‘Alice’ (Théâtre Infini) – Foto M. Brocas

Michel Jaumain

Leestijd 3 — 6 minuten

Brusselse krimpneigingen

Het scenario dat zich in de tweede helft van 1988 in Liège heeft afgespeeld wordt nu door de stad Brussel opnieuw opgevoerd. Door haar voogdijoverheid tot een spaarplan gedwongen, heeft de Regio Brussel-Hoofdstad besloten haar saneringsinspanningen o.a. te richten op haar cultuuruitgaven; klaarblijkelijk hoopte ze zo een deel van die uitgaven af te schuiven naar de Gemeenschappen. Drie Franstalige theaters (voor volwassenen) zouden voornamelijk het gelag betalen voor deze besparingsstrategie : het Théâtre du Parc (directie: Yves Larec), het Théâtre de l’Atelier Ste Anne (directie: Philippe Van Kessel) en het Théâtre de Poche-théâtre expérimental de Belgique (directie : Roger Domani).

Globaal gesproken bestaat de overheidsfinanciering van de Franstalige volwassenentheaters uit twee luiken, die enerzijds de werkingsonkosten en anderzijds de infrastructurele investeringen beslaan. Wat de werkingsonkosten betreft, komen steden en gemeenten (voor Brussel en Wallonië) gemiddeld voor 9,3 % tussen. (Ter vergelijking : de Provincie nam 9 % en het Ministerie van de Franse Gemeenschap ongeveer 90 % voor hun rekening.) In zijn geheel bekeken betekent deze gemeentelijke steun dus niet zoveel, maar voor bepaalde theaterondernemingen is ze wel cruciaal. Het Théâtre du Parc is zo’n voorbeeld: om redenen die we moeten zoeken in het begin van de jaren ’70, verhoogde het toenmalige Ministerie van Franse Cultuur niet langer haar steun aan dit theater. Het Théâtre du Parc werd van toen af voornamelijk gesteund dor de Stad Brussel (die er trouwens eigenaar van is) voor een bedrag dat nu tegen de 30 miljoen aan loopt. Deze steun werd nu in het cultuurbudget van de Stad op de wip gezet. Het ziet er wel naar uit dat de Stad op zijn beslissing zou terugkomen en deze som opnieuw zou inschrijven in zijn begroting voor ’89 (hetzelfde zou gebeuren met de steun voor de KVS). Eind mei zouden de zaken duidelijk moeten worden, als de begroting ’89 aan de gemeenteraad zal zijn voorgelegd.

Voor de infrastructurele kosten van de theaters die eigendom zijn van de gemeenten geldt een systeem van gekoppelde financiering, waarbij 40 % van de kosten voor uit te voeren werken gedragen wordt door de gemeente en 60 % door kapitaalsuitgaven van het Ministerie van de Franse Gemeenschap. Het Atelier de Ste Anne en het Théâtre de Poche, beide eigendom van de Stad, rekenden in ’89 op renovatiewerken, waarbij de Stad voor respektievelijk 55 en 16 miljoen zou tussenkomen. Deze uitgaven werden uitgesteld.

Hoe kunnen we nu in het kort de beleidslijnen beschrijven die de Brusselse overheden de laatste jaren aangehouden hebben ten gunste van de Franstalige theaters?

Zonder zijn gewone steun aan de Brusselse theaters te verminderen, heeft het Ministerie van de Franse Gemeenschap gepoogd het theateraanbod te spreiden door steun te verlenen en/of de oprichting te steunen van ‘Centres Dramatiques’ in de Waalse regio (Théâtre de la Place -Liège, Centre Théâtral de Namur, Centre Dramatique Hennuyer -Mons). In Brussel mogen de infrastructurele steun aan de Halles de Schaerbeek, het Plan K en Théâtre Varia en de concrete realisatie van het cultureel centrum Le Botanique tot de belangrijkste initiatieven gerekend worden.

Gezien haar beperkte theaterbudget, hoofdzakelijk bestemd voor jonge gezelschappen, is de Franstalige Commissie voor Cultuur van de Agglomeratie sinds ’85 afgestapt van een ver-snipperingspolitiek en heeft zich gericht op het toekennen van jaarlijkse prijzen die drie produkties uit het ‘Jeune Théâtre’ belonen.

De hoofdstedelijke gemeenten van hun kant schrijven, zoals de meeste gemeenten, in hun begroting facultatieve culturele uitgaven in. Doorgaans krijgen theaters gemeentelijke subsidies op basis van traditie. Deze subsidies zijn zelden hoger dan 300.000 BF en vertonen de laatste jaren een neiging tot inkrimpen.

De recente gebeurtenissen en de verontwaardigde reacties van de Brusselse theatermiddens roepen inmiddels enige bemerkingen op. Een eerste bemerking is algemeen van aard: het zou goed zijn de culturele uitgaven van steden en gemeenten verplicht te maken en anderzijds het financieringssysteem, dat gespreid ligt bij de verschillende overheden, te organiseren en te reglementeren. Zonder deze maatregelen is een herhaling van de scenarios in Brussel en Liège op andere plaatsen in de franstalige gemeenschap niet uit te sluiten.

Overigens mag de discussie niet worden beperkt tot Brussel-Stad alleen: het is bekend dat de meeste franstalige theaters momenteel in de Brusselse regio gevestigd zijn en dat zij samen het theateraanbod vormen voor de franstalige Brusselaar, ook al zijn ze niet allemaal in Brussel-Stad gevestigd. In deze context is een beter coördinatie tussen de gemeenten, hun voogdij-overheid en het ministerie van de Franse Gemeenschap een broodnodige zaak.

Tot slot, dit: “Brussel, toekomstige hoofdstad van Europa” is een dankbaar argument om de verschillende overheden (gemeenten, regio’s en gemeenschappen) op hun financiële verantwoordelijkheden te wijzen om een cultureel aanbod te helpen realiseren dat aantrekkelijk en professioneel is en “dat de vergelijking kan doorstaan met de rest van Europa.” Is het dan niet even pertinent zich rechtstreeks tot de Gemeenschapscommissie te richten, als de Europese staten dan toch van Brussel de echte hoofdstad van Europa willen maken?

Michel Jaumain

Directeur du Centre d’Information et de Recherche sur l’Economie de la Culture et de la Communication (CIRECC)

Vertaling: Jan Simoen

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#26

15.06.1989

14.09.1989

Michel Jaumain

artikel