How Nancy wished that everything… © Rabih Mroue

Leestijd 9 — 12 minuten

Brussel-Beiroet retour

Wouter Hillaert woonde in Beiroet en Brussel voorstellingen bij van Meeting Points, het festival voor eigentijdse Arabische kunsten, in 2007 samengesteld door Frie Leysen. Wat zijn de ambities van het festival en maakt het die waar? Het Midden-Oosten is hot in culturele middens. Is dat een vorm van neokolonialisme, exotisme of iets anders?

Duizend. Dat geeft de elektronische teller aan op een billboard met Rafiq Hariri. Precies zoveel dagen is het geleden dat de Libanese premier vermoord werd. Ik ben voor het eerst in het Midden-Oosten en passeer het billboard in een taxi van de luchthaven naar Beiroet. Meteen is er de publieke herinnering. En meteen ook de actualiteit als een potentieel schot: op de tegenoverliggende hoek van het kruispunt aan het begin van Hamra Street, zowat de Nieuwstraat van Beiroet, staat een tank met daarop een bewapend mannetje onder een camouflagenet. Ook hij hoort daar standaard, zal ik de volgende dagen leren. Hij bewaakt mee het afgezette stadscentrum waar de Libanese regering zich dezer dagen verschanst heeft in een chique hotel, bezet door de oppositie met onder meer Hezbollah. Er moet een nieuwe president gekozen worden – de constitutie bepaalt dat dat een maronitische christen moet zijn – , maar het parlement raakt het niet eens over een consensusfiguur. Er hangt spanning in de stad, zal ik vernemen. Maar ik ben me nog van niets bewust. Pas later, terug in Brussel, ga ik inzien dat zich daar, op dat toeterende kruispunt tussen het breed geafficheerde in memoriam voor Hariri en die opzichtig geplaatste oorlogstank, de twee polen openbaarden waartussen de Libanese kunst zich opgerekt én ingeperkt weet. Of toch door mijn westerse bril.

“Ik verwijt de Israëlische premier Ehud Olmert dat hij zoveel slechte Libanese kunstenaars voortgebracht heeft.”

Ik ben in Beiroet voor Meeting Points, het festival voor eigentijdse Arabische kunsten dat tegelijk ook acht andere Zuid-mediterrane steden tussen Rabat en Damascus bestrijkt. Curator van deze editie, zoveel ambitieuzer dan de artistieke ontmoetingen van waaruit het festival in 2004 ontstond, is Frie Leysen. Als ex-bezieler van het Kunstenfestivaldesarts werd ze door de organisatoren van het Young Arab Theatre Fund (YATF) gevraagd haar eigenzinnige blik te laten gaan over wat zich momenteel in de Arabische wereld laat gelden aan dans, theater, muziek en vooral videokunst. Het kruim daarvan, zoals de performances van de Libanees Rabih Mroué, is steeds meer gericht op Europa. Veel ander werk kan zelden breder getoond worden dan in eigen stad of land. Meeting Points wil de Arabische kunsten zichtbaar maken voor een breder Arabisch publiek. Het wil eigentijdse kunstenaars met elkaar laten kennismaken, over de grenzen heen. Tegelijk wil het hun artistieke blikveld prikkelen met enkele niet- Arabische voorstellingen, gekozen op hun specifieke meerwaarde voor de Arabische context. Zo nodigde Leysen The Monkey Trial van Tg Stan uit omwille van de denkende speelstijl in deze voorstelling over geloof en schepping, en de camionvoorstelling Cargo van Rimini Protokoll omwille van zijn ervaringsgerichte aanpak met amateurs buiten de reguliere schouwburgen. Allemaal insteken die bezuiden de Middellandse Zee nog bijzonder zijn.

In Beiroet passeert de hele lading in het Al Madinatheater, een cultureel centrum verstopt tussen de flashy winkels van Hamra Street. Behalve het feit dat je nog mag roken in de foyer en dat de voorstellingen gratis aangeboden worden om de censuur te omzeilen, is er bitter weinig verschil met een Europese context. Avond na avond verzamelt hier dezelfde artistieke community voor de Braziliaanse dansers van Bruno Beltrao (‘die zich zo moeilijk konden concentreren met al die mooie vrouwen in de zaal’), voor Dry blood and fresh vegetables van Amir Reza Koohestani (een telefonische dialoog tussen moeder en dochter waarin de keuvelende dagelijksheid langzaam verdiept tot unheimlich geweld) of voor The Monkey Trial van Frank Vercruyssen, Robby Cleiren en Tiago Rodrigues. De Stannen waren vooraf wat op hun ongemak: hoe zou het Libanese publiek reageren op hun reconstructie van deze Amerikaanse rechtszaak waarin geloofsargumenten rond de menselijke schepping scherp in botsing kwamen met Darwins evolutieleer? Na de voorstelling blijken het loze zorgen geweest: er komt in Al Madina enthousiast applaus in plaats van oproer, plus de droge mededeling dat deze zelfde discussie in Libanon al in de negentiende eeuw beslecht is aan de American University van Beiroet, in het voordeel van de progressieve zijde. Van alle Arabische steden is Beiroet het minst ‘Arabisch’: de jonge generatie spreekt vloeiend Engels, het kapitalisme viert in de oude stad hoogtij en vooral vrouwen lijken de kunstensector te bestieren. ‘Libanon? Drie miljoen inwoners, vier miljoen auto’s en vijf miljoen gsm’s’, had mijn taxichauffeur me toegelachen.

“Behalve dat je nog mag roken in de foyer en dat de voorstellingen gratis aangeboden worden om de censuur te omzeilen, is er bitter weinig verschil met de een Europese context.”

Bussen vol Libanese kunstenaars

Net door die gelijke deelname aan de wereldse consumptie wordt Beiroet des te absurder met zijn prikkeldraad rond de oude stad, zijn vele soldatentroepjes op straat en alle lege flatgebouwen waarvan alleen het geraamte rest. De flitsende panelen van stralende hotels die de talrijke bouwwerven op de zeedijk afschermen, vol utopisch geloof in een (economisch) maakbaar Libanon, kunnen de diepere waarheid van deze stad niet verhullen: in Beiroet dringt de werkelijkheid zich zo hard op dat ze bijna onwerkelijk wordt. Kunstenaars kunnen niet anders dan zich daartoe verhouden, blijkt uit de expo Unclassified, een format binnen Meeting Points waarvoor in elke stad een jonge lokale curator is aangezocht om een programma samen te stellen rond de eigen stedelijke context. In de kleine crypte van Saint Joseph University stoot je meteen op de gedekte, maar onaangeroerde familietafel van Ziad Kalwani, getiteld The suspended dinner en teruggedateerd naar 13 april 1975, het begin van de Libanese burgeroorlog. Achteraan staat Hatem Imams manshoge, felkleurige fusé in de vorm van een clown (‘Caution: fireworks’) en Vartan Avakians flipperkast waarop je punten kan winnen door heen en weer te stuiteren tussen pop- en politieke iconen. Tussenin brengt Shawky Youssef die gemediatiseerde koppen live tot leven: hij nodigt je uit plaats te nemen tegen zijn geprojecteerde krantenfoto’s en vereeuwigt je als Christina Aguilera of een beruchte orthodoxe maroniet. Deel hebben aan de macht lijkt de collectieve wens achter deze alternatieve zelfcreaties.

Het zijn geen grote werken, maar ze maken elkaar belangwekkend omdat ze dezelfde snaren bespelen als vrijwel alle Libanese (en ook andere) theater-, video- en beeldende kunst die op Meeting Points te zien is. Het zijn (hoewel jonger en speelser dan de documentaire performances van voorgangers Rabih Mroué en Walid Raad) dezelfde ironische deconstructies van mediagenieke oorlogssymbolen, in een poging om het kapitalistische vooruitgangsstreven en de continue ‘gewoon doorleven’-attitude in Libanon even tot stilstand te dwingen, uit te kristalliseren in een beeld waar je niet voorbij kan. In veel videokunst draait de klok zelfs helemaal terug, en wordt in snel geschoten documentaires op zoek gegaan naar het individuele jeugdverhaal tijdens de oorlogsjaren (bijvoorbeeld in Please rewind me later van Roy Samaha) of naar pakweg een ooit begraven mortierscherf met een verzoenend briefje voor de verdreven bewoners van het huis waarin zes jaar een anti-Israëlische verzetspatrouille intrek had (In this house van Akram Zaatari, opgenomen in de aanwassende ‘DVtheque’ van Meeting Points). Als dit soort werken representatief is voor de hele kunst in Libanon, dan vormt die een alternatieve bibliotheek tegen het vergeten, een eigen ‘in memoriam’-geschiedschrijving, een zoektocht naar officiële mediastrategieën en hoe die binnenstebuiten gekeerd kunnen worden. In dat zijdelingse parcours naast en tegenover de (gemediatiseerde) werkelijkheid lijkt ze zelf weinig alternatieven toe te laten.

Of ligt dat louter aan mijn eigen Europese blik, inzoomend op alles wat hij van oorlog niet kent? Muzikant-mediakunstenaar Raed Yassin, curator van Unclassified in Beiroet, beklaagt zich zwaar over de onkritische neiging van vele westerse kunsthuizen om – vooral sinds de Israëlische luchtaanvallen op Beiroet in de zomer van 2006 – bussen vol Libanese kunstenaars te inviteren, enkel en alleen omdat ze uit oorlogsgebied komen. ‘Ik verwijt de Israëlische premier Ehud Olmert dat hij zoveel slechte Libanese kunstenaars voortgebracht heeft.’ Niet anders klonk zijn collega-artiest Omar Abi Azar in het herfstnummer van het Franse tijdschrift Mouvement: ‘Ik vraag me af of we geëngageerd worden om onze kunde, onze ideeën, onze artistieke expressie, dan wel om het feit dat we hier leven in “Beiroet-Libanon”, waar iedereen in zijn verbeelding een idee van meezeult, een idee van de Oorlog, dat hij bevestigd wil zien in contact met de realiteit. Soms heb ik de indruk dat mijn verkoopswaarde stijgt met de ernst van de situatie in mijn land!’ Het Midden- Oosten is hot in culturele middens, en zeker bij nationale cultuurinstituten als The British Council of het Goethe Institut. Alleen hanteren zij in hun selectie eigen westerse normen als utilitair en maatschappijkritisch, en smijten ze er graag geld tegenaan om zulk werk te laten produceren voor festivals en andere festiviteiten. Neokoloniaal mecenaat is het. Kijk ikzelf al even exotiserend?

Meeting Points profileert zich tegenover die nationale instituten graag als een veel opener platformfestival, redenerend vanuit de kunstenaars zelf. En zo zijn er in Beiroet zeker ook minder maatschappijbetrokken kunstwerken te zien. Het Tunesische duo Selma en Sofiane Ouissi (als dansers opgeleid in Europa, maar naar hun thuisland teruggekeerd voor een eerste eigen creatie rond de weerslag van nine eleven op de Arabische cultuur) presenteert nu Waçl. Het is een trage, bezwerende choreografie vol kleine variaties op dezelfde rondgang binnen een met gaasdoek afgespannen geometrische ruimte: een ritueel, een in zichzelf gekeerd dansonderzoek naar een intimistische sfeerschepping bij de toeschouwer. Ik dommel een beetje in. Een stuk fascinerender is The psychogeography of Loose Associations van de Egyptische videoartiest Sherif El-Azma. Hij presenteert als in een lezing vage, onsamenhangende slow motions van lege straten in Kaïro, en tekent van die zintuiglijk-filmische tocht ook een plattegrond. Met latere allusies op hersenactiviteiten wordt het vanzelf een bevreemdende videomix rond waarneming en archivering van de stedelijke realiteit. Misschien is dat meteen ook een betere noemer voor wat Meeting Points in al zijn artistieke varianten presenteert: een proberen bevattelijk maken van een complexe werkelijkheid.

Of dat nu gebeurt in de vorm van een langzame, CNN-achtige newsreal van een fictief Palestijns dorpje waar voor de rest niks gebeurt (het politieke TVZero123 van Khalil Rabah), of meer postmodern als een gefragmenteerde psycho-evocatie in zwartwit van een enkeling voor zijn panoramisch venster over de nachtelijke stad (2 mg of Rotten Blood on Pure White Snow van Rami Sabbagh), telkens gaat het om grip krijgen op wat de zintuiglijke werkelijkheid precies is achter zijn ‘vervorming’ tot beperkende beelden of zelfs iconen. Het is een zoeken naar onbemiddelde oorspronkelijkheid.

In Beiroet sluit die zucht naar bevattelijkheid heel precies aan bij mijn eigen totale non-begrip van wat in de stad precies de situatie is. De troepjes soldaten, de versperringen, de vrees van de inwoners voor een mogelijke nieuwe uitbarsting van geweld, de vage toespelingen op de opgesloten regering of de aanwezigheid van VN-opperhoofd Ban Ki-moon in de stad: ik snap niet wie, hoe of waarom. Elke vraag om verduidelijking levert meer onzekerheden op en verder dan een tegenstellend begripskader rond de pro-Syrische ‘8 maart’-zijde en de Westers gezinde ‘14 maart’- zijde (verwijzend naar twee manifestaties na de moord op Hariri) kom ik niet. De extreme werkelijkheid van Beiroet laat zich niet kraken. ‘The time’ll come you’ll see we’re all one’, schrijf ik over van de gevel van het Hard Rock Café. In tijden van versplintering moet men zich behelpen met simpele slogans. En terug op de luchthaven koop ik het boek over politiek Libanon en zijn bewogen verleden dat ik vooraf had moeten lezen. Rond mij kakelen een dertigtal Spaanse VN-soldaten. Terug naar huis willen we allemaal.

Simpele stervelingen

Honderddrieënzestig. Precies zoveel dagen, melden de kranten, zit België zonder regering wanneer ik weer in het vertrouwde Brussel land. Van Rompuy en Dedecker houden het partijvoorzittersoverleg op de been, terwijl Leterme aan zijn zoveelste nota over de staatshervorming werkt. De barometer staat op bewolkt. Niemand gelooft nog in een regering tegen Kerstmis, nu Milquet nog maar eens dwars gelegen zou hebben. De Vlaamse kranten schrijven natuurlijk niks liever. Ik zoek naar nieuws over Libanon, waar de institutionele deadline voor het kiezen van een nieuwe president over een paar dagen afloopt. Weer blijkt de stemming uitgesteld, ondanks buitenlandse diplomatieke druk. Het kleine artikeltje leert me meer over waar ik was dan die hele week dat ik er was. De wereld blijft op zijn best als hij eenvoudig gekaderd wordt.

“In Beiroet dringt de werkelijkheid zich zo hard op dat ze bijna onwerkelijk wordt.”

Twee maand later verzoent Rabih Mroué me finaal met de chaos als hij op de openingsavond van het Brusselse Meeting Points in de Bol van de KVS How Nancy wished that everything was an april fool’s joke opvoert met zijn kompanen Lina Saneh, Hatem El-Imam en Ziad Antar. De vier acteurs zitten gewoon naast elkaar in zeteltjes te vertellen: ze comprimeren samen de Libanese burgeroorlog door de bril van vier alter ego’s, simpele stervelingen. Letterlijk stervelingen: binnen de vijf minuten zijn ze allen dood, weer herrezen bij een andere oorlogspartij en weer omgekomen om in nieuwe allianties tussen christenen, soennieten, sjiieten, communisten of Israëli’s nog maar eens in het stof te bijten. De dood wordt banaal, net als wie met wie tegen wie vecht. Echt volgen, ook al is dat niet de bedoeling van How Nancy wished, doen alleen de paar Libanezen in de zaal. Je herkent ze aan hun veel spontanere lach, alsof ze al langer begrepen hebben dat de werkelijkheid vooral niét te volgen is, en je je dus maar beter kan overgeven aan de totale toevalligheid van wisselende oorlogskampen. Zelden heb ik de absurditeit van oorlog sterker uitgedrukt gezien dan bij Mroué: terwijl beneden de lijken vallen, worden op de schermen boven de vertellers hun typische martelaarsaffiches geprojecteerd, telkens ironisch in de stijl van de partij waarvoor deze helden gevallen zijn. Dood wordt propaganda. Niet verwonderlijk dat de voorstelling in Beiroet zelf eerst een parlementaire zaak moest worden voor ze door de censuurcommissie raakte: ze doorbreekt het openbare stilzwijgen rond het weinig onschuldige verleden van de huidige machthebbers.

Daarmee lijkt Meeting Points weinig te verschillen van die andere initiatieven die in het Westen graag Libanese kunstproducten op de kaart zetten als strategische pionnen in een discursieve oorlog tegen censuur en propaganda. Maar wat andere Arabische kunst betreft, blijkt het tegendeel waar. De performance Cairo, eating me inside… van de Egyptische kunstenares Amal Kenawy bijvoorbeeld (met een zuigende dierenlong en snelle gastroscopische illustraties tegenover de kunstenares zelf die traag en anoniem kleine rondjes loopt) komt zo gewild fragmentarisch voor dat ze het vermoeden wekt van een minstens even sterke bewijsdrift achter Leysens programmering: dat kunst uit het Midden-Oosten (ondanks zijn logistieke problemen) helemaal niet achter loopt, maar net zo eigentijds hybride en autonoom is als we ze hier kennen. Ook meerdere videowerken die over de KVS-schouwburg verspreid zijn, geven dat gevoel van gechargeerde artistiekerigheid. Of ligt dat aan de context van de KVS zelf? Rondstruinend op deze Meeting Points vraag je je af of het Brusselse stadstheater vanuit zijn grootstedelijke overwegingen niet in de eerste plaats droomde van een Arabisch festival, terwijl Frie Leysen zo min mogelijk cultureel heeft willen denken.

Het maakt van mijn vlucht Beiroet-Brussel een vreemde ervaring: kunstwerken die je daar ervaart als artistiek ontvoogdend en noodzakelijk in hun maatschappelijke bevraging van de geformatiseerde werkelijkheid, bieden hier eigenlijk weinig meerwaarde buiten het feit dat ze van andere namen zijn. It’s all in the context, in the eye.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 9 — 12 minuten

#111

01.04.2008

31.05.2008

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!