An-Marie Lambrechts

Leestijd 3 — 6 minuten

Column

Kinderen en jongeren op het toneel. Over kwetsbaarheid en gespeelde kwetsbaarheid.

Er is iets aan de hand. Iets wat op wrevel lijkt, overvalt me na nog eens een theatervoorstelling met kinderen of jongeren als acteurs. Zaum en Of Scheikunde op het jongste Stekelbeesfestival – dit keer in een Victoria-editie – en ook Ja, Wacht van Victoria zelf. Het lijstje van dit type voorstellingen laat zich vrij makkelijk aanvullen: Alain Plateis nieuwste dansvoorstelling, Bonjour Madame, comment allez-vous…

Een nieuw fenomeen? Geenszins. Etcetera 26 (juni 1989) berichtte uitvoerig over Het Heengaan, Voorjaarsontwaken, La Ciffra e.a. Allemaal voorstellingen met jongeren en/of kinderen als acteurs. Die uitvoerigheid had niet alleen te maken met een behoefte om verslag te doen van deze op zijn minst merkwaardig te noemen produkties. Aan deze produkties werd toen een aantal wijzigingen in het theatraal aanvoelen afgelezen. Directheid, betrokkenheid samen met uiterste helderheid, rust en eenvoud zijn woorden die in de beschrijvingen voortdurend terugkomen. Of het gevoel bij mensen op bezoek te zijn, in plaats van voorstellingen die bij jou op schoot komen zitten, om Guy Cassiers te parafraseren.

Achteraf gezien blijkt een aantal regisseurs een weg gevonden te hebben om kinderen/jongeren in contact met een publiek te laten treden, zonder zich daarbij te bedienen van maskerende theaterconventies, of zonder in clichématig, branie-achtig ‘jongerengedrag’ te vervallen. We gebruikten toen von Kleists onderscheiding die de ware gratie maar vindt in de volkomen on-bewuste jonge man (die zich niet geobserveerd weet) en anderzijds in de perfecte acteur, van wie de kunde zo groot is dat ze opnieuw een volkomen vanzelfsprekendheid ademt.

In de concipiëring van de vorm troffen we bij deze voorstellingen een aantal constanten: een kale scène, alleen licht en donker, vaak ook kledingstukken in overvloed, microfoons en muziek. Maar ook in de manier waarop de confrontatie met het publiek aangegaan werd, zagen we patronen opduiken: in een één-na-één confrontatie met het publiek traden de jongeren naar voor, vaak centraal op de scène, en ‘deden hun ding’, iets waarin zij alleen speciaal goed zijn. Vaak ontbrak elke vorm van volgehouden vertelling: wat op de scène getoond werd, viel (bijna) samen met zichzelf; voor een fictioneel elders was weinig ruimte in de intensiteit van het hier-en-nu op de scène.

Viel bijna samen: omdat er natuurlijk toch weer ontzettend veel geschaafd was aan de ‘directheid’ van de jongeren op de scène. Hoe lang moet je werken aan iets totdat het er weer ‘echt’ uitziet? Om die reden kon je zeggen dat deze voorstellingen meteen ook de kern van het theater troffen: de zoektocht naar de ‘echtheid’, ‘waarachtigheid’, ‘authenticiteit’ die vaak de hele cirkel van het kunstmatige, onechte, gereproduceerde doorloopt om het punt te vinden waar perfectie en eenvoud elkaar vinden.

Piepende scharnieren

Als die recente jongerenvoorstellingen mij ongemakkelijk maken, is dat dan omdat er gewoon sleet komt op de formule? Is het omdat een aantal makers van nu te goed gekeken heeft naar hoger genoemde produkties, om vervolgens met een soortgelijk resultaat voor ogen met jongeren aan de slag te gaan? En dan eerder te werken vanaf een bepaald beeld van hoe zo een voorstelling moet zijn, hoe de kinderen er in die voorstelling moeten uitzien, dan werkelijk vanaf de jongeren zelf?

Ik weet het niet. Het zou een aantal mensen meteen over de kam van het epigonisme scheren. En zo simpel kan het toch niet liggen, alleen al omdat sommige makers zich op een totaal ander werkterrein bevinden en bovengenoemde voorstellingen misschien niet eens gezien hebben. Voorlopig kan ik alleen het verschil beschrijven tussen een en ander, zoals het mij voorkomt. De grens is dan misschien subtiel, maar niet minder helder: terwijl ik eerst getroffen was door de extreme openheid en ongemaskeerdheid van de groep voorstellingen als Het Heengaan, De Parade als daar is geen e.a. komt het mij nu voor dat de nieuwe jongerenvoorstellin-gen zich weer sluiten, zichzelf opsluiten in een onbekritseerbaar hulsel: ‘als dit hier te zien is, is dat omdat jongeren zo zijn’.

De openheid, die betrekking had op het avontuur om zichzelf op te zoeken in een confrontatie met een ander (het publiek of de tegenspeler), heeft plaatsgemaakt voor een simulatie van kwetsbaarheid en die simulatie is op haar beurt gekoppeld aan een verbod: kinderuitingen kan je op de scène niet beoordelen zoals uitingen van volwassenen/professionelen. Zo hebben de voorstellingen die naar uiterlijke tekenen nog wel perfect alles van dat direct publiekscontact met zich dragen, zich binnen in zichzelf gekeerd en meteen ook al hun typische bestaansvoorwaarden op het spel gezet.

Dan gaan alle scharnieren piepen: het los-zand-effect dat meekwam met wat flarden tekst en muziek lijkt dan plots wat makkelijk; de muziek moet dan ineens veel binden of juist scheiden; alles wordt plots zo bedoeld. En juist dat is het wat het toch tere weefsel op de scène niet verdragen kan; dan stort alles ineen en kan je alleen maar hopen dat het gewoon een beetje leuk was, of dat de kinderen er alleszins veel aan gehad hebben. Maar mag het voor ons een tikkeltje meer zijn?

 

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#44

15.02.1994

14.05.1994

An-Marie Lambrechts

artikel