‘Marche funèbre pour chat’ – foto C.M. Ryckeboer

Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

Bruzzle

Overdaad is het voornaamste gevoel bij festivals. Wat anders beperkt blijft tot proeven, wordt nu zwelgen, slempen, brassen. Een culturele grande bouffe, waarbij de overvloed vaak het gebrek aan kwaliteit moet oversausen. Maar overdaad baat.

Dergelijke tien-kopen-twee-betalen aanbiedingsvormen laten je in een geklonterd tijdsbestek kennismaken met de markt: het laat de veelvormigheid ervan zien, en de nieuwe ontwikkelingen die aan de gang zijn. Net zoals de Ancienne Belgique zijn Torhout/Werchter nodig heeft, en de Fnac de Buchmesse, profiteert de dagelijkse theatergang van het gezwollen festivalgebeuren. Het theater vestigt de aandacht op zich, referentiepunten worden gedeeld, horizonten verruimd, normen gewet. Festivals zijn een noodzakelijke affiche voor de kunst (zie Etcetera 23:34-38).

Een theaterfestival bestond er eigenlijk niet meer in Vlaanderen, sinds het Kaaitheater de tweejaarlijkse festivalformule inruilde voor een continue jaarwerking. Dat tekort wordt sinds kort door Bruzzle opgevangen, een co-organisatie van de Brusselse driehoek Beursschouwburg, Ancienne Belgique en Kaaitheater, en meteen een opvolger voor het zomerse buitenleven van Mallemunt en Piazza. Deze co-operatie reflecteert zich in een eerste opvallend kenmerk van dit nieuwe festival: het combineert de verschillende specialisaties tot een festival van de podiumkunst waarin theater, dans, muziek, maar ook video evenwaardig aan bod komen. Of daarmee ook een doorstroming tussen de verschillende publieksdelen mogelijk werd, en concertgangers zich nu ook lieten verleiden tot theaterbezoek en vice versa, blijft vooralsnog onzeker. Gelegenheid was er anders genoeg.

Amputeren we eventjes het theatergedeelte van het festival, dan wordt de overdaad onmiddellijk veel zuiniger. Theater-Bruzzle is in alle opzichten een festival van beperkingen. Beperkt in zijn uitstraling: met het fel verminderd buitengebeuren op het Muntplein roert het stadsbeeld nauwelijks een rimpel; beperkt in het aanbod: enkel Nederlandse en Vlaamse groepen kwamen er in voor, geen spoor van een internationale dimensie. Bruzzle beperkte zich binnen de gekende grenzen, en kreeg daardoor de sfeer van een dorp in de stad, waarbij men steeds dezelfde mensen ontmoet, op vertrouwde plaatsen. Dat is aangenaam maar ook treurig. Aan provincialisme hebben we in Vlaanderen zo al wel genoeg.

De beperking is uiteraard een keuze van de programmatie (Theo Van Rompay), waaraan echter ook financiële motieven niet vreemd zullen zijn. Daarmee manifesteert Bruzzle zich als tegenpool van het overdaadfestival: niet de kwantiteit staat voorop, maar de zorgvuldige selectie; niet de dure namen, maar het kleine relevante werk; niet de grote zalen maar de directe interactie van de kleine-schaal-produktie. Overloopt men het selecte programma, dan drukt de beperktheid zich ook nog op een andere manier uit, namelijk in doorgedreven koppige eenzijdigheid. Bruzzle was, nog meer dan de eerste editie, Discordia. Discordia in Kipphardt, Tsjechow, Coward, Rijnders, Herzberg, Bernhard, Reisel. Discordia op verschillende locaties. En Lamers daar tussenin fietsend van de ene hoofdrol naar de andere: tekst steeds binnen leesbereik, plotse stemverheffingen, wijdse armbewegingen, scherpe hoofddraai. Tics en conventies van dit merkwaardige, maar zeer belangrijke repertoiregezelschap, worden na de zoveelste produktie zichtbaar. Maar ook de diversiteit in de aanpak van het materiaal, en de heterogeniteit van het acteren. Verbluffend blijft in elk geval de simpelheid in de enscenering: hoe b.v. in Oom Wanja van Tsjechow een reeks van achter elkaar opgehangen gordijnen die in de loop van het stuk één voor één openschuiven, een enorme rijkdom aan betekenis kan genereren; of de positie van de (prachtige) meubels al alles vertelt over de verhoudingen tussen de personages. Hoe b.v. in Private Lives van Coward de beperking tot twee acteurs veel scherper en hilarischer de mechanismen van de man-vrouw verhouding blootlegt dan een normale bezetting. Hoe b.v. in Kras met nog minder middelen hetzelfde failliet getoond wordt. Discordia’s vermagering van de theatrale mogelijkheden tot wat essentieel lijkt, legt bloot, schraapt af, laat de geraamtes zien, maar valt af en toe terug tot de armoedegrens bij b.v. Op de hellingen van de Vesuvius van Reisel dat daardoor geen reliëf krijgt: een overdaad aan schaarste.

Bruzzle bood de gelegenheid Discordia in te halen, hoewel de groep met zijn theatrale beweeglijkheid altijd wel voorop blijft fietsen. Dergelijke eenzijdigheid in het programma-aanbod is gepermitteerd (ten minste voor wie geen hekel heeft aan de Discordiastijlen), wanneer naast de retrospectieve van het werk van een groep genoeg ander moois te ontdekken valt. Dat was in Bruzzle niet het geval. Met name de eigen creaties bleven ondermaats. Het drieluik De grenssteen van het gezelschap Dito Dito (bespreking verder in dit nummer) toonde nog eens hoe gevaarlijk de keuze voor ecclectisme is: wanneer de beoogde spanning tussen de verschillende stijlonderdelen afwezig blijft, rest enkel afstand en leegte. De produktie Marche funèbre pour chat van het trio Van Dijck, Turbiasz en Dehollander gaat gebukt onder het niet ingedijkte talent van Van Dijck: de acteerkwaliteit t.o.v. de twee anderen ligt te hoog, waardoor toevlucht nodig was tot allerlei overbodige scenische invallen. De Vlaamse inbreng in dit festival -en daarmee breekt het ook een Kaaitraditie-bleef dus beduidend onder niveau. Zeker in vergelijking met de dramaturgische strooptocht van de Discordiamarathon, ook met de beeldende kwaliteit van de produkties Het heengaan (Ritsema, bespreking in vorig nummer) en On Wings of Art (Onafhankelijk Toneel). Het ene is een les in schoonheid (kostuums, kleuren, geluid, houdingen, blikken), het andere een vrolijk relativerend discours over kunst en leven. In beide gevallen ook een onderzoek in duur de duur van de leegte die verveelt (Het heengaan) en de duur van de dichtheid die vermoeit (On Wings of Art). Deze laatste produktie was het afgelopen seizoen eigenlijk al geruime tijd in het ‘t Stuc in Leuven te zien, net zoals Kras en Tulpen Vulpen al in Brussel te gast waren, of Tête vue de dos van Cassiers, Maillard en Van Damme op vele plaatsen. Dat geldt ook voor de twee ‘grote’ produkties in deze Bruzzle-editie die in een ruimere zaal geprogrammeerd waren: Ottone, Ottone van Rosas en Les porteuses de mauvaises nouvelles van Vandekeybus. Bruzzle wordt daardoor een soort tweedekans festival waarop belangrijke produkties een ruimer publiek kunnen bereiken of getoetst worden op een eerste indruk. Zo evolueerden we van overdaad naar schaarste, van schaarste naar herkauwen. En of dat nog de taak is van een festival?

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

artikel