Stefaan de Ruyck

Leestijd 8 — 11 minuten

Boerenpsalm

Walter van den Broeck heeft een open brief geschreven aan cultureel Vlaanderen. Daarin zet hij zijn visie uiteen over de plaats en de rol van de kunst in onze huidige maatschappij. Ik respecteer het zeker dat Van den Broeck deze uitdaging heeft aangedurfd. Het discours over de kunsten is in Vlaanderen niet fel ontwikkeld en zeldzaam zijn de kunstenaars die omtrent dit onderwerp een uitgewerkte, gefundeerde visie hebben gepresenteerd. Maar is hij ook in zijn opzet geslaagd?

De schrijver als filosoof

Wat meteen opvalt is het overdonderend aantal citaten waarmee we rond de oren worden geslagen. Het feit alleen al dat het boek van wal steekt met niet minder dan zes motto’s, is op dat vlak symptomatisch. Hier spreekt iemand die zeer belezen is, die dat ook graag laat zien, maar die daardoor vooral de amateur-filosoof in zichzelf verraadt.

Ik bedoel dat niet denigrerend. Amateur-filosofen zijn vaak uitzonderlijk ijverige lezers met een brede interesse voor de meest uiteenlopende onderwerpen. Wat daarbij opvalt is dat ze op zoek gaan naar gelijkgezinden of naar standpunten die hun eigen visie bevestigen. Dat fenomeen is een constante in de brief aan cultureel Vlaanderen. Voortdurend duiken er namen op van grote denkers of illustere onbekenden die de stellingen van Walter van den Broeck moeten bevestigen. Soms is dat relevant, maar heel vaak komt het over als intellectuele koketterie.

Nog kenmerken van de amateur-filosoof? Zeker. De ambitie om een groot systeem te ontwikkelen waarin alles volgens een glasheldere logica zijn plaats heeft, is een andere typische eigenschap. Nogmaals, ik apprecieer zoveel bevlogenheid en ga er zo meteen graag verder op in, maar methodologisch maakt de auteur zijn ambitie alvast niet waar. De samenhang is soms ver te zoeken, de argumentatie is vaak zwak en de sofismen vliegen je bij momenten rond de oren. De gebrekkige opbouw blijkt ook uit de warrige indeling van het boek. Naarmate de samenhang verdwijnt word je als lezer meer en meer geconfronteerd met geïsoleerde boutades, die elk hun eigen leven leiden maar waarvan de plaats binnen het groter geheel je ontsnapt.

Het goede leven in de provincie

Van den Broeck ziet een groot spanningsveld tussen het leven op het platteland en het leven in de stad. Op het platteland heerst ‘een wij-cultuur’ en ‘wordt ook voor de verliezers gezorgd’ 1. De tijdsbeleving op het platteland is cyclisch ‘zoals de natuur zelf’. In de grootstad daarentegen ‘is het altijd NU en dat heeft niet alleen gevolgen op het werk- of ontspanningsritme van de stedeling, maar ook op zijn cultuur’. In de stad ‘ligt de klemtoon niet op de continuïteit van mens en gemeenschap, maar op het verwerven van rijkdom en individueel succes’. Maar omdat zij de cyclische beweging van geboorte en dood uit hun leven hebben gebannen, zijn stedelingen ‘banger voor de dood dan provincialen, en dus ook voor het leven’.

Van den Broeck besteedt veel aandacht aan de kwalen die in zijn visie typisch zijn voor de stad. De stedeling levert zich veel makkelijker over aan de roes, aan rock ‘n roll, aan nieuwe modes. Dat laatste is hem een doorn in het oog. ‘Stadscultuur wil altijd NIEUW of VERNIEUWEND zijn. NIEUW, VERNIEUWEND, VERNIEUWING! En JONG, natuurlijk! Want ook dat blijkt een garantie voor kwaliteit te zijn, zo wil men ons doen geloven’.

Uiteindelijk is dit zwakke en weinig consistente verhaal over de provincialen en de stedelingen een springplank om een felle aanval te lanceren tegen de hedendaagse kunsten, die in de visie van de auteur stadsgebonden zijn. ‘Wat is er dan gebeurd’ roept hij op een bepaald moment, ‘dat de provinciale cultuur nagenoeg geheel verdrongen werd, of wat erger is: zodanig werd geperverteerd, dat het zichtbare deel ervan goeddeels bestaat uit slechte imitaties van geperverteerde stedelijke kunstvormen? Wat is er gebeurd dat tegelijkertijd authentieke stadscultuur werd verdreven door roes en modieuze maar in se volstrekt ongevaarlijke kunstvormen?’

Ontaarde kunst

In het hoofdstuk ‘de opgefokte stad’ gaat Van den Broeck frontaal in de aanval tegen de hedendaagse kunstenaars die in zijn ogen vormkunstenaars zijn die inhoudelijk niets te melden hebben en in hun eigen, veilige kringetje samenspannen met de nieuwe Vlaamse economische elite. Een korte bloemlezing:

‘Nogal wat hedendaagse kunstenaars eisen van het publiek dat het zich inleeft in hun wereld’, schrijft hij op pagina 84. ‘Dat is billijk als in die wereld codes worden gehanteerd die gemeengoed of tenminste ontcijferbaar zijn.’ Maar op dat vlak verwijt hij de makers kwade trouw. ‘De wereld is uitermate complex, dat wel. Maar pogingen om hem wat inzichtelijker te maken, lijken mij alvast zinniger dan het plaatsen van artistieke duisterheid tegenover ‘s werelds complexiteit’. Meer nog, ‘als wat geboden wordt potdicht is en de sleutels uitsluitend bij de makers berusten, dan gaat het om autistisch werk dat alleen door ervaren psychiaters kan worden ontsloten. (…) Artistieke vernieuwingen hebben maar zin als ze worden gestuwd door maatschappelijke veranderingen. (…) In tijden van grote stabiliteit om de haverklap met NIEUWE of VERNIEUWDE kunst komen opdraven is verlakkerij.’ Immers,’wat zich als NIEUW aandient, blijkt helaas al te vaak NIETS te zijn in een dure, fascinerende verpakking’.

En zo gaat dat maar door, bladzijden en bladzijden lang, tot je je onvermijdelijk de vraag gaat stellen: over wie hééft hij het nu eigenlijk? Natuurlijk telt elke generatie een aantal praatjesmakers die veel geblaat verkopen en weinig wol. Maar dan zou Van den Broeck, zijn eigen woorden indachtig, toch moeten weten dat ‘een genre verketteren aan de hand van zijn zwakste of meest abjecte vertegenwoordigers… zwak of abject is’. Of heeft hij het over de echte zwaargewichten van dit moment? Hij weigert zelf namen te noemen. ‘Mij is het niet om toevallige personen te doen, ook al omdat die voortdurend wisselen, maar om instituties, functies en mechanismen, die door ons economisch systeem worden geproduceerd, en die iedereen die ze bekleedt en hanteert dezelfde daden laat stellen’. Waarmee hij plotseling, uit het niets en eenmalig, terugplooit op een zuiver marxistische analyse van de maatschappij.

Het brengt ons allemaal geen stap verder, de verwijten en de verdraaiingen waar dit boek bol van staat. Want het is niet waar dat ‘de gesubsidieerde zalen leeglopen’, het is niet waar dat ‘de hedendaagse dramaturgie die iets te melden heeft, een enkele productie niet te na gesproken, nooit de planken haalt. Om van de eigen dramaturgie nog maar te zwijgen’, het is niet waar dat het buitenland ‘met Siberische onverschilligheid’ reageert op de Vlaamse kunstproductie, het is niet waar dat ‘kunstpausen (…) door de politieke wereld worden bewonderd om het feit dat zij met de grootst denkbare flair gigantische schulden durven te maken’. Ik heb het al eerder gesteld en ik blijf het herhalen: het is volstrekt onmogelijk een goed en constructief gesprek te voeren met de tegenstanders van het huidige cultuurbeleid als die tegenstanders onjuiste verhalen blijven verspreiden over de gesubsidieerde kunsten.

Hear the wind blow

Een mens zou bijna moedeloos worden bij zoveel opgekropte en doelloze agressie. Van een man als Van den Broeck, met zijn staat van verdienste en zijn leeftijd, zou je toch iets meer relativeringsvermogen verwachten. Maar niet alle bladzijden zijn zo. Hier en daar probeert Van den Broeck op een rustige en meer objectieve wijze te analyseren hoe kunst functioneert en wist hij mij wél te boeien. Van den Broeck definieert cultuur als ‘het geheel van afspraken die mensengroepen hanteren om het samenleven met elkaar zo soepel mogelijk te laten verlopen. In feite is het een hulpconstructie die moet verhinderen dat we elkaar bij voortduring naar het leven staan’. Dat is een vrij sombere visie waarin cultuur strikt utilitair wordt gezien: het is een soort omgangsvorm om oorlog te vermijden. Ik denk dat je cultuur veeleer moet zien als het geheel van verworven inzichten die ons, mensen, toelaten de wereld te begrijpen en te duiden. De vredelievende omgang met elkaar is daar maar een onderdeel van. Elders treedt Van den Broeck die visie bij. ‘Het is natuurlijk waar dat niemand over het instrumentarium beschikt om de hele wereld te vatten, maar dat heeft nog nooit iemand belet zijn eigen leven te leiden. Iedereen behelpt zich met hulpconstructies, met zogenaamde wereldbeelden. (…) Maar wat is een wereldbeeld? Een amalgaam van dromen, sprookjes, vooroordelen, zekerheden, praatjes, atavismen, politieke, artistieke, economische, sociologische, psychologische, wetenschappelijke weetjes of theorieën, religieuze opvattingen, angsten… (…) Kunstwerken stoelen altijd op een wereldbeeld. Het publiek kan er het zijne mee vergelijken. En zelfs als die vergelijking niet tot een bijstelling van het eigen wereldbeeld, of tot de aanvaarding of verwerping van het aangebodene leidt, laat ze in elk geval zien en ervaren dat anders tegen de wereld aangekeken kan worden dan gemeenlijk wordt gedaan. En dat alleen al kan bijvoorbeeld leiden tot meer begrip en tot een beter inzicht in de eigen geaardheid, de eigen motieven’.

Op basis van wat Van den Broeck hier schrijft zou je verwachten dat kunstwerken je confronteren met iets wat je niet kent: een andere visie, een andere invalshoek. In die context is het niet verwonderlijk dat mensen eerder wantrouwig staan tegenover nieuwe kunstwerken, zeker in een tijd waarin het collectieve gedachtegoed min of meer aan diggelen ligt en er dus meer ruimte is voor verrassende of shockerende individuele varianten. Als er al sprake is van wantrouwen bij het grote publiek ten aanzien van de kunsten, ligt hier in elk geval een veel interessantere verklaringsgrond.

Opvallend is evenwel dat Van den Broeck zelf heel andere verwachtingen koestert ten aanzien van de kunsten. ‘De enige schoonheid die mij persoonlijk ontroert’, schrijft hij op pagina 93, ‘is degene die het vergetene releveert, want dat is het enige échte NIEUWE. Met nostalgie of ouderwetsheid heeft het niets te maken. Ik heb het over dingen die nauwelijks onder woorden te brengen zijn, maar die ons opeens weer helemaal doen passen in de mal waaruit we voortgekomen zijn’. Van den Broeck gebruikt een merkwaardig beeld om dit gevoel te beschrijven: ‘Het zijn intense momenten van herkenning en verzoening, op medisch vlak te vergelijken met het moment waarop we onder de kundige handen van een fysiotherapeut een wervel op zijn plaats voelen schuiven, en waarbij ons niets anders te binnen schiet dan: ‘zo hoort het.’

Eerder in het boek geeft hij een ander, vergelijkbaar voorbeeld. “Thuis is een staat van vanzelfsprekendheid’ denk ik. Met mijn schrijverij jaag ik haar vooralsnog na, en soms, zoals daarnet, heb ik haar onverwacht heel even te pakken. Zoals een jonge moeder, die op een bank in het park haar baby voedt, en plotseling gevoelt dat alles perfect is zoals het is – zij en haar kind, de bank, het park, de wereld, de hele kosmos – en daar vanbinnen warm van wordt.’

Het is jammer dat Van den Broeck niet meer uitleg geeft over dit thuisgevoel, want het is een merkwaardige passage. De auteur, die in het begin van het boek nog trots beweert tot geen enkele kerk te behoren en die zich bijzonder laatdunkend uitlaat over regisseurs die theater als een ritueel omschrijven, ontpopt zich hier tot een heuse metafysicus. Hij lijkt te geloven in een soort platonische wereld, waarbij de realiteit eigenlijk de afspiegeling is van de originele wereld – die hij een ‘mal’ noemt – en waarbij de kunst de verbinding legt tussen de beide. Hij lijkt te geloven in een soort onderliggende orde, die even dwingend is als de wereld van de fysieke en biologische wetmatigheden. De verwarring van deze tijd, met zijn veelheid aan conflictueuze wereldbeelden en zijn manifest gebrek aan harmonie, lijkt in zijn visie niet inherent aan de menselijke cultuur, maar wordt veeleer beschouwd als een afwijking die woekert in ontheemde stedelingen.

Het lijkt me duidelijk dat de brief aan cultureel Vlaanderen op filosofisch vlak weinig consistentie vertoont. De auteur gaat wild tekeer tegen cultuurpausen die de vernieuwing prediken, maar stelt daar uiteindelijk zelf een zeer gesloten, star model tegenover. Het is zeer de vraag of je met zo’n rigide systeem voldoende gewapend bent om de uitdagingen en problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Maar misschien is dat een foute vraag. Misschien heeft het geen zin de stellingen van Walter van den Broeck op filosofisch vlak te willen analyseren.

De auteur wou naar eigen zeggen met zijn boek ‘een stand van zaken opmaken van het culturele reilen en zeilen in stad en land’, maar heeft naar mijn gevoel vooral een stand van zaken opgemaakt van zijn eigen leven. Hij heeft dat gedaan vanuit een heel defensieve reflex en dat is jammer want dat was niet nodig. Er is niets mis met een eerlijke ode aan het rustige, niet al te materialistische leven op de buiten. Het zal wel geen toeval zijn dat Walter van den Broeck in zijn boek verwijst naar het werk van Felix Timmermans, die hij bewondert. Er was met andere woorden geen nood aan die moeizame en doorwrochte constructie over het provincialisme, de losgeslagen kunsten en de platonische wereld om die eenvoudige, essentiële boodschap te brengen. Had hij dat maar gedaan, we hadden zonder twijfel een beter boek gekregen. Alleen dit: een ode aan het leven in de provincie zal de stormen niet bedaren. We kunnen de ramen en de deuren sluiten, maar dat zal de wind niet doen luwen.

1 Hoofdletters en cursiveringen in de tekst zijn steeds van Walter van den Broeck zelf.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#88

15.09.2003

14.12.2003

Stefaan de Ruyck