaal te pakken te krijgen, maar wel te benaderen. Het nuchtere feit dat menselijke beoordelaars meer met elkaar overeenstemmen dan dobbelstenen, geeft aan dat beoordelen meer is dan louter een ritueel’. Wanneer de beoordelaars niet willekeurig geselecteerd worden uit een brede populatie, maar gekozen uit instellingen die direct of indirect verbonden zijn met het gesubsidieerde kunstenveld –vaak op voordracht van collega’s-voorgangers, wordt de kans op een succesvolle transformatie van een tiental subjectiviteiten naar één ‘objectief’ oordeel des te plausibeler. De kans dat een organisatie buist op het criterium ‘kwaliteit’ als ze geen aansluiting vindt op dit specifieke veld is echter (terecht of onterecht?) des te groter. De kracht van ‘het men’ binnen een veld koopt zich via de selectie van de commissieleden vrij spel in het geleiden van de vanzelfsprekendheid van bepaalde tendensen in de beoordeling.

Opvallend is het onderscheid dat kan gemaakt worden tussen de kwaliteit die de commissies en administraties ontwaren in de toekomstplannen, dus in het behandelde dossier en volgens de enge interpretatie van het beoordelingscriterium, en de verwijzingen naar het verleden, d.w.z. het reeds afgelegde parcours van de organisaties of kunstenaars. Zicht krijgen op toekomstige evoluties en nog te maken artistieke producten op basis van intenties op papier is erg moeilijk. Daarom wordt in de commissies doorgaans het verleden als ‘bewijs’ genomen voor de potentie voor de toekomst. Een ander onderscheid dat duidelijk meeloopt in de beoordeling van de kwaliteit is dat tussen evaluatie via een ‘externalistische’ en volgens een ‘internalistische’ benadering, een onderscheid dat Pascal Gielen heeft scherpgesteld na zijn observaties binnen de beoordelingscommissie ‘beeldende kunst’ in 20005. Wanneer wordt gewerkt volgens een ‘externalistische’ benadering, wordt er verwezen naar de sociale en institutionele context waarbinnen het artistieke werk vorm krijgt: naar al dan niet lovende recensies, samenwerkingsverbanden met andere gezelschappen, coproducties van gewaardeerde instellingen, nominaties voor belangrijke prijzen, enzovoort. Bij een ‘internalistische’ benadering tracht de beoordelaar de intrinsieke kwaliteiten van een kunstenaar of een oeuvre te ontwaren in het werk zelf. Stellingen over de kwaliteit van het reeds afgelegde parcours van een organisatie steunen doorgaans op beide argumentatielogica’s, uitspraken over de artistiek-inhoudelijke aspecten van de dossiers lijken eerder gebaseerd op verwijzingen naar ‘externe’ elementen zoals geplande samenwerkingen. Over de uiteenzetting van de artistieke visie en vertaling in concrete plannen valt in de adviezen weinig meer te lezen dan de (on)tevredenheid over de uitwerking van die visie in de dossiers, wat we eerder onder de kwaliteit van het dossier dan van het artistieke project klasseren.

Terwijl de commissie ‘kunstencentra en werkplaatsen’ de kwaliteit van het inhoudelijk concept en concrete (uit)werking sterk aan de hand van het dossier zelf probeert te toetsen, lijkt de commissie ‘dans’ vrijwel volledig terug te vallen op de ervaringen uit het verleden. De andere commissies bevinden zich tussen deze twee posities. Andere tendensen die we kunnen vaststellen wanneer we het werk van de beoordelingscommissies vergelijken, is dat de commissie ‘beeldende kunst’ zich voornamelijk uitspreekt over de mate van uitwerking van de artistieke toekomstplannen en over de plaats die de organisaties innemen in het veld van de beeldende kunst. Dat ze dus de landschapslogica sterk laat gelden en ‘kwaliteit’ in die zin verbindt met het criterium van positionering en profilering6.

De wenselijkheid van samenwerking: 1+1=?

Uit: Artistiek Advies S.M.A.K.

Het dossier bevat echter geen gedegen uitgewerkt profiel van een kunstencentrum met zijn specifieke aandacht voor de continue opvolging en ondersteuning van vernieuwende creatie. We vinden nergens een onderbouwde motivering waarom S.M.A.K., naast het profiel van een museum voor actuele kunst, ook het profiel van kunstencentrum nastreeft. Het wordt in het dossier niet duidelijk welke de specifieke meerwaarde is die de werking van een kunstencentrum binnen het S.M.A.K. voor het museum zou kunnen betekenen.

Erg verscheiden zijn de invullingen die aan de noties van ‘samenwerking’ en ‘netwerking’ worden gegeven. Samenwerking en netwerking zijn in en lijken in sommige adviezen als vanzelfsprekend een positief gegeven –wie op wat voor manier dan ook samenwerkt, verdient een pluim. Een samenwerking kan echter verschillende vormen aannemen, van een integrale fusie tot het delen van eenzelfde netwerk, met verschillende consequenties die bovendien positief én negatief kunnen zijn. Samenwerkingsverbanden worden ook aangevoerd als een bewijs van de kwaliteit en verankering van een organisatie in het landschap, dus als ‘argument’ en niet als ‘conclusie’.

Samenwerking wordt in de adviezen van zowel de beoordelingscommissies als de administratie voornamelijk verbonden met de idee van ‘synergie’7. Voor de commissies, die hun oordeel vooral laten sturen door een kwaliteitsoordeel op het artistieke domein, betekent een geslaagde samenwerking voornamelijk dat 1+1 gelijk is aan 3. Dit wordt onder andere vertaald in de verwachting ‘dat kunstenaars elkaar artistiek zullen uitdagen’ of ‘dat de alliantie met een jonge collega een frisse wind zal doen waaien’ door de meer gevestigde organisatie. 1+1 is soms ook slechts 2 of 1,5. Zo ontwaart de danscommissie bij de grote dansgezelschappen die jongere choreografen onder de vleugels willen nemen vormen van epigonisme of klonen. Het ‘supermarktmodel’ dat ontstaat door het openzetten van de grote huizen voor jonge makers doet ook bij de leden van de theatercommissie vragen rijzen. De organisatiestructuur of de ‘vorm’ lijkt er belangrijker te worden dan de artistieke kern of ‘inhoud’ die eraan vooraf dient te gaan. Huizen hebben immers profielen en bijhorende posities in de kunstsector. Kunstenaars die door een gevestigde organisatie binnengehaald worden, dienen dan ook in het profiel van dat huis te passen. Epigonisme mag dan te vermijden zijn, radicale andersheid ook (codewoorden: ‘artistiek inconsequent beleid’ of ‘versnippering van het artistieke profiel’). Met als gevolg, kunstenaars die in een situatie dreigen te belanden waarin ze moeten kiezen voor het minste kwaad: het risico lopen onvoldoende werkingsmiddelen en structurele basis te hebben, of zich aanpassen aan het inhoudelijk profiel en de productiewijzen die het moederhuis meester is.

Wanneer de minister van Cultuur bij de bekendmaking van zijn beslissingen verkondigt dat individuele kunstenaars niet moeten rekenen op een ‘eigen’ structuur en ze beter aansluiten bij de bestaande organisaties, spelen echter andere dan artistieke overwegingen. Samenwerking leidt in zijn visie in de eerste plaats tot besparende, eerder dan tot additieve synergie, en in de eerste plaats op financieel vlak. 1+1 wordt dan 1,5 en staat dus voor zo’n 25% gewonnen subsidies die elders kunnen worden ingezet. Besparende synergie realiseert met een geringere middeleninzet een soortgelijk resultaat. Vraag is echter of dergelijke geringere financiële middeleninzet een soortgelijk artistiek resultaat zal opleveren binnen een kunstenbeleid dat een ‘rijk cultureel landschap’ mogelijk wil maken.

Besparende synergie kan ook bekomen worden op minder drastische wijze dan door kunstenaars te laten samenwerken binnen één (structurele) organisatie. Gewaardeerd door commissies en administratie zijn allianties waarbij afzonderlijke organisaties gezamenlijk een deel van het organisatorische luik van kunstmaken op zich nemen, zoals de verkoop van voorstellingen of het delen van bureauruimte of communicatiekanalen. Ook coproducties worden door de administratie erg gewaardeerd omwille van de ‘gedifferentieerde inkomstenbegroting’ die ermee kan opgemaakt worden, ongeacht de artistieke kwaliteiten van de corresponderende instelling.

Uit: Artistiek Advies vzw Krul – Les Bains

De organisatie heeft inderdaad een grotere professionalisering nodig. Ook de uitbouw van een gedegen communicatiebeleid zal de openheid ten goede komen.

De commissie gelooft dat het project van Les Bains::Connectives een groot potentieel in zich heeft en een rol te spelen heeft in de dynamiek van het Brusselse landschap. Daarom wil zij de professionalisering van Les Bains ondersteunen voor een periode van twee jaar.

Waar blijven de vruchten van het participatiedebat?

Opvallend is het gebrek aan invulling van het criterium ‘publieksgerichtheid’. Eerst en vooral nemen de beoordelingscommissies het, met uitzondering van de commissies ‘theater’, ‘festivals’ en ‘kunstencentra en werkplaatsen’ verrassend weinig ter hand, terwijl publieksgerichtheid niet alleen een beoordelingscriterium is, maar naast presentatie- en creatiegericht ook één van de basisfuncties die de organisaties moeten vervullen om in aanmerking te komen voor subsidies (dit geldt niet voor werkplaatsen die zich voornamelijk op creatie richten). Bovendien komen de commissies in de neergeschreven adviezen vaak niet verder dan een verwijzing naar de grootte en samenstelling van het bereikte publiek tijdens de afgelopen jaren. De vele discussies over publieksparticipatie ten spijt, valt publieksgerichtheid in de adviezen samen met publieksbereik. Het kwantitatieve resultaat van de publiekswerking wordt als teken gezien van een kwalitatieve manier van werken. Het inzicht dat publieksparticipatie niet noodzakelijk gelijk staat met publieksverbreding, maar ook met -verdieping en dat een uitgewerkt doelgroepenbeleid binnen een uitgebreider communicatiebeleid belangrijk is, is stilaan gemeengoed geworden. Maar op welke manier wordt een gelaagde en goede publiekswerking vormgegeven? De parameters hiervoor lijken –op basis van de adviezen– heel wat minder duidelijk.

Uit Artistiek Advies Zang en Dans

De sterke allianties die Zang en Dans in het vooruitzicht stelt (producties met Het Toneelhuis, Collegium Vocale, Het Muziek Lod) klinken inspirerend en veelbelovend. De samenwerking met het Kaaitheater garandeert niet enkel een aantal speelplaatsen maar ook logistieke en technische ondersteuning. Het Kaaitheater zal een deel van haar voorzieningen (kantoorruimte en studio’s) en haar knowhow ter beschikking stellen. Doordat het Kaaitheater een aantal producties van Zang en Dans in haar programma zal opnemen, ontstaat bovendien een artistieke wisselwerking.

De meerwaarde van een goede boodschapper

Uit: Artistiek Advies De Stichting

De Stichting stelt in haar dossier evenwel duidelijk dat ze zichzelf niét wil lanceren als een theatergezelschap met een eigen locatie en personeel in vast dienstverband. Niet De Stichting, maar de persoon van Peter De Graef zelf vraagt een structurele ondersteuning. (…) Om Peter De Graef in staat te stellen zijn artistieke traject verder te zetten, stelt de commissie een tweejaarlijkse erkenning en subsidiëring van De Stichting voor.

Wanneer we de commissies vergelijken in de kleur en toon die hun adviezen dragen –een gevaarlijke oefening– stellen we eveneens enkele verschillen vast. Bij examens en de puntenverdeling achteraf krijgen studenten wel eens het gevoel dat er verschillende soorten examinatoren bestaan: zij die punten geven en zij die punten aftrekken. De commissie ‘beeldende kunst’ geeft punten,8 de beoordelingscommissie ‘dans’ trekt eerder punten af, terwijl de commissie ‘kunstencentra en werkplaatsen’ dan weer de beide doet en de balans opmaakt van de goede en de negatieve punten van de beoordeelde instelling. Veel daarvan heeft te maken met de manier waarop de adviezen zijn opgesteld. Zo zet de danscommissie bij de negatief geadviseerden voornamelijk de onvoldoendes op een rij zonder tegengewicht van positieve kwaliteiten, terwijl de andere commissies meer nuanceren en met fijnere maten lijken te meten. De leden van de commissie ‘dans’ kunnen ongetwijfeld ook delen van de werking van de ‘gebuisden’ appreciëren, maar ze laten het na deze te vermelden. Het negativisme dat daaruit spreekt valt niet alleen moeilijk te smaken door de organisaties, bovendien dreigt het de minister te sturen in zijn oordeel over de tendensen in de sector van de hedendaagse dans.

In de reacties op de negatieve préadviezen hebben we meermaals kunnen lezen dat de organisatie ‘toch voldoet aan alle (andere) beoordelingscriteria’, terwijl men in het préadvies terug naar af is gestuurd op basis van de bespreking van één criterium, doorgaans dat van ‘kwaliteit van inhoudelijk concept en (uit)werking’. Het Kunstendecreet geeft aan dat de evaluatie van de subsidiedossiers gebeurt op basis van de beoordelingscriteria ‘voorzover ze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde realiteit of de twee- of vierjarige subsidiëring’. Het is dus niet nodig en bovendien ook niet wenselijk om de commissies en administratie telkens een uitspraak te laten doen over alle criteria voor elk dossier. Een breder advies met positieve en negatieve punten zou de neerslag van de beoordeling echter wel genuanceerder kunnen maken en de aanvragers minder snel het gevoel geven dat hun dossier niet met de nodige zorg behandeld is – een kwestie van duidelijke communicatie. (Al is het uiteraard een illusie dat men adviezen kan schrijven die zowel een negatieve boodschap overbrengen, als de beoordeelde vrolijk stemmen). Hier wordt opnieuw duidelijk hoe belangrijk een degelijke nota, met een omschrijving van werkwijze en werkveld, en het vooraf bepalen van prioriteiten wel zijn.

Waar een checklist voor de lezing van de dossiers bij de beoordelingscommissies het gevaar van ritualisme inhoudt en een oordeel-op-maat in de weg kan staan, lijkt een overzicht van concrete aandachtspunten bij de administratie wel een dankbaar hulpmiddel. De administratie ‘beeldende kunst’ geeft het mogelijke goede voorbeeld. Deze afdeling voert in de eerste plaats een lezing uit van de begrotingen, geeft telkens een overzicht van het subsidieverleden van de organisatie en tracht haar zakelijke analyse waar nodig te verbinden met de artistieke plannen van de aanvrager in kwestie. Ze interpreteert en vat samen aan de hand van parameters die ze klasseert onder een goed zakelijk en/of financieel beheer. Op het einde van het advies maakt ze de balans op en spreekt ze haar oordeel uit. Het mogelijk belangrijkste beoordelingscriterium naast dat van de kwaliteit van de artistieke werking en plannen is dat van haalbaarheid. Naast de verwijzing naar een ‘realistische begroting’, vinden we zo goed als nergens in de adviezen een grondige reflectie over de juiste inschatting van de eigen mogelijkheden van de organisaties in relatie tot de plannen en ambities. Een toets van de haalbaarheid van het project van een organisatie is echter enkel mogelijk wanneer de administratie en de beoordelingscommissies ook een ‘synergetische relatie’ aangaan. Een grondige lezing van de zakelijke aspecten van de dossiers kan dan als onderbouw dienen voor een geïntegreerde visie over de degelijkheid van de vertaling van het artistiek geknetter in concrete organisatiestructuren en acties.

Uit: Artistiek Advies Action Malaise

Action Malaise positioneert zich als een gezelschap dat zoekt naar eigenheid en samenhang in schrijven, creëren en vormgeven van eigen teksten en specifieke thema’s met betrekking tot de hedendaagse politieke en sociale context. Ivan Vrambouts fascinatie voor België, de financiële wereld en stedelijkheid vertaalde zich in krachtige theatervoorstellingen over thema’s die de vinger op de zere wonde van onze maatschappij leggen en tegelijk ook een breed publiek aanspreken.

Een uitgebreidere versie van dit artikel vindt u terug op onze website www.e-tcetera.be

1 Voor een uitgebreide toelichting over de achterliggende motivaties van de Vlaamse overheid, zie Memorie van Toelichting bij het Kunstendecreet, te downloaden op http://www.wvc.vlaanderen.be/regelgevingcultuur/wetgeving/kunstendecreet/index.htm

2 Zie ook Gielen, P. (2001). Esthetica voor beslissers. Aanzet tot een debat over een reflexief cultuurbeleid. Tielt: Lannoo, pp.45-46.

3 We hebben ons beperkt tot een analyse van het adviesmateriaal van de kunstenorganisaties (dus niet van de organisaties voor kunsteducatie of sociaal-artistieke werking, de uitgevers van periodieke publicaties, de steunpunten en de instellingen van de Vlaamse Gemeenschap) en daarbinnen tot het werk van de administratie en commissies van ‘theater’ (languit: ‘Nederlandstalige dramatische kunst’), ‘dans’, ‘beeldende kunst’, ‘festivals’ en van de ‘kunstencentra en werkplaatsen’. Meer uitleg over materiaal en werkwijze is te vinden op www.e-tcetera.be.

4 Hofstee, W.K.B. (2002). Kwaliteit van beoordelingen in de context van kunstbeleid. In: Boekmancahier 54. Hofstee is emeritus hoogleraar psychologie en heeft zich gespecialiseerd in beoordelingsprocessen.

5 Zie Gielen, P. (2001). Kunst beslissen. De werking van de commissie en beoordelingscommissie beeldende kunst in 2000: een jaarverslag, beschikbaar bij de afdeling BKM van de administratie cultuur, en ook ten dele overgenomen in Kunst in Netwerken. Artistieke selecties in de hedendaagse dans en de beeldende kunst, Gielens in 2003 in boekvorm uitgegeven doctoraatsthesis (Uitgeverij Lannoo).

6 De geplande financiële inhaalbeweging voor de beeldende kunsten heeft de commissie mogelijk weerhouden van stevige kritiek op de werking van haar huizen of organisaties, maar misschien heeft ze daarmee verschillende organisaties –niet alle– de voordelen van een externe kritische, maar constructieve doorlichting ontzegd?

7 Voor studiemateriaal over synergie in de (podium)kunsten kan men terecht bij het Vlaams Theaterinstituut. Via de site op volgend adres: www.vti.be onder de rubriek ‘thema’s’.

8 Zie ook nota 6.

artikel
Leestijd 17 — 20 minuten

#98

15.10.2005

14.01.2006

Delphine Hesters

artikel