Leestijd 6 — 9 minuten

Bronks: over een theater, het kind en het spel

In het weekend van 21 en 22 maart kon Bronks op feestelijke wijze zijn eigen gebouw aan de Brusselse Varkensmarkt inspelen.

In 2005 zag het er niet goed uit voor Bronks. Plots circuleerde een politiek ideetje om het jeugdtheater onder te brengen in het gebouw van de Beursschouwburg. Beide huizen werden zogezegd uitgedaagd om mee te denken over hoe de Brusselse infrastructuur efficiënter benut kan worden… Bronks begon meer en meer op een verhaal van het kind en het badwater lijken. Op dat ogenblik was het immers al tien jaar plannen aan het uitwerken voor een specifiek kinder- en jeugdtheatergebouw in Brussel. Als de ontstaansgeschiedenis van het Bronkstheater één ding leert, is het dat er evenveel geduld voor nodig was als voor het opbrengen van een baby tot een heuse puber. In 1995 ontwierp architecte Martine De Maeseneer (MDMA) een eerste plan voor de verbouwing van de leegstaande Guardinischool in de Moutstraat en een aanpalend pand aan de Nieuwe Graanmarkt. Tweemaal zouden de plannen moeten worden aangepast volgens de opmerkingen van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Intern verdeeld – een van de leden gaf zelfs zijn ontslag – gaf deze Commissie uiteindelijk opnieuw een ongunstig advies. De bouwplaats aan de Graanmarkt werd dan maar verlaten en er werd een braakliggend terrein gekocht aan de Varkensmarkt. Grondige technische studies, besparingsrondes en wijkoverleg leidden ertoe dat het ontwerp niet minder dan vier keer werd aangepast vooraleer de werken konden beginnen…

Ondanks dit zenuwslopende proces vertoont de architectuur van Bronks geen metaalmoeheid. Integendeel. Het gebouw neemt zelfverzekerd plaats in de stad. Meer zelfs, het demonstreert ongedwongen de heruitvinding van de theaterarchitectuur, alsof het kinderspel was.

Spel
Te weinig wordt het spel au sérieux genomen. In het spel wordt het leven keer op keer herontdekt. Er zijn de regels. Maar het spel laat toe dat iedereen zich ontpopt als een acteur die naar eigen vermogen en volgens zijn/haar karakter gestalte geeft aan deze of gene rol. In het spel leert het kind onbewust de aard der dingen, maar ook de rollen die vader, moeder spelen. In het spel transformeert een kartondoos zich tot huis.

Het spel legt de basis voor een complex proces van mimesis waarbij handelingen, materie en vormen zich spelenderwijs gaan plooien naar het model van oeroude typologieën. Architectuur is zonder meer een spel dat keer op keer wordt opgevoerd. Iedereen kent de protagonisten. Iedereen kent de ‘tekst’, weet wat een huis, een school, een theater is. En net zoals een kind het huis heruitvindt in het spel, zo worden met elk nieuw ontwerp en elke nieuwe generatie gebouwen opnieuw ‘opgevoerd’.

Vondel indachtig en diens ‘de wereld is een schouwtoneel’ draagt het doen en laten van de mens de blauwdruk in zich van een toneelvoorstelling. Een goede zaak dus dat het bouwen van een nieuw theater, in het bijzonder de bouw van het kinder- en jeugdtheater Bronks, de creatieve kracht van het spel celebreert. Vanzelfsprekend is dit soort architectuur zeker niet. Want de verleiding is groot om het spel niet voluit te spelen en te vervallen in een schertsvertoning. Bronks is geen ‘babyrozig’ doorslagje van het negentiende-eeuwse theater, geen Disneykloon van het voorspelbare spektakeltheater. De Maeseneer speelde het spel van het theater met een bevrijdende spontaneïteit, weliswaar zonder de strakke regie uit het oog te verliezen.

Gedwongen door de stringente bouwhoogte, afgestemd op de naastgelegen huizen, werd het gebouw gedeeltelijk ingegraven. Dit leverde enerzijds een souterrain op en anderzijds een bel-etage. Van op straat heb je door de glazen gevelpui vrij zicht op het onthaal beneden en de receptiezaal boven. De transparante gevel reveleert de complexe en ingenieuze relatie tussen interieur en exterieur. Achter de uitbultende glazen façade verstrengelen zich immers vier soorten ruimtes, over de vier bouwlagen heen. Onthaal, repetitiezaal (die ook als speelzaal dienst kan doen), café en daartussenin nog een verrassende, ondiepe maar gevelbrede foyerruimte. In één oogopslag openbaart het theatergebouw zijn werking, alsof het iedere passant al van bij de eerste indruk de fascinerende binnenwereld ervan wil overbrengen.

Nochtans wordt de ziel niet zomaar blootgegeven. Pas als je het gebouw betreedt en je je weg zoekt langs trappenhuizen – die met tussenschotten in spiegelglas onvoorspelbare parcours creëren naargelang het gebruik van de zalen – ontdek je de genereuze ruimte, de doordringende perspectieven via binnen- en buitenramen. Maar bovenal openbaart het theaterhuis zich als een mythisch bos waarin het zonlicht door de ogenschijnlijke kruinen van het dak onbeschrijflijke lichtbundels en schaduwen werpt.

Vooral het café-restaurant baadt in een buitengewoon feeërieke atmosfeer. Dit dankzij het hybride dak, dat bestaat uit een soort fusie van een fabrieks(shed)dak met een draagstructuur van metalen platen in honingraatvorm. Deze unieke dakstructuur overkoepelt de cafetaria en de kantoren in één gebaar, en doet ze baden in een prikkelende en enthousiasmerende ruimtelijkheid.

Die ruimtelijkheid is heel apart, omdat ze medieert tussen de hemel, waar de wolken voorbij drijven, en de straat, waar de stad met zijn bewoners van allerhande allooi voorbijtrekt. Tussen contemplatie en vervoering, tussen kunstmatige natuur en onversneden stedelijkheid, nestelt de ruimte van de cafetaria/café/foyer zich; een geborgen loge voor zowel de theatermakers als de bezoekers.

Landschap
Het hart van een theater blijft uiteraard de theaterzaal. Bronks heeft er twee.

De grote speelzaal lijkt op het eerste gezicht een klassieke, zwarte doos. Maar de plattegrond verraadt een trapezium. De zaal volgt immers aan één zijde de perceelgrens van het bouwterrein, die scheef staat op de gemene muren. Aan de ‘côté cour’ werd die ‘uitdeinende’ lijn gespiegeld, waardoor de zaal lichtjes uitwaaiert naar achter en zo subtiel maar efficiënt de akoestische nadelen van een rechthoekige doos neutraliseert.

Hoog in de trekken zitten ramen, waardoor de zaal overdag geniet van daglicht en zonder kunstlicht kan. In de trekkenzolder zit eveneens een dakbalkon voor de technici, een toegift aan de arbeidsvreugd voorbij de strikte regels van het arbeidsreglement.

Theater schuwt doorgaans het daglicht. Maar in dit kindertheater werken de weldaad van zon en licht, en de doorzichten naar de straat, de buren, de hemel bevrijdend. Het gebouw neemt daardoor vanzelfsprekend het statuut aan van ‘landschap’. Een kunstmatig, stedelijk landschap uiteraard. Maar het licht, gebroken door ingenieuze dakstructuren, perspectieven en patioterrassen, wekt het gebouw tot leven. De ruimtes nemen samen de gedaante aan van een collage van grot, bos, huis, ja zelfs van een abstracte ministad.

Dit spel, dit appél aan de verbeelding maakt van Bronks de eerste theaterinfrastructuur in Brussel die een nieuwe dimensie toevoegt aan de erfenis van wagenspelen, burgertheater, provo en performance. Paradoxaal misschien, maar ondanks de gesofisticeerde infrastructuur heeft Bronks dezelfde informele kracht van het middeleeuwse straattheater. Zoals een eenvoudige kar (mét acteurs uiteraard) een middeleeuws plein of markt kon omtoveren tot een theaterruimte, zo spontaan en flexibel laten de ruimtes van het Bronkstheater zich transformeren. Van kamertoneel tot straattoneel, van poppenkast tot stedelijke performanceruimte. Terwijl dit huis alles heeft om de sfeer en de setting van een burgerlijk theater te evoceren, laat het zich in geen tijd omplooien tot een provocatieve machine, een pretprak zelfs, in de pure zin van het woord.

Abstract maar zinnelijk, intellectueel doch sprookjesachtig, Germaans én picaresk… het Bronkstheater voert architectuur op in een spel waarin eenieder wil spelen. En ook de stad speelt mee. Want zoals tijdens de opening een gedeelte van de Varkensmarkt werd ingelijfd als een stedelijk proscenium met het gebouw als levend decor, zo natuurlijk kan het spel zich nog meermaals ontspinnen tussen interieur en exterieur, tussen fictie en realiteit. Met andere woorden: architectuur waar het doek nooit valt.

Dit is een herwerkte en uitgebreide versie van de Aha-architectuurcolumn die op 31 maart 2009 in De Standaard verscheen.

www.bronks.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#118

01.09.2009

30.11.2009

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!