‘Congo’. De Tijd. – Foto: Keoon.

Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

Congo

De Tijd, Antwerpen

De theaterwereld ligt op de loer. Theatermensen van een jongere generatie hebben de krachten gebundeld, hebben daarvoor van de overheid een redelijke subsidie gekregen, en genieten van ruime belangstelling bij pers en publiek. Men wacht tot ze zullen vallen, hun nek breken, tot het bewijs wordt geleverd dat De Tijd al afgedaan heeft. Eén bewijsje is al voldoende. Nu al zegt men dat De Tijd over het paard getild is, dat het seizoen maar povertjes is. Pennen worden gescherpt. Jakhalzen ruiken een prooi.

Theater is een wrede kunst. Er is geen tijd voor latere erkenning, alles moet onmiddellijk aanslaan. En het produktieproces is te duur en te complex om elk oninteressant probeersel terug op te rollen en opnieuw te beginnen. Het publiek vandaag is ook erg ongeduldig: men wil direct resultaat, elke produktie moet je overhoop halen of ze wordt afgekeurd. Het traject van de theatermakers verloopt trager: een inhoudelijke lijn wordt uitgezet, een gezelschap vormt zich, een speelstijl wordt ontwikkeld, een theatraal perspectief wordt nagestreefd. Die tijd moet men de makers gunnen. Beoordelingen op basis van een mislukking, op basis van een seizoensfluctuering gaan te snel. Belangrijker is of een groei mogelijk is, of een identiteit zich aftekent, of het perspectief realiseerbaar is. Het lijkt mij dat dat voor De Tijd zich voorlopig -en elke beoordeling die zich niet op minstens drie seizoenen beargumenteert blijft voor een dergelijk initiatief voorlopig- gunstig ontwikkelt: De Tijd heeft al een unieke plaats, houdt een eigen theatrale koers, legt specifieke accenten, durft risico’s nemen. En gaat daarbij af en toe op de bek. Met Congo bijvoorbeeld.

Congo is vooral onduidelijk. Geen onduidelijkheid die omfloerst is, spannend om door te dringen. Geen avontuuronduidelijkheid. Geen sluimerende ontluiking. Gewoon, ondoordringbaar, een overdaadonduidelijkheid. Zwart als Congo. Congo is een metafoor, zoveel is duidelijk. Maar een metafoor voor alles: voor het ondoordringbare oerwoud, voor de navel die ons leven bindt, voor de wildheid als heimelijk verlangen, voor het avontuur-voorbij-Marlboro, voor het zijn aan de andere kant van de taal, voor de eerste man en de eerste vrouw die wonderlijk in mekaar passen, voor Stanley uit de schooltijd, voor de mythe van de primitieve mens, voor de gekoesterde zwartheid van de blanken, voor de onmetelijkheid van ons kleine hoofdje, voor de stof die vóór de chromosome ligt, voor de letters vóór de A. Congo als metafoor voor alle projecties en verlangens én voor hun tegendeel: een stapel kommen en teljoren, een plant in een aqarium, opgezette dieren, in sterk water bewaarde ingewanden, een blanke man en een blanke vrouw die niet bij mekaar passen, een aangevreten Stanley, een uitgeleefde Marilyn, en verhaalstukjes die de letters tussen A en Z opgebruiken om alle genres (avonturenroman, strip, detective, sprookje, aftelrijmpje, essay) uit te proberen.

Congo is een voorbeeld van Pourveurs holistische schriftuur. Hij schrijft in een universele tijdruimte. Alles kan daarbij op zijn blad vallen: historische momenten, archetypische figuren, strepen anekdotiek, maar vooral sprokkelhout uit de literair-culturele erfenis, een rijke mengelmoes van meesters en pulp. Het papier en de letters daarop vormen het centrum van zijn taaluniversum: het schrijven, het schrijfproces, de aarzelingen van de auteur, de reminiscenties aan het medium, zijn mee in het stuk ingeschreven, en ontwikkelen een materiële laag die af en toe voor verrassende verdiepingen in het stuk zorgt, maar in het slechtste geval gewoon het gebrek aan inspiratie van de schrijver blootlegt. De boekenkast vormt de achterwand van het stuk. De Vlaamse taal is de bodem. Pourveurs schrijfstijl kan het best met keukengerei vergeleken worden: een vergiet, een klopper, een citroenpers, een soepmixer, een drukkookpan: alles wat mixt, perst, vermengt, onder druk zet. De combinatie van holisme, universaliteit en de keukenbanaliteit geeft ook de schaalveranderingen en spanningen in de teksten weer: kampvuurgedachten staan er naast soapflarden, paradoxen, filosofische diepgang. Het holisme wordt sterk gerelativeerd, het universum heeft de afmetingen van een Leuvens tuintje. Het ruime hoofd vergeet nooit de knellende schoenen.

Volgt men de route van de regisseur dan schrijft Congo eigenlijk verder aan het verhaal van de liefde dat Vandervost ook al in Le diable au corps en Pan vertelde. Ging Le Diable over de romantische liefde, de minne voor de onbereikbare maar tegelijk zeer aardse Vrouw, en Pan over de naïeve, vanzelfsprekend natuurlijke passie tussen Pan en Paniska, dan laat Congo het failliet van de verhouding zien: de man jaagt een mythe achterna, de vrouw begraaft zich in haar schoot. De gespreksvorm is de monoloog, letterlijk. Een monoloog van de man waarin hij vertelt hoe tien mannen (die zijn er altijd te veel) in een afvallingskoers hun projectie (Elisa Livingstone) achternazitten. Een monoloog van de vrouw die een reis maakt door haar lijf, haar ingewanden, op zoek naar de oorsprong, het begin van het leven: de dood. Mekaar ontmoeten doen ze niet. Hun reisroutes lopen diametraal uit elkaar: de ene loopt naar buiten, de ander naar binnen. Af en toe mummelt zij wel wat terwijl hij aan het woord is, en aan het eind komt hij eens kijken of ze al klaar is, maar voor de rest is er afstand, zijn ze onbereikbaar voor mekaar, heeft er zich te veel rommel tussen hen gestapeld. Twee mensen die hun weg in de literatuur kwijt geraakt zijn, in de verkeerde boeken terecht gekomen zijn, en niet meer in staat de A aan de Z te verbinden. Twee mensen die de historische draad tussen lichaam en mythe niet meer vinden, en zich vasthouden aan losse eindjes: beelden, avonturen, projecties, 12 m. darmlengte.

En dan vraag ik me af waarom de produktie niet van de grond komt. Ligt het aan de structuur van het stuk, de dubbele monoloogvorm die theatraal niet werkt, te weinig structurele spanning bezit? Ligt het aan het stuk zelf waarvan de gelaagdheid slechts af en toe voor aangename liftbewegingen zorgt, vaker rommelig aandoet? Ligt het aan de acteurs die de monoloog niet verbeeld krijgen? Of ligt het aan de regisseur die de tekst niet gebruikt om een eigen verhaal te vertellen dat ontstaat vanuit de lichamen en de ruimte? Te strikt wordt de vertelvorm louter verhaald, wordt de tekst geïllustreerd, wordt het taalprogramma afgewerkt, worden de wetten die de tekst stelt opgevolgd. Er komt geen verweer van de theatermakers, geen tegenbeweging die het taalgeweld indijkt, compenseert, organiseert. De scène vertelt de tekst. Congo blijft daardoor een papieren jungle, met snippers en strookjes, en veel literair struikgewas.

Congo

Auteur: Paul Pourveur;

gezelschap: De Tijd;

regie: Lucas Vandervost;

vormgeving: Jan Versweyveld;

spelers: Mirei Bonte en Bob De Moor.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#25

15.03.1989

14.06.1989

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

recensie