‘The calling of birds’ (Joegoslovensko dramsko Posoriste)

Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

Bitef

Belgrado

Na de dood van maarschalk Tito is de volkerenbond Joegoslavië terug aan het verpuzzelen. De grote breuken tussen de verschillende deelrepublieken, met elk een eigen taal, culturele identiteit en economische activiteit, worden terug open gelegd, wat leidt tot nationalistische oprispingen en separatistische tendenzen. Het land zit op de rand van het economisch bankroet met een torenhoge binnenlandse schuld, naast de buitenlandse die al lang onbetaalbaar geworden is. De versnellende inflatie holt de dinar steeds verder uit waardoor de schatkist verplicht is zich in steeds meer kleuren en formaten te transformeren: miljoengetallen zijn een courant betaalmiddel, miljarden liggen in de gewone woordenschat. Hoe voller de portefeuille, hoe leger de beurs. Het is aanschuiven aan de etalages om de dagelijks veranderende prijzen te volgen, terwijl in de talloze tax free shops luxespullen de mensen in een stevige markgreep houden. De lonen blijven bij dit alles bijzonder laag, waardoor men b.v. in de theatersector verplicht is tot allerlei bijverdiensten in film, televisie en andere theaters. Met desastreuze gevolgen voor het repetitieproces: men werkt hier met spoken, vertelt regisseur Haris Pasovic, die af en toe eens opduiken op een repetitie, om dan weer te verdwijnen. Joegoslaviës ongebonden koers wordt duur betaald. Na de dood van Mira Trailovic is het Bitef-festival zijn bezieler kwijt. Deze grand lady van de alternatieve scène in Joegoslavië slaagde erin, met een schamel budget en in vaak moeilijke omstandigheden, gedurende meer dan twintig jaar een gereputeerd festival te organiseren waar nieuwe theatertendenzen uit Oost en West mekaar ontmoeten. Een intercultureel festival in de lijn van de Unesco-gedachte, met vertegenwoordiging van meerdere continenten en een reeks namen als Stein, Mnouchkine, Brook, Ljubimov, Krejca, Besson, Vassiljev, e.v.a. die hier vaak voor het eerst in een internationale context gepresenteerd werden. Deze interculturele dimensie maakt van Bitef het meest internationale van de internationale festivals, waar breuken en bruggen, kieren en kloven zichtbaar worden tussen theatervormen die anders ver verwijderd liggen. De 23ste editie van het festival, als vanouds in Belgrado, ondervindt nasleep van beide doden. Het internationale theater is voor de dinar te duur geworden, zodat men aangewezen is op bevriende naties en culturele uitwisselingsprogramma’s die de vrije keuze beperken. Vaste festivalgangers bevestigen dat de selectie ook kwalitatief minder sterk is: politieke beroering zoals met de Hamlet uit 1980 (regie Ljubisa Ristic) blijft achterwege, polemiek zoals met Fabres De macht is hier onbestaande, het onbeschrijflijke gevoel (leed-geluk) dat een theateropvoering je kan brengen door emotionele intensiteit, beeldbrand, intellectuele siddering, erotische roering, etc. blijft uit. Wat rest zijn produkties die je cultuurhorizon verruimen, je attent maken op wat rechts en links in de wereld gebeurt, je vertrouwd maken met culturele anderstaligheid en daardoor toch die multiculturele samenleving die zeker in Joegoslavië maar ook in de rest van de wereld meer en meer een probleem stelt, reflecteert en van een cultureel programma voorziet.

Deze interculturele clash vinden we op alle niveaus van de programmatie terug. Globaal, in de Oost-West dialoog waarop de selectie grotendeels berust: er staan produkties uit de Sovjetunie, Hongarije en Polen (niet toevallig de, op dat moment, hervormingsgezinde Oostbloklanden), naast opvoeringen uit de V.S. en Duitsland (de courante betaalmiddelen hier), een dubbele vertegenwoordiging uit het gastland, en theaterwerk uit het Verre Oosten. In de stand van de wereld die deze theaterkaart tekent is ‘enkel’ het Zuidelijk halfrond afgevallen. Ook specifiek vind je de interculturele noemer in een aantal produkties verwerkt: m.n. de Joegoslavische stukken (Scheherazade, regie Tomaz Pandur; De vogels, regie Haris Pasovic) ademen een sterk Oriëntaalse invloed uit, de Theateracademie uit Poona mengt Indische theatertradities met Westerse vormen, en de Angels of Swedenborg van Ping Chong zweven tussen Amerikaanse kitsch en Oosterse wijsheid. Een Bitefbazar vol kleuren en vormen, exotische toestanden, extremen in oud en nieuw.

Ik ben ingestapt voor de laatste zeven dagen. Wat voordien vertoond werd, was ons reeds gedeeltelijk door de goede zorgen van Vlaamse organisatoren gebracht: het theater van de Jonge Toeschouwer, het Katona Jozsef Theater, Scena Plastyczna KUL. De eerste twee in realistische traditie, de Scena Plastyczna in de lijn van het visionaire theater waar de Polen patent op hebben. Een grote stap is het naar de Oosterse vormen, Indisch Theater en Peking Opera: dat blijft toch een oppervlakkige receptie met bewondering voor kleuren, klanken, acrobatie, kostuums, maar snel knap vervelend bij gebrek aan aanknopingspunten: een sight-seeing met wat souvenirs en zonnige groeten. Helemaal vlak wordt het met Ping Chongs Angels of Swedenborg naar de mystieke geschriften van deze Zweedse geleerde. De overtocht over de Hades levert niet meer op dan wat bidprentjes met duiveltjes en engeltjes. Eén stout engeltje wordt de vleugeltjes geknipt, het hoogtepunt van een uur multimediaal spektakel. “Een naïeve, kinderlijke, mild-Oosterse produktie,” vindt Ping Chong. Maar er is meer in hemel en hel dan deze engelen kunnen van dromen.

De vogels in een regie van Haris Pasovic (28 jaar, doorbrekend talent) is in de Joegoslavische context een wonder: binnen een groot repertoiregezelschap werd de mogelijkheid geboden om met een ruim budget, grote acteurs en een lange repetitietijd aan theatraal onderzoek te doen. Voor het eerst sinds lang zijn hier acteurs improviserend en met een zware training samen aan de slag gegaan, heeft men de gemakzucht van de ateliers overwonnen om een complex decor te bouwen, werden materialen en stoffen gebruikt die nu eens geen imitatie zijn. De produktie snelt in vogelvlucht doorheen verschillende theatrale stijlen, realisme, operette, stylering, lichamelijk theater, oriëntalisme, om een reis te maken weg van het Westers rationalisme via archetypische angsten en driften, naar een utopia. Het heeft af en toe iets van een kleurrijke droom, van een synthese van theatrale geschiedenis, maar helaas drukken af en toe ook de sporen door van de onderzoeksfase : ten overvloede wordt getoond wat de acteurs allemaal in de turnzaal geleerd hebben, hoe ze ritmesessies gevolgd hebben en bij welke voorbeelden ze in de leer gegaan zijn.

Het festival sloot af met twee produkties van het Theater a.d. Ruhr, opgedragen aan Mira Trailovic. Vooral Kaspar was een revelatie : Peter Handkes taalgevangenis werd door regisseur Roberto Ciulli als een gesloten maatschappelijk systeem behandeld, een systeem waarin het individu (Kaspar is hier een vrouw) gekneed en geconformeerd wordt tot wat gepast lijkt. In het eerste deel zien we dat pasproces, Kaspar leert gepast lachen, praten, zich kleden, gedragen, flirten, etc. In het tweede deel wordt het resultaat getoond: een spraakloze primitieve wereld. Kaspar is een onthutsende, rauwe produktie, tegelijk eenvoudig en indringend. De Bacchanten daarentegen krijgt in de barokke beeldvormen geen contouren, het blijft een losse paternoster van roomse resten, circustaferelen, poppenkast. Een Bacchaebazar waarin ik geregeld de weg verlies. Zoals in de breukstad Belgrado.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.  

artikel