Klaas Tindemans

Leestijd 5 — 8 minuten

Chris Lomme: “Ik heb een tweede adem gevonden

Chris Lomme (foto Bie Peeters), sinds lange tijd actrice in de KVS, speelt nu een gastrol in De Meeuw van BMC. Jos Verbist, gedurende vele jaren acteur in KVS en NTG, bouwt nu aan een nieuw ensemble in Arca. Dirk Roofthooft, van alle markten thuis, staat vandaag in the picture als Don Carlos in de gelijknamige produktie van De Tijd. Met hen spreken we over hun visie op repertoire spelen en over hun ervaringen in de grotere en kleinere gezelschappen.

Chris Lomme is sinds jaren “prima donna” bij het KVS-gezelschap in Brussel, dat na jaren langzaam uit een artistieke winterslaap lijkt te ontwaken. Chris Lomme is sinds juni dit jaar ook lid van de uiterst controversieel samengestelde Raad van Advies voor de Toneelspeelkunst. Dé reden om even met haar te spreken is de rol van Irina Arkadina die ze speelt in Tsjechows De Meeuw, een produktie van de Blauwe Maandag Compagnie (BMC) in regie van Luk Perceval. De rol: een ouder wordende actrice van middelmatig niveau, die gelukkig is als ze de gevierde schrijver Trigorin, die ze bemint, kan koesteren en vleien.

De actrice: een zelfbewuste vrouw, bijna dertig jaar in het theater bezig, die haar tweede adem vindt bij regisseurs die de grote instituten uitdagen met een eigenzinnige aanpak van Het Repertoire.

Welke ervaring heb je met het spelen van Tsjechow?

Ik heb Ljoeba gespeeld in De Kersentuin, een regie van Pierre Laroche. Laroche is een goed regisseur, die o.a. een heel mooie Don Juan van Molière maakte. Maar zijn Kersentuin was allemaal veel te dramatisch, veel te zwaar op de hand. Iedereen speelde zijn eigen drama. Ik ben wild van alle Russen: die spleen, die nostalgie, die decadentie, met ongelooflijk veel facetten voor elke rol. Waarbij je gelukkig bent als je de helft van die rijkdom in je spel kan benaderen. Toen Luk Perceval mij vroeg om de rol van Arkadina te spelen, was het precies een beloning.

Bij Tsjechow is De Meeuw dan nog een bijzondere uitdaging?

Zeker. Arkadina is een ouder wordende actrice. Het is bijna alsof ik mezelf aan het bekijken ben. Je ziet de kleine kantjes binnen jezelf.

Op welke manier verschilt de manier van werken bij de BMC met de werkwijze die je gewoon bent?

Het belangrijkste is de heel goede regisseur. Bovendien hebben we lang aan De Meeuw kunnen werken. Ik heb ook met René Verheezen op die manier gewerkt (Moeder in KVS 2, zie Etcetera nr. 14). Hij heeft mij een juistere manier van werken bijgebracht. Het is nooit goed te veel en te lang met mensen van eigen huis te werken, dat wordt inteelt.

Bij Luk Perceval heb ik vertrouwen gekregen. De heel eenvoudige manier om te zeggen “dit is niet goed”. Je mag ernaast zitten, zonder dat dit problemen oplevert. Heel rustig hard werken. Er ligt een soort concept vast, maar daar wijken we tientallen keren van af, we herschrijven het. Alles wat je op die manier opgeslagen hebt, kan je blijven gebruiken.

De voorstelling van de Blauwe Maandag Compagnie dient zich aan als komedie, wijkt alleszins af van de traditioneel melancholische Tsjechow. Je voelt je daar goed bij?

Ik vind dat het zo moet: tragikomisch, nooit tragisch. Daarvoor zijn de personages niet groot genoeg. De drama’s zijn maar dramaatjes, behalve Kostja’s zelfmoord en Nina’s ondergang. De anderen gaan stuk aan hun kleinburgerlijkheid. Dat is zo herkenbaar. Tragisch in het leven, maar zo komisch op de scène. Zonder daarom de komedie te gaan spelen. Neem Arkadina. Haar zoon voert een stuk op en zet er een jonge actrice in. Het mens is doodongelukkig omdat het niet met haar gebeurt, en omdat het “nieuwe vormen” zijn, die haar afschrikken. En eigenlijk is zij geen goede actrice. In het stuk wordt gezegd — een toevoeging, niet van Tsjechow — “een slecht acteur is een slecht mens”. Dat zegt genoeg.

Hoe is er omgegaan met Tsjechows tekst?

De melodramatische momenten zijn er uitgehaald. Als je het stuk leest is het een tranendal, maar dat hangt samen met de tijd waarin het geschreven is. Wat het stuk zo grandioos maakt, is dat Tsjechow alles aantast, ook wat de zoon, Kostja, geschreven heeft. Hij is ook erg kritisch tegenover zichzelf, in het personage van Trigorin. We hebben wel heel lang naar de betekenis van Trigorin gezocht: waarom blijft hij toch zo lang bij Arkadina? Omdat hij een wierookvat nodig heeft. Arkadina, het personage, houdt bijzonder veel van deze functie, maar ikzelf, als mens, haat dit. Zij zegt het heel juist: “Je bent de laatste bladzijde van mijn leven”. Dat heeft niets te maken met grote passie of liefde, maar anders is ze helemaal alleen. Ze verliest haar zoon en doet daar niets aan, ook Trigorin gaat haar ontglippen. Ze is angstig, niet omdat ze dol op hem is, maar omdat ze niet alleen kan zijn. Ik zou nooit bedelen op die manier, ik zou nog liever alleen blijven. Deze versie van het ‘wierookvat’ hebben we pas vrij laat gevonden. Waarom blijft Trigorin ook zo laf? Hij wil haar geen pijn doen, hij zal het met Nina wel even achter het hoekje doen. Hij is een in-goede man, wat besluiteloos, en dat gebrek aan moed kennen we toch allemaal.

Is tekstanalyse niet steeds belangrijker geworden in het theater?

Absoluut. Ik heb Peter Steins Sommergäste gezien: ongelooflijk. Je kan er op zichzelf, concreet, niet zo veel mee doen, maar het toont duidelijk een houding tegenover acteren en tegenover tekst. Dat is een professionele aanpak die nieuw is de laatste jaren. Daardoor krijg ik terug plezier om verder te werken. Nu heb ik een tweede adem gevonden, die ik hard nodig had. Ik heb, precies ook vanuit die nood, een programma rond poëzie van Herman De Coninck gemaakt, om mij in een tekst echt te verdiepen. Het is niet omdat je in de KVS zit, dat je geen perfectionist meer bent!

In de grote gezelschappen (KNS, KVS, NTG) lijkt vooral de ensemblegeest verwaterd. Je hebt waarschijnlijk veel energie nodig om daartegen in te gaan?

Het blijft altijd knokken, vaak vecht je tegen windmolens. Het is meestal gemakzucht die daartoe geleid heeft. Maar het is veranderd in de KVS. Geen “pietluttige stukjes” meer, zoals Kostja het aan zijn moeder verwijt.

Is dat ook niet gebeurd onder invloed van groepen als precies de Blauwe Maandag en De Tijd?

Zeker en vast. Er is een generatie goede regisseurs aan het werk in dit land, en dat is nieuw. De professionele benadering van het regisseren is nog niet zo oud. Je mag over de andere generatie regisseurs ook niet zonder meer zeggen dat ze voorbij zijn, maar momenteel zijn er jonge krachten aan het werk, op een heel vernieuwende wijze. Zij zullen, zij moéten, op termijn ook ingeschakeld worden in de grote gezelschappen. Voor die gezelschappen is ook de verplichting om acht stukken per seizoen op te voeren dodelijk. Die drie ‘bakken’, Antwerpen, Gent en Brussel moeten eigenlijk samenslaan in één grote troep, met ‘filialen’. Met jaarcontracten, niet meer met vaste engagementen. Natuurlijk zijn er nog die mensen die, toen ze begonnen, dag en nacht aan een hongerloon werkten, en niet hebben kunnen sparen. Onze generatie echter, die moet er maar voor vechten. Brussel ligt bij die idee van een ‘nationaal toneel’ zelden dwars, Gent en Antwerpen moeten ook te overtuigen zijn. Drie staatsschouwburgen voor één nationaal ensemble, dat werkt volgens de moderne artistieke noden. Maar je zit meteen met lastige praktische problemen, zoals het gemeenschappelijk technisch kader van de KNS en het KJT.

Als actrice voel je je blijkbaar ook medeverantwoordelijk voor het theater in het algemeen?

Ik ben er al lang niet meer mee bezig mezelf waar te maken. Wat telt zijn goede voorstellingen, goede projecten met goede mensen. Het individuele is haast helemaal weg. Je gaat voor anderen werken, voor ons Vlaams theater, niet meer voor je eigen ‘kleine theatertje’.

Kan je daaraan iets bijdragen als lid van de Raad van Advies?

Ik hoop het. We hebben natuurlijk alleen maar te advizeren en van elders — van hogerhand — krijgt de minister nog ander advies. De samenstelling van de RAT is terecht zwaar gecontesteerd. Enerzijds hoop ik daar iets te kunnen doen. Maar anderzijds kan je zo weinig zeggen: iedereen daarbinnen heeft zijn eigen theater, is rechter en partij. Ik geloof niet dat er echt iets mogelijk is, maar ik wil wel wat proberen.

interview
Leestijd 5 — 8 minuten

#24

15.12.1988

14.03.1989

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

interview