Bruzzle ’90 Von Magnet Foto Inge Bekkers

Dirk Verstockt

Leestijd 6 — 9 minuten

Bruzzle ’90

Brussel

Tussen 13 en 23 september slaagden de programmatoren van deze derde Bruzzle-editie erin om niet minder dan 14 theater- en dansprodukties, 32 concerten, 9 videoprojecties, 6 conferences en 3 tentoonstellingen aan het publiek prijs te geven en wel op 9 verschillende locaties. Met deze grande bouffe aan hedendaagse kunstvormen wil Bruzzle zich verder profileren als het enige multidisciplinaire kunstenfestival dat de N.V. België rijk is, en niet ten onrechte, tenminste wanneer je de groeipijnen mee in rekening wil brengen.

Deze driejarige uk van ouders Mallemunt (Beursschouwburg), Piazza (Ancienne Belgique) en Kaai-theater(festival) zit ondanks zijn volwassenenstatuut (vzw) nog altijd onder de plak van een ménage à trois papas. Dat volwassenenstatuut zal financieel en organisatorisch wel een en ander betekenen, maar de programmatie blijft in handen van Ancienne Belgique, Beursschouwburg en Kaaitheater. Dat Jan De Boever (zie De Media, Eeklo) als coördinator van de programmatie geen eigen stempel kon drukken op het geheel is niet erg verwonderlijk als men weet dat hij moet werken met ‘mannen van wanten’ als Hugo de Greef (Kaaitheater), Theo Van Rompay(Beursschouwburg) en Jari Demeulemeester (Ancienne Belgique). Een kort telefonisch interview met hem leerde dat men daar vanuit de nieuwe vzw ook niet blind voor is en dat men voor de toekomst de inbreng van de partners wenst te verkleinen.

Na al die jaren van zomerse Mallemunt tot Bruzzle heeft men nu het vakantieseizoen en het Muntplein definitief opgegeven. Het lijkt erop dat men van de omschrijving ‘zomerse stadsanimatie’ genoeg had, dat het alleen nog maar om ‘kunst’ mag gaan. En dat is jammer, want daarmee geeft men ook het enige echte uithangbord van dit festival op (en ik geef toe, enige nostalgie is mij niet vreemd). Nu verdwijnt alles achter gesloten deuren en krijgt het de routine van een behoorlijk gecomprimeerde serie voorstellingen en concerten. En september betekent ook dat het ‘seizoen’ overal start en dat niemand op deze ‘feestelijke opening’ zit te wachten, wel integendeel.

Maar dat de programmatie van een meer dan intrigerend gehalte bleek, moet zelfs de meest bevooroordeelde kijker/luisteraar kunnen toegeven. De geconcentreerde botsing tussen theater, dans, video, rock-, wereld- en nieuwe muziek, performance en plastische kunst leverde een breed en levend palet op dat alleen al door zijn overaanbod uniek in Europa mag genoemd worden. Interacties bleven uit, er ontstonden geen kruispunten, ‘vreedzame coëxistentie’ misschien een sleutelwoord. Met alle respect, nimmer werd het een festival van de grote namen, van populair-commerciële keuzes, al is een zekere modieusheid – misschien ondermeer te wijten aan het afschuimen van de internationale ‘cultuurmarkt’ – niet te verdoezelen. De artistieke merites van sommige podiumwaren bleken niet altijd even evident, de kwaliteit discutabel. Dat discutabele maakt echter de helft van het bestaansrecht van alle festivals uit.

Een overzicht van deze Bruzzle willen geven is gekkenwerk : een gemiddelde van 9 evenementen per avond kan niemand bijwonen en met heel wat tegenzin moeten er keuzes gemaakt worden, al hebben een aantal kranten hard hun best gedaan om deze marathon te coveren. Mijn werkje is dus geëtst op de beperking, vooral een theaterbeperking. Dus zo goed als niets over video, beeldende kunst, en slechts een beetje over nieuwe muziek.

Michael Nyman Band in de Henri Leboeuf zaal van het Paleis voor Schone Kunsten. Het concert van deze gentleman-composer en zijn groep muzikanten liet een life-kater na. Zeker in het eerste gedeelte werd de helderheid die zijn werk zo typeert, zwaar onderuit gehaald door de oerslechte geluidsmixing. Er bleef alleen een wall of sound over waarin elke nuance moeiteloos verzoop. Routineus vakmanschap palmde het publiek in en verschafte de nodige encores.

Marche funèbre pour chat van Van Dijck, Turbiasz en Dehollander ging in première gedurende Bruzzle ’89, reisde rond in Vlaanderen en Nederland en werd geselecteerd voor het Rotterdamse theaterfestival. Bij die première vond ik de voorstelling zeer onevenwichtig door het grandioze overwicht van Dirk Van Dijck. Nu bleek het werk helder geslepen en verfijnd, harmonisch en anarchistisch, intrigerend en verwarrend, subtiel komisch en stiekem subversief te zijn, stonden er drie grote persoonlijkheden op de scène wiens spelplezier kijkplezier betekende.

Stan speelde …van geen belang, het eerste bedrijf en de tweede scène, bedrijf twee, uit A woman of no importance van Oscar Wilde. Zij deden dat in één van de bouwvallige ruimtes van De Markten (het vroegere Val Saint-Lambert) gekleed in eenvoudige rode jurken, blootsvoets, tegen een vuilwitte muur en op een kitscherige blauwpluchen zetel met bijpassende wiebelende asbak en felgekleurde sigaretten. In een hoog, los ritme, heel dicht bij jazz-soleren aanleunend, schijnbaar vanzelf, strooiden ze de wise-cracks, one liners en stijlvolle beledigingen van Oscar Wilde om zich heen en vertelden op die onnavolgbare ironische wijze evenveel over nu als over de jaren negentig van de vorige eeuw. Uiteraard is Wilde een zeer dankbaar auteur, maar Stan heeft intelligent gekozen uit dat rijke aanbod en hun speelstijl waarin iedereen iemand en iemand ook niemand is, verschaft dit kwartet een volstrekt unieke muil en het publiek één van de plezierigste voorstellingen die er al te zien waren. Iets meer dan een half uur, meer moest dat echt niet zijn.

Bak Truppen uit Noorwegen (de Scandinaven komen), speelden Germania Tod in Berlin (Muller) en When We Dead Awaken (Ibsen). De eerste voorstelling ook in de bouwval van De Markten, de tweede in de nog altijd feërieke Spiegelzaal van datzelfde gebouw. Kleinkinderen van de post-punk, werden beide voorstellingen gekenmerkt door een grote onthechting t.o.v. de tekst, de ruimte, de medespelers, de situatie. Alles gebeurt casual, zonder noodzaak, zonder emotie, zonder franje, zonder tempo. Er is niet meer dan wat er is, dan datgene wat er gebeurt zonder bekommernis omtrent toeschouwer of theatrale waarde. In Germania Tod in Berlin leverde dat geen meerwaarde op, daar oversteeg het getoonde (de zender) nooit het geregistreerde (de ontvanger). In tegenstelling tot When we dead Awaken waar dat wel gebeurde, ondanks het feit dat deze tweede voorstelling in het Noors ging en ik er dus geen lap van begreep (zelfs het programmablad deed geen enkele poging iets meer te vertellen, een sleutel aan te reiken). Er weekte zich een bevreemdende sfeer los uit de traagheid en onthechting van theatrale codes, van de tekst. Elke handeling/scène bleef niet los van het voorgaande of komende te staan, ondanks het fragmentaire ontstond er een soort van vage, ongemakkelijke eenheid. Maar de vraag is of dit interessant genoeg is om op een festival te programmeren ? Die vraag geldt ook voor Arena Teatro uit Madrid. Ik weet niet waar dit soort van hysterisch bewegingstheater, volgestouwd met allerlei van ver getelefoneerde clichés, goed voor is. Met graagte geef ik toe dat mijn toeristenspaans ook onvoldoende is om Extrarradios woordelijk te kunnen begrijpen, maar het ‘symbolisch’ rondsleuren met cafémeubilair, ‘hyperactief’ bewegen, praten en lachen in een duister metalen-wandendecor leveren niets op dan de bedenking : wat zit ik hier mijn tijd te verkeutelen voor dit bad van nodeloze repetiviteit en uitmelken.

Truus Bronkhorst kreeg voor haar choreografie Goud de Nederlandse Dansprijs. Ik twijfel aan de verdienste van dit holle geposeer en week, doch beheerst dansgedoe met een twijg, twee polshorloges, een kinderdoodskistje, een metalen ei en met de figuren van volksmeid, de gekruisigde en verwijzingen naar De Schreeuw van Edward Münch. De atletische Bronkhorst doet dit helemaal alleen op de scène, met twee zijden doeken achteraan, waar ze telkens achter verdwijnt om zich te verkleden. Uiteraard doet ze dat niet wanneer ze het zweet van onder haar oksels veegt en ostentatief even rust met een blikje Spa blauw. Ze jaagt zichzelf door persoonlijk geladen aanvallen van uitersten : gewelddadig, verstild, droevig, wanhopig, lijdend en dat allemaal gekoppeld aan een voorwerp, aan één betekenis. Haar dans zoekt ingetogenheid, verstilling, een zekere strengheid, maar laat zich teveel illustreren, zodat er een gênant soort onderschriften ontstaan, waar ze geen dansante oplossing voor gevonden heeft.

In opdracht van de Koning Boudewijnstichting creëerde Guy Cassiers Grondbeginselen naar een tekst van Robert Walzer, Jakob von Gunten. Hij vertrok vanuit de bewerking die Jan Simoen leverde en ging aan de slag met een twaalftal jongeren. Of deze ARTIstieke BOodschap aan de KOning ooit Boudewijn I zal bereiken, is nog zeer de vraag. Er zou wel eens Hofcorrespondentie kunnen over gevoerd worden. Al gaat de tekst over Jakob von Gunten, leerling aan een ‘knechten-school’ die de slaafsheid en onderdanigheid hoog in het vaandel voert, hij blijft een individu dat het systeem van binnenuit observeert en er zijn uiteindelijke voordeel mee doet. Deze subversieve vertelling wordt gespreid over de twaalf acteurs, die telkens een deel van het verhaal vertellen, een personage aannemen en hem/haar weer doorgeven of laten verdwijnen. Door deze keuze blijven er persoonlijkheden op de scène staan die heel los en soms te nonchalant, te traag en mak hun ding doen. Nadrukkelijk zoeken ze de lichtplekken op in de metalen omgeving die de speelvloer bedekt, tot ze vinden dat ze genoeg of mooi genoeg belicht worden. Pas dan richten ze het woord tot de toeschouwer, afgemeten en droog, zeer zelfbewust en het eigen temperament wordt nergens in een acteurslijf gedwongen.

Ik zou het nog over Maatschappij Discordia moeten hebben, die binnen het theaterluik het pièce de resistance vormden met De Bronnen, een drieluik bestaande uit Ubu Roi (Jarry), Les Bonnes (Genet) en Dodendans (Strindberg). Drie moderne klassiekers op rij, drie miniaturen : een groteske Ubu Roi waarin Viviane De Muynck vanuit een in plastic verpakte clubzetel de smerigste en meest corrupte Père Ubu neerzet die ooit te zien is geweest, een subversieve en sensueel-tragische versie van De Meiden op een tafel van een paar vierkante meter (Pittoors en Kouwenhoven) en een ruime scalpelversie van Dodendans met Lamers in zeer vrouwelijke doen. Een sober spel van stemmen.

Ik zou het ook moet hebben over Simplicissimus, het danstheaterdebuut van de Italiaanse Francesca Lattuada, een imaginaire en ecclectische wereld van volksreligie, bijgeloof, processies, de geesten van Fellini en Rota, vrolijk en uitbundig, mysterieus en duister, slapstick en agressiviteit, Malaparte en Manara, kijkdoos en surrealiteit. Zeer sterke individuele dansers die het in groepspassages samen moeilijk krijgen, maar dat is a minor detail in dat schitterende, overdadige gewemel waar ik kop noch staart aan kreeg en met veel plezier mocht naar kijken.

Juan Pena, KVS, Molissa Fenley, Von Magnet, Devo, The Pointy Birds, Dr Alimantado en al datgene wat ik niet zag, vallen jammer genoeg tussen plooien van dit korte bestek. Soms lijkt het culturele overkill.

Alleen nog dit : hoog tijd dat de Brusselse én Vlaamse beleidsmakers zich gaan realiseren dat het stads- én eigenbelang ook gediend kunnen zijn met een festival als dit, maar dat daar meer voor nodig is dan het minimale financiële wurg-touw dat nu aangereikt werd.

Laat het zomeren.

Bruzzle ’90 ; organisatie : Bruzzle vzw; van 13 tot 23 september 1990.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#32

15.12.1990

14.03.1991

Dirk Verstockt

artikel