Het leven en de werken van Leopold II, KVS © Koen Broos

Leestijd 13 — 16 minuten

Congo tussen nostalgie en postkoloniale kramp

Hoe verhoudt een stadstheater in hartje Brussel zich tot het Belgische koloniale verleden? Het begon in 2002 met de enscenering door Raven Ruëll van Het leven en de werken van Leopold II van Hugo Claus. Enkele jaren later was de KVS voor het eerst actief in Congo zelf. Nog eens vijf later – in het vijftigste jaar van de Congolese onafhankelijkheid – blikken Paul Kerstens en Jan Goossens terug op hun Congo-traject, én kijken zij vooruit.

We ontmoeten elkaar in het café van Hotel Metropole op het Brouckèreplein, het enige hotel uit de negentiende eeuw dat in Brussel nog uitgebaat wordt. Het werd in 1895 geïnaugureerd en straalt nog steeds de grandeur uit van de belle epoque, zonder enige twijfel de glorieperiode van Brussel. Keerzijde van de medaille is echter dat veel van de Brusselse architecturale pracht gebouwd werd met geld dat Leopold II verkreeg uit de rubberhandel in Congo, dat onder de benaming ‘Congo-Vrijstaat’ van 1885 tot 1908 persoonlijk eigendom was van de vorst. Van 1908 tot 1960 was Congo een Belgische kolonie. De viering van vijftig jaar Congolese onafhankelijkheid dit jaar kan niemand zijn ontgaan. De aandacht op televisie en in kranten en tijdschriften was groot. Romanschrijver Jef Geeraerts ging voor het eerst sinds zijn vertrek vijftig jaar geleden terug naar Congo, op zoek naar sporen van zijn Black Venus, de Afrikaanse minnares de hij achterliet. De Congostroom is door journalisten inmiddels in alle richtingen bevaren. Congo-experts schreven ieder hun Congo-boek. Europarlementslid en voormalig minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel noemde Leopold II ‘een visionair, een held met ambitie voor een klein landje als België’. De regering vond uiteindelijk een compromis voor het koninklijk bezoek aan de ex-kolonie:een aanwezigheid zonder officiële speech.

Congo blijft op een bepaalde manier ‘het donkere continent’ van de Belgische politieke geschiedenis. Veel wijst erop dat het koloniale verleden en de halve eeuw Congolese onafhankelijkheid niet of nauwelijks zijn doorgedrongen in het historische bewustzijn van de Belgen, in casu de Vlamingen.

De culturele en artistieke uitwisseling met Congo is navenant. Weinig in het Vlaamse culturele leven getuigt van het feit dat België ooit een koloniale macht was en dat Brussel een niet onbelangrijke Congolese gemeenschap herbergt. Lichtbaken in dit verhaal is de KVS die vanuit zijn expliciete aandacht voor de stedelijke werkelijkheid van Brussel een Congo-traject heeft uitgezet. Dat begon een kleine tien jaar geleden, toen het plan werd opgevat om Het leven en de werken van Leopold II van Hugo Claus te ensceneren. Met de hulp van afrikanist Paul Kerstens werd in 2002 de informele denktank Green Light opgericht, die zich moest buigen over vormen van samenwerking met Afrikaanse kunstenaars, hier in België en later ook in  Congo. In 2005 ging de KVS voor het eerst aan de slag in Kinshasa met een workshop rond de tekst Martino van Arne Sierens, in een regie van Raven Ruëll. Meer reizen volgden. Voorstellingen uit Vlaanderen werden in Kinshasa getoond: Het leven en de werken van Leopold II (KVS), Gembloux (KVS), Spiegel (Wim Vandekeybus), pitié! (Alain Platel), Drumming (Rosas), e.a. In omgekeerde richting werd het werk van de Congolese choreograaf Faustin Linyekula in Brussel getoond. Het hele Congo-traject staat in het teken van de wederkerigheid, de ontmoeting en het creëren van ‘een mentale ruimte, waarbinnen Belgische en Congolese kunstenaars ongestoord kunnen samenwerken en ideeën en ervaringen kunnen uitwisselen’, aldus de website van de KVS.

De Congo-werking bestaat in 2010 precies vijf jaar. Tijd voor een terugblik, een stand van zaken en een blik op de toekomst. Een gesprek met Jan Goossens, artistiek leider van de KVS en Paul Kerstens, coördinator van het KVS  Congo-traject over koloniale heimwee en postkoloniale verkramping, artistieke autonomie en ontwikkelingshulp, Vlaamse en Waalse aanwezigheid, structuren en ontmoetingen.

ETC In juli 2010 organiseerden jullie een tweede multidisciplinair festival in Kinshasa. Waarom hebben jullie gekozen voor de festivalformule? Is de behoefte daaraan in Kinshasa reëel?

Paul Kerstens Het festival staat niet op zich. Het verschaft niet alleen zichtbaarheid aan onze werking in Congo, maar ook aan wat er in Kinshasa aan podiumkunsten aanwezig is. Podiumkunstenaars werken veelal in de marge. Zij brengen wel voorstellingen, maar meestal voor een zeer beperkt publiek. Met een festival worden zij meer zichtbaar en krijgen ze meer waardering. Naast de voorstellingen zijn de ontmoetingen en workshops een heel belangrijk luik van het festival. Die staan bij ons niet in het teken van overdracht van kennis. Het zijn geen vormen van opleiding, maar momenten van ontmoeting en samenwerking. Dit jaar organiseerden we eveneens conferenties, maar ook dat waren in de eerste plaats mogelijkheden tot ontmoeting. Een van de centrale gasten dit jaar was Faustin Linyekula, een Congolese kunstenaar. Ook Renzo Martens was er en Theo van Rompay met dansers van P.A.R.T.S. Als dat soort artiesten naar Kinshasa komt, moet je hen de mogelijkheid geven om te vertellen waarmee ze bezig zijn. Die ontmoetingen waren een groot succes. De uitwisseling is essentieel in onze werking, want Kinshasa is en blijft een geïsoleerde stad. Je kan er alleen per vliegtuig naartoe, wat het reizen erg beperkt.

Jan Goossens Faustin Linyekula heeft vier jaar geleden beslist om in Kisangani te gaan werken. Daar investeert hij nu en hij is er zeer bekend. Hij zegt zelf: ‘Als ik mij morgen kandidaat stel voor het burgermeesterschap, word ik ongetwijfeld verkozen.’ Maar in Kinshasa is hij veel minder bekend; onder andere omwille van het feit dat het niet zo eenvoudig is om naar Kinshasa te reizen. Dat kan alleen per vliegtuig. Via het festival maken we zichtbaar waar we al jaren op organische wijze mee bezig zijn. Je kan in onze Congowerking een drietal fases onderscheiden. In een eerste fase, grofweg de jaren 2006-2007, hebben we onszelf ginder voorgesteld met een aantal voorstellingen. In die fase hebben we ook Congolese artiesten naar Brussel gehaald en hen hier voorgesteld, vooral Faustin Linyekula. Daaraan gekoppeld waren er korte workshops die in het teken van de ontmoeting stonden. In 2008 en 2009 zijn we vooral in de diepte gaan werken. We hebben geïnvesteerd in lange werkprocessen zoals voor A l’attente du livre d’or, een voorstelling die in het voorjaar van 2010 in première ging. Daarna heeft Paul terecht gezegd dat we opnieuw aan zichtbaarheid moesten werken, maar op een andere manier dan in de eerste fase. We zijn bij de festivalformule uitgekomen. Kinshasa heeft die dynamiek nodig, de Congolese artiesten hebben hem nodig en wij konden onze werking opnieuw zichtbaar maken. We hebben er nog een dimensie aan toegevoegd. Met de hulp van de Goethe-instituten in Afrika zijn we erin geslaagd om artiesten uit andere Afrikaanse landen naar Kinshasa te halen. Ook daar is een grote nood aan. Artiesten uit Kinshasa zien zelden artiesten uit Kisangani of uit Goma, bijna nooit artiesten uit Europa, maar evenmin uit Zuid-Afrika, Nigeria, Ghana of Ivoorkust. Dit jaar was het festival erg gelaagd wat betreft communicatie: contact tussen Congolezen onderling, tussen Congolezen en andere Afrikaanse kunstenaars, met Europese artiesten en via de aanwezigheid van P.A.R.T.S. zelfs contacten met dansers uit de Verenigde Staten en Argentinië. Het festival had dit jaar een uitgesproken internationaal karakter.

ETC Hoe kijken jullie terug op de onafhankelijkheidsviering en vooral op het discours over Congo in eigen land? Hebben we na alle documentaires iets meer begrepen van onze relatie tot Congo?

JG Daar is zoveel over te zeggen. Laat mij een aftrap geven. Je stoot op twee duidelijke feiten. Enerzijds is er het gegeven dat Congo in de dagelijkse realiteit van Brussel nadrukkelijk aanwezig is. Misschien niet op dezelfde manier als de Indonesiërs dat zijn in Amsterdam, maar je moet niet ver zoeken om een tien- of vijftiental podiumkunstenaars samen te brengen die in Brussel werkzaam zijn en hun roots in Congo hebben. Dat is trouwens hetgeen Paul heeft gedaan bij aanvang van het Congo-traject in 2001-2002. We weten intussen ook dat relatief veel van de podiumkunstenaars die we in Kinshasa hebben leren kennen, banden hebben met Brussel en Brussel zelfs relatief goed kennen. Er is dus een va-et-vient. Tegelijkertijd kan je niet anders dan constateren dat Congo in de artistieke en culturele instellingen, maar ook op het niveau van de officiële politiek zo goed als onzichtbaar is. Er is geen denken rond Congo, geen beleid. Iedere keer als je aan iets begint, moet je opnieuw de meest primaire vragen beantwoorden.

PK Ook aan de Vlaamse universiteiten gebeurt er weinig wetenschappelijk onderzoek naar Congo. Een degelijke opleiding in de koloniale geschiedenis is er niet, in elk geval niet in Gent, waar de vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen toch het zwakke broertje is van de menswetenschappen. Er is wel een aanzet in Leuven. Je hebt daar een aantal zeer boeiende individuen, zoals Filip De Boeck die met een groep van ex-studenten goed werk levert. Maar over het algemeen gebeurt er weinig en wordt Congo stiefmoederlijk behandeld.

ETC Welke zijn volgens jullie de redenen daarvoor?

JG Een van de redenen is het koloniale project van de Belgen zelf. Dat is altijd een ander project geweest dan dat van de Fransen, de Engelsen of de Nederlanders. Het Belgisch project stond altijd in het teken van het weghalen van grondstoffen en kapitaal, niet in het teken van een mogelijke integratie van Congo en de Congolezen in de Belgische culturele sfeer. De Fransen hebben dat met hun kolonies wel gedaan, zij het op een heel perfide manier, via hun idee van de francophonie. Ook de Nederlanders hebben via de taal veel meer aan een vorm van integratie gewerkt. Congo is nooit deel geweest van het Belgische bewustzijn. Voor de Vlamingen komt daar nog bij dat de taal van de kolonisatie Frans was. Sinds het begin van de jaren zestig en zeker de voorbije decennia, met de opstoot van het Vlaams-nationalisme, is men in Vlaanderen de kolonisatie van Congo meer en meer als een Franstalig Belgisch project gaan beschouwen. Mijn punt is dat Vlamingen, zeker politieke verantwoordelijken, vandaag vinden dat ‘de Franstaligen’ zich maar met Congo moeten bezig houden, want het is toch een Franstalig land.

ETC Hoe verhouden zich de Waalse en de Vlaamse culturele aanwezigheid in Congo?

PK Aan Franstalige kant wordt de werking opgenomen in het grotere verhaal van de francophonie. Op dit moment is Vlaanderen niet vertegenwoordigd in Kinshasa en de Franstalige Gemeenschap wel met La délégation Wallonie-Bruxelles. Je zit daar effectief met een onevenwicht. Op het terrein werken we natuurlijk samen. Het Centre  Wallonie-Bruxelles heeft het festival mee ondersteund: het was de plek waar alle ontmoetingen met de artiesten doorgingen. Die samenwerking heeft veel te maken met goede persoonlijke contacten met de directeur. Een officieel verhaal van samenwerking bestaat echter niet.

JG Ik heb veel respect voor wat de Franstalige Gemeenschap doorheen de jaren heeft uitgebouwd. Het Centre Wallonie-Bruxelles heeft enkele jaren geleden zijn twintigste verjaardag gevierd. Zij zijn nooit weggegaan en hebben nooit hun werking stopgezet, zelfs niet in de moeilijke jaren negentig, tijdens de plunderingen. Bepaalde aspecten van hun werking zijn zeer de moeite waard. Hun bibliotheek is een bijzondere plek, midden in de stad, waar dagelijks zeventig tot tachtig Kinois komen studeren.

ETC In een bijdrage voor rekto:verso over het Vlaamse cultuurbeleid in Afrika stelt Wouter Hillaert vragen bij de Congo-werking van de KVS en pleit hij voor meer investeringen in lokale projecten, in ontwikkeling en in infrastructuur.

JG Met ons project moeten we constant tegen twee houdingen opboksen, om het wat dramatisch uit te drukken. Enerzijds is er de nostalgie. Daarmee zijn we de afgelopen maanden via de berichtgeving rond de vijftigjarige onafhankelijkheid van Congo bijna dagelijks geconfronteerd. De aandacht voor de televisiereeks rond de terugkeer van Jef Geeraerts naar Congo is typisch voor die houding. Ook bij de Congolezen is er sprake van een zekere nostalgie. Maar die heeft vooral te maken met de miserabele actuele situatie, waarin ieder alternatief een uitweg lijkt. Enerzijds heb je dus die nostalgie, anderzijds heb je mensen die in een postkoloniale kramp vastzitten en er dus vandaag evenmin in slagen om met de Congolezen een gelijkwaardige communicatie te ontwikkelen. Uit die kramp is ook het stuk van Wouter Hillaert geschreven. In Congo gaat hij heel nadrukkelijk niet praten met de mensen waarmee we samenwerken, maar wel met diegenen waarmee we bewust niet samenwerken. En dan krijgt hij op een bepaald ogenblik te horen wat hij van bij het begin wilde horen. Bij mensen die lijden aan die postkoloniale kramp valt het me op dat zij de verschillen heel erg op de spits drijven. Terwijl ik het gevoel heb dat er heel wat gelijkenissen zijn tussen jonge kunstenaars hier en jonge kunstenaars in Kinshasa. Hun noden, hun verlangens, de stedelijke realiteit waarin ze werken en de manier waarop je daar als producent mee moet omgaan verschillen niet van de Brusselse realiteit. Vanuit de afwezigheid van Congo in onze intellectuele bagage ontstaat er een soort onwetendheid, waardoor mensen de verwantschappen, gelijkenissen en parallellen niet meer zien. Wouter Hillaert gaat een week naar Congo en staart zich alleen maar blind op het feit dat de artiesten het moeilijk hebben en op het ontbreken van infrastructuur. Vervolgens stelt hij de vraag: waarom doet de KVS daar niets aan? Terwijl dat niet de vragen zijn van waaruit wij vertrekken. Wij vertrekken in de eerste plaats van de artistieke vragen van jonge artiesten.

ETC Voelen jullie je soms overvraagd?

PK Het is inderdaad zo dat de verwachtingen van beide kanten soms te hoog gespannen zijn. Maar over het algemeen schatten de artiesten in Kinshasa goed in waar we mee bezig zijn en welke dingen we kunnen doen en niet doen. Ik krijg heel weinig vragen rond materiële en financiële ondersteuning. Ik verzet me tegen het cliché dat Congolese artiesten vooral geldelijke steun zouden willen, zoals Wouter Hillaert beweert, en dat hetgeen wij bieden misschien wel interessant is maar niet essentieel. Wat wij aanbrengen zijn andere dingen dan wat ngo’s bieden. Waar we wel in de toekomst aan willen werken, en waar we al stappen in hebben gezet, is de samenwerking met ngo’s en met ontwikkelingssamenwerking voor aanvullende projecten en met betrekking tot een grotere wederzijdse uitwisseling van expertise. Wat wij merken in Kinshasa is dat Congolezen veel minder complexen hebben in de omgang met het verleden. Ze reageren daar veel minder emotioneel op, en met meer humor. Ik word in Kinshasa ‘nonkel Paul’ genoemd en ik heb daar geen enkel probleem mee. Ze zien me absoluut niet als een oud- of een neokoloniaal

JG Zij kijken het koloniale beest veel meer in de ogen dan wij. Maar wat voor hen geen optie is – en voor sommigen in Vlaanderen duidelijk wel – is dat we er niet zijn, dat er niks gebeurt en dat er geen relatie is. Ik zal nooit de vraag vergeten van een Congolese journalist in 2005, toen we voor de eerste keer met een voorstelling naar Kinshasa gingen, met Martino van Arne Sierens in een regie van Raven Ruëll. Tijdens de persconferentie zei ik dat het niet de eerste keer was dat de KVS Congo aandeed en verwees ik naar het vorige bezoek eind de jaren vijftig, met voorstellingen van Tone Brulin, weliswaar enkel voor een blank publiek. Dat zorgde voor wat commotie in de zaal en ik dacht dat ik iets verkeerds had gezegd met die verwijzing naar het verleden. Toen kwam de vraag: ‘Jullie zijn hier eind de jaren vijftig geweest, nu is het 2005, moeten we nu weer vijfenveertig jaar wachten tot jullie terugkomen?’ Voor hen is het evident dat je vanuit een gedeeld verleden vandaag tot andere gesprekken en andere vormen van samenwerking komt, zonder je te laten bezwaren door dat beladen verleden. In Vlaanderen heb je een andere houding: gezien het glad ijs is en je erdoor kan zakken, blijf je beter aan de kant staan. Dat is voor hen geen optie. En voor ons, met de ervaringen die we hebben opgedaan, evenmin. Wegblijven is een zwaktebod.

ETC Jullie engagement in Congo is in de eerste plaats een artistiek engagement. Maar hoe sterk staan de kunst en de kunstenaar in een land dat gebukt gaat onder armoede, oorlog, corruptie, …?

JG Ik had het eerder over de vele verwantschappen tussen jonge Congolese en Brusselse kunstenaars. Een groot en belangrijk verschil echter is de positie van de autonome artiest. Die is ginder veel zwakker dan bij ons. Wij vinden het onze allereerste taak om daarin te investeren. Als theaterhuis moeten we in Congo geen cultuurbeleid uitstippelen, geen subsidies geven aan lokale werkingen en niet investeren in infrastructuur. Ten eerste hebben we die middelen niet. Ten tweede kan het opbouwen van lokale structuren alleen maar op legitieme wijze gebeuren door de Congolezen zelf. Door Congolezen die als artiesten de autonomie en de kracht hebben verworven om dat in de stad en in de civiele samenleving te doen. Op dat vlak is er nog veel werk te verzetten. Terwijl wij in Vlaanderen vragen stellen bij de autonomiegedachte en wel eens de opmerking maken dat die hier misschien te ver is doorgeschoten, investeren we in Congo honderd procent in die autonomie. Autonomie is daar op geen enkele manier een evidentie. Voor het lokale politieke establishment bestaan de artiesten gewoonweg niet. Voor de internationale donoren bestaan de artiesten wel, maar dan enkel op geïnstrumentaliseerde wijze. Als Congolese artiesten en gezelschappen vandaag geld krijgen om te werken, komt dat van ngo’s en ontwikkelingssamenwerking. Bij dat geld zit dan een duidelijke opdracht en agenda. Onze inzet steunt op het geloof dat de Congolezen en de Congolese samenleving veel baat zullen hebben bij een krachtige, weerbare, autonome artistieke sector. Daarin willen we investeren. Maar dat houdt ook in dat wij aan Congolese artiesten niet te vertellen hebben wat zij moeten doen. Dat is een cruciaal verschil

ETC Wat vragen deze jonge Congolese artiesten concreet?

PK Er is veel vraag naar workshops. In Kinshasa bestaat er nauwelijks of geen basisopleiding. Het accent van onze toekomstige werking gaat wellicht meer hierop liggen dan op het maken van voorstellingen, hoewel dat natuurlijk een belangrijk onderdeel blijft. Als je ontmoetingen organiseert, komen daar altijd nieuwe projecten uit voort.

JG Er is ook veel vraag naar ontmoetingen met makers. Dat wil niet zeggen dat daar onmiddellijk voorstellingen uit moeten voortkomen. Je vindt in Kinshasa veel goede dansers, dat konden de mensen van P.A.R.T.S. met eigen ogen vaststellen. Er gebeurt veel op een spontane, niet-gestructureerde manier. We bezochten deze zomer een parcelle in Lingwala, een cité in Kinshasa en een behoorlijk arme buurt. Een parcelle is niet meer dan een huis met een koer errond. Daar komen iedere avond tussen vijf en acht dertig tot veertig jonge breakdancers samen dansen. Ze ontwikkelen er elk hun eigen stijl. Ze repeteren iedere dag enkele uren met en voor elkaar. Zij verdienen daarmee natuurlijk niet hun brood. Maar naast het simpele overleven geven ze aan dat dit hetgeen is wat ze willen doen in hun leven. Ze motiveren en steunen elkaar. Maar ze hebben een grote behoefte aan iemand die de leiding neemt en hen een stap verder helpt in het maken van voorstellingen. Voor dergelijke groepen zou ik graag een sparringpartner vinden. Dat zijn duidelijke vragen.

ETC Welke rol spelen de bestaande artistieke opleidingen?

PK De bestaande opleidingen zijn van zo’n laag niveau dat ik geen verschil zie tussen de dansers die ze gevolgd hebben en degene die dat niet gedaan hebben. Wat de dans betreft heeft Faustin Linyekula in 2001 en 2002 in Kinshasa een grote dynamiek op gang gebracht. De hedendaagse dans in Kinshasa heeft duidelijk zijn wortels in het werk van Faustin, wat niet wil zeggen dat zijn danstaal geïmiteerd wordt. Faustin heeft geïnvesteerd in goede mensen, die nu op hun beurt eigen werk maken en in hun workshops nieuwe dansers ontdekken en opleiden. Dat heeft artistiek gezien meer opgeleverd dan het volgen van een opleiding van vier jaar aan het Institut National des Arts.

JG Er zijn een aantal nationale instituten die in de jaren zeventig bakens waren van kwaliteit en waar studenten uit heel zwart Afrika naartoe kwamen. Die instituten bestaan nog  steeds en trekken nog steeds veel studenten, maar het zijn niet meer dan geraamtes, geleid door mensen die zich vooral aan hun postjes vastklampen. Er wordt weinig kennis of knowhow doorgegeven. Faustin heeft in de jaren na 2000 een nieuwe wind doen waaien in Kinshasa. En vooral een nieuw bewustzijn gecreëerd: we kunnen en we mogen hiermee bezig zijn.

ETC Stromen deze nieuwe artiesten dan niet door naar de opleidingen en de grote instellingen?

JG Dat gebeurt veel te weinig. Er is op de leidinggevende posten van de grote artistieke instellingen ook een groot verloop. Met iedere nieuwe minister van Cultuur wordt een nieuwe directeur aangesteld. Met de directeur van het Institut National des Arts zijn er dit jaar een aantal gesprekken geweest: Faustin heeft met hem gepraat, Theo van Rompay heeft met hem gepraat, ikzelf heb met hem gepraat. Ik had de indruk dat hij zich bewust is van de problemen en van het feit dat het eigenlijk niet kan dat iemand als Faustin geen rol speelt in het curriculum van de opleiding. Hij heeft me ook gezegd dat het Institut de inbreng van internationale partners nodig heeft. We zullen zien hoe het evolueert, maar tot nog toe kennen wij die instellingen vooral als gesloten bastions. Ik heb daarom moeite met Europeanen die zonder enige kritische instelling samenwerken met een dergelijk instituut. Je kan je band met zo’n instelling ook gebruiken om die instelling van binnenuit te veranderen. Ik ben niet tegen samenwerking, maar ik heb tegen de directeur gezegd: het zal met Faustin zijn of niet zijn. Waar we op termijn naartoe moeten is naar een internationaal kunstencentrum in Kinshasa – en dat is een project groter dan de KVS en ook groter dan Vlaanderen. Dat moet niet onmiddellijk een grote infrastructuur zijn, hoewel het moeilijk is zonder. Een dergelijk centrum zou werk- en presentatieplekken creëren maar zou ook een rol moeten spelen in de opleiding en in het faciliteren van ontmoetingen, op een veel permanentere basis dan wij dat nu doen. De artistieke en maatschappelijke effecten van zo’n centrum zullen na tien, vijftien jaar spectaculair zijn. Die termijn heb je nodig. De stappen die de KVS op vijf jaar tijd heeft gezet, zijn groot. Maar de volgende stappen zullen moeten gezet worden onder een bredere paraplu. De politieke wil om een dergelijk project vanuit Vlaanderen te financieren is er niet. Onze voorkeur gaat trouwens ook uit naar een  diversificatie van de subsidies.

PK In de 21ste eeuw zou een dergelijk ambitieus project een zaak van Europa moeten zijn, en niet van een deelstaat of een regio, zoals nu. Maar voor het Congo-traject van de KVS  blijft ondersteuning vanuit Vlaanderen natuurlijk cruciaal.

www.kvs.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 13 — 16 minuten

#122

01.09.2010

30.11.2010

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!