Charlotte De Somviele, Ciska Hoet

Leestijd 6 — 9 minuten

Commentaren van de redactie bij Evelyne Coussens’ recensie over ‘Addio Amore’

In het decembernummer van Etcetera schreef Evelyne Coussens over haar kopzorgen als commissielid bij het beoordelen van sociaal-artistiek werk binnen het nieuwe schottenloze kunstendecreet. Die worsteling concretiseerde ze in een recensie van Tutti Fratelli’s Addio Amore. Haar tekst ontlokte uitvoerige commentaar bij twee leden van de redactie van Etcetera. Lees hieronder de discussie die zich ontspon.

Dag Evelyne,

We hebben veel appreciatie voor je radicaliteit. Het is uitdagend dat je naar de fundamenten van dit debat probeert te gaan. Bovendien vinden we het moedig dat je als recensent je eigen zoektocht en twijfels publiek maakt. Tegelijkertijd hebben we veel vragen.

Allereerst denken we dat je makkelijk voor een geïntegreerde aanpak had kunnen kiezen en beide recensies met andere woorden had kunnen samenvoegen. Beide bevatten valabele argumenten en criteria die elkaar prima aanvullen om tot een degelijk onderbouwd eindoordeel te komen. Eerlijk gezegd hebben we de indruk dat de krampachtige opdeling die je maakt tussen sociaal en artistiek je ervan weerhoudt om dit zelf te zien. Bekijk je het met andere woorden niet allemaal wat te essentialistisch? De opdeling die je maakt (ook tussen vorm en inhoud) vinden we alleszins te scherp en moeilijk houdbaar.

Betekent dit dat wij artistiek nooit op onze honger bij sociaal-artistieke voorstellingen? Natuurlijk wel. Hoewel het landschap gelukkig een stuk diverser is dan dat, is het niet moeilijk om het cliché te benoemen. Je ziet geregeld hetzelfde stramien terugkeren. Sociaal-artistieke voorstellingen zijn vaak opgebouwd uit losstaande scènes die weliswaar rond hetzelfde thema draaien, maar samengevoegd een degelijke spanningsboog ontberen. Muziek wordt ingezet als dragende factor die de boel op gang houdt – wat toch een beetje een zwaktebod is. Verder zijn niet alle acteurs even podiumvast en wordt de ruimte daardoor niet altijd optimaal benut. Omdat alle spelers moeten kunnen schitteren, durft het bovendien ook nog eens allemaal wat te lang te duren.

Dat cliché is niet zomaar uit de lucht gegrepen. Met kwetsbare groepen werken, vergt immers een zodanig intensieve begeleiding dat je binnen een beperkte repetitietijd op sommige vlakken nu eenmaal minder ver springt dan met middenklassers, laat staan met professionele acteurs. Het feit dàt deze mensen op een podium staan en daar een coherent geheel aan elkaar weten te spelen, is een verwezenlijking op zich. Maar dat gegeven kan gerust ook bijdragen aan de artistieke ervaring. Bovendien tonen deze voorstellingen aan dat kunst niet enkel artistieke interesses hoeft te dienen (idem voor heel wat ‘reguliere’ producties).

Alleszins vinden we het niet moeilijk om te begrijpen waar je kritiek vandaan komt. Bij de voorstellingen van Tutti Fratelli is het soms jammer dat ze wel zwaar investeren in bijvoorbeeld scenografie en kostuums, maar veel minder in een doorgedreven inhoudelijke dramaturgie. Daardoor blijven hun voorstellingen wel eens aan de oppervlakte hangen en loert stereotypering om de hoek. Wat dat betreft is er dus niks mis met je oordeel. De manier waarop je je recensie(s) kadert, is dan wel weer problematisch.

Deze hele discussie wordt pas interessant als je niet met een ‘andere blik’ naar sociaal-artistiek kijkt, maar wel als je ook de ‘regulieren’ mee in ogenschouw neemt. Dan blijkt immers hoe onhoudbaar het is om een opdeling te maken tussen een sociale en artistieke finaliteit. Waarom is de verregaande sociale dimensie in het werk van pakweg Simon Allemeersch een verrijking maar vinden we dat we ‘anders’ moeten kijken naar wat ze bij de Unie maken? Je zit bij ‘reguliere’ voorstellingen artistiek soms toch ook op je honger? Waarom is het gebrek aan acteertalent van bvb Jan Decorte artistiek, maar vinden we dit bij sociaal-artistieke spelers sociaal? In ons laatste nummer schreef je nog over Kabinet K. Ook zij werken met niet-professionelen. Daarover staat op hun site te lezen dat deze dansers “niet (of minder) door bepaalde gedragspatronen of een danstechniek getekend zijn”. Moeten we dan begrijpen dat het enkel artistiek verantwoord is om werk te maken met en voor middenklassers, maar niet met sociaal kwetsbare groepen?

Punt is dat er zich op dit moment een continuüm aftekent met daarop tig gezelschappen en makers die op de één of andere manier een sociale dimensie verwerken in hun artistieke praktijk. En de ene keer lukt dat beter dan de andere, ook bij de ‘regulieren’. Soms wordt het uitleggerig (denk bijvoorbeeld aan Hoop van het het Nieuwstedelijk), de andere keer pakt de mayonaise in zijn geheel niet (bvb Zonder zon zon, dat vooral recht gehouden werd dankzij het métier van de twee acteurs).

Hoewel de worsteling die je beschrijft niet hoeft te worden ontkend of weggewuifd, denken we kortom dat het niet zo moeilijk hoeft te zijn om sociaal-artistiek werk te beoordelen. Elke voorstelling heeft verschillende dimensies (niet enkel sociale en artistieke) die je op hun merites kan taxeren. Wellicht is het inderdaad goed om een aantal extra criteria te benoemen, maar die kunnen evengoed vruchtbaar zijn bij het kijken naar wat de ‘regulieren’ doen. Het is immers niet zo dat ‘reguliere’ voorstellingen autonoom los zijn gesneden van de samenleving.

In dat licht hebben we ook vragen bij de veralgemening in de conclusie. Plots reduceer je de hele sociaal-artistieke sector tot louter zijn maatschappelijke en politieke belang en geef je aan dat er geen artistieke meerwaarde kan zijn voor dit soort voorstellingen. Dat lijkt ons toch wel een grove uitspraak. Ze ontkent de uniciteit van elke voorstelling en de diversiteit binnen de sociaal-artistieke sector. Is het wel fair om deze voorstelling plots in te schakelen in een algemene claim over de positie van sociaal-artistiek onder het kunstendecreet (‘We kunnen het nooit artistiek rechtvaardigen’)? Is dat eigenlijk niet pas betuttelend?

Er is tenslotte ook de vraag of het niet beter was geweest om een good practice als proefkonijn te kiezen, in plaats van met deze tekst opnieuw te vervallen in het oude polaire denken. Zo is er het voorbeeld van Forsiti’A, of van Ceux que j’ai rencontrés ne m’ont peut-être pas vu van Nimis Groupe. Die laatste voorstelling is niet alleen intelligent gecomponeerd, informatief zonder belerend te zijn en gebaseerd op doorgedreven research. Er wordt ook gewerkt met een groep vluchtelingen wiens spel nauwelijks te onderscheiden valt van dat van de ‘professionelen’. Hun geheim? Naast visie, talent en hard labeur, is dat heel simpel: tijd. Want daar waar je investeert, genereer je kwaliteit. Zo eenvoudig is het soms ook.

Vriendelijke groet,

Charlotte en Ciska

Reactie van Evelyne Coussens

Dag Charlotte en Ciska,

Wat de opdeling tussen sociaal en artistiek betreft, besef ik natuurlijk dat het een continuüm is (ik schrijf ook ergens dat elk proces van regulieren evengoed ‘sociaal’ is) en de onderverdeling (in taal) heeft deels te maken met mijn eigen neurotische verlangen om de dingen (voor mezelf) ‘helder’ te krijgen. Maar er is meer aan de hand. Beleidsmatig is die definitiestrijd evengoed aan de hand, en daar heeft ze zware gevolgen. Dus als we een helder kader voor subsidiëring willen, kunnen we de definities en criteria maar beter zo helder mogelijk krijgen.

Dat het een verwezenlijking op zich is dat je erin slaagt om een voorstelling te maken met kwetsbare groepen, daar ben ik het mee eens. Of dat bij kan dragen aan de artistieke ervaring, dat wil ik dan graag eens bewezen zien.

Ik ben de eerste om te zeggen dat je het hele artistieke veld in ogenschouw moet nemen. Het is niet ik, maar minstens een deel van de sociaal-artistieke sector die mij vraagt om mijn blik aan te passen door mijn criteria te verbreden. De inzet van het hele artikel, ook van het bronartikel, is nu juist dat het wat mij betreft allemaal één pot nat is. Iedereen gelijk voor de artistieke criteria. Met als pijnlijke bijvangst in een veld dat jammer genoeg concurrentieel opgedeeld is (de ranking): exit alle sociaal-artistieken. Om jullie voorbeeld te volgen zal in het totaalplaatje van alle voorstellingen van pakweg Toneelhuis versus alle voorstellingen van Unie der Zorgelozen Toneelhuis er beter uitkomen.

En natuurlijk hebben heel wat reguliere voorstellingen een sociale dimensie en is er dus sprake van een continuüm, maar ergens in het midden slaat de balans om. Je zou kunnen zeggen dat we daar van het Kunstendecreet terecht komen in het Decreet Sociaal-cultureel werk. De discussie is zeer vergelijkbaar met die rond superdiversiteit. Moet ik anders kijken naar gekleurde acteurs of niet? Neen, natuurlijk niet, nogal wiedes. Maar mag ik dan ook gewoon zeggen dat ik het meeste van wat SINcollectief maakt amateurisme vind?

Grappig bovendien dat jullie uiteindelijk toch zeggen dat je anders moet kijken als jullie zeggen dat er nieuwe criteria nodig zijn. Het is zeker waar dat elke voorstelling verschillende dimensies heeft. Maar als we zo gaan redeneren kunnen we een voorstelling ook gaan beoordelen op pakweg zijn mediawaarde, de hoeveelheid BV’s die erin zitten of de kwaliteit van de hapjes op de receptie bij de première. Ik maak er een karikatuur van, maar in mijn ogen is het heel simpel: je kan een voorstelling inderdaad op heel veel dimensies taxeren, maar voor voorstellingen onder het Kunstendecreet lijkt het mij evident dat het allereerste, en meest zwaarwegende criterium de kwaliteit van de kunst is.

Wat mijn conclusie betreft, zal ik verder niet beweren dat er geen enkele sociaal-artistieke voorstelling ooit artistiek top is geweest. Dat kan best, maar door de band genomen is het niet zo. Ik trek de positie van sociaal-artistiek niet in twijfel onder het Kunstendecreet, maar wel het discours over de reden dat dat zo is. Het mag er gerust blijven, maar dan wel om de juiste redenen.

Tenslotte is het zeker waar dat je kwaliteit genereert waar je investeert. Maar de productieprocessen bij de ‘regulieren’ kunnen nu ook niet bepaald maandenlang duren. Integendeel zelfs, ook daar zit men met een snelle productiemachine. Of dat dus een ‘excuus’ is voor mindere kwaliteit…?

Vriendelijke groet,

Evelyne

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

open brief
Leestijd 6 — 9 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Charlotte De Somviele, Ciska Hoet

Charlotte De Somviele schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is kernredactielid van Etcetera.

Theaterwetenschapper Ciska Hoet is directeur van RoSa, kenniscentrum voor gender en feminisme. Daarnaast is ze freelance-cultuurjournalist bij onder meer De Morgen. Ze maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.