‘Dansé Donsé Don Don’, La Trinité / Kurt van der Elst

Wouter Van Looy

Leestijd 9 — 12 minuten

Een biotoop van zot geweld

De tweede editie van het Victoria festival ligt al even achter ons. Wouter Van Looy blikt terug. Waar krijgt het jeugdtheater interessante impulsen en waar vliegt het de bocht uit?

Het jeugdtheater in Vlaanderen krijgt steeds meer te maken met de druk die ontstaan is door vernieuwingsdwang. Soms lijkt die dwang voort te komen uit de onrust omtrent een (ogenschijnlijke?) artistieke stilstand, soms ontstaat ze vanuit de bezorgdheid over een gebrekkige doorstroming. Er komen geen nieuwe gezelschappen bij, zelden zie je nieuwe regisseurs opduiken, ook op het podium staan vaak dezelfde mensen en nieuwe initiatieven blijken vaak ééndagsvliegjes, waardoor de signaaljury zich al moet haasten om ze een prijs te kunnen geven. Het jeugdtheater glijdt ondertussen voort langs een geëffend en goed georganiseerd pad. De euforie van de voorbije jaren heeft plaats gemaakt voor een gewenning en op de gewenning volgde de onrust over de interne dynamiek. De vraag naar middelen om de adrenaline op peil te houden wordt geregeld gesteld. Wat doen we met de opleidingen? Hoe trekken we nieuwe acteurs aan? Hoe motiveren we regisseurs en acteurs om voor het jonge publiek te spelen? Het lijkt een impasse waarin overigens niet alleen het jeugdtheater is terecht gekomen. Dirk Pauwels (artistiek leider van Victoria) drukt het als volgt uit: ‘Er is geen status-quo ontstaan. Er is geen gebrek aan vakmanschap noch aan virtuositeit. Toch zijn de actuele theatervormen voorspelbaarder dan ooit, de uitzonderingen niet te na gesproken.’

Er worden nieuwe vragen gesteld of er wordt gezocht naar nieuwe vragen en nieuwe uitdagingen. Dat kan interessant zijn als het aanleiding geeft tot alertheid voor de vervlakking. Tegen die vervlakking kan je op verschillende manieren reageren. Veel wordt er op dit vlak telkens verwacht van nieuwe generaties. Al hebben die het aldus Pauwels allerminst gemakkelijk:’ Ze hebben het een stuk moeilijker dan hun generatiegenoten uit de wilde theater jaren. Er is geen vergrijzing om tegen te reageren, hoogstens een vervlakking.’ En vele nieuwe groepen trappen volgens Pauwels ook in de val: ‘De erosie is spijtig genoeg ook merkbaar bij jongere groepen die in navolging van andere jonge groepen driftig op zoek zijn naar dé nieuwe theaterstijl. De resultaten zijn meestal ofwel neo-post-Discordiaans ofwel gewoon oerklassiek. Het jonge gezelschap heeft blijkbaar maar één doel voor ogen: zo snel mogelijk een vaste waarde worden en een gezelschap zijn waar de leden zelf en heel Vlaanderen fier over mogen zijn. Het lijkt er dus op dat er iets moet gebeuren.’

De vragen die worden gesteld omtrent vernieuwing kunnen ook destructief worden als het impassegevoel aanleiding geeft tot verlamming. Vernieuwers binnen het jeugdtheater kunnen wel rekenen op een talrijk, maar blijkbaar zeer kritisch ontvangstcomité, dat hen even snel langs de achterdeur zal buitenwerken als dat ze langs de voordeur werden binnengehaald. De reden daarvoor is niet ver te zoeken. Wie naast de Vlaamse en Nederlandse podia ook eens over de grens gaat kijken, moet toegeven dat het jeugdtheater van de lage landen op grote hoogte staat en er vele redenen zijn om het te koesteren. Er is veel opgebouwd rond het jeugdtheater de voorbije jaren. De lat werd hoog gelegd. Het zou doodzonde zijn als van de nodige en te verwachten adempauze die nu plaatsvindt, zou worden gebruik gemaakt om de verworvenheden overboord te gooien of de lat lager te leggen.

Korstmos

In deze context organiseerde Victoria het tweede Victoria festival, dat ik in grote mate bijwoonde. In de geest van de nieuwe traditie en dus wederom verrassend, zo luidde het in de aankondiging. Het Victoria festival neemt een aparte plaats in bij de zoektocht naar vernieuwing. Het is geen festival meer van afgewerkte produkten, zoals dat tijdens de Stekelbeesfestival-periode wel het geval was. Het is ook geen platform voor mooi en – volgens een artistiek concept – goed gevonden voorstellingen en evenmin is het een promotieplaats voor produktiehuizen die het festival zien als een markt waarop ze hun waar kunnen verkopen. Zelfs produkties van Victoria zie je niet meer op het festival. Victoria heeft het in verband met het festival graag over ‘een biotoop van zot geweld’, waarin de jongste generatie, al dan niet begeleid of voorbereid, naar hartelust kan experimenteren. Bovenal wordt binnen het Victoria festival veel plaats gemaakt voor de nog uit het ei kruipende kuikens van jeugdige theatermakers (om het woord ‘jongejannen’ niet meer te gebruiken). Voor het maken van dit presentatieplatform ging Victoria scheep met het Nieuwpoortteater, dat het podium en de logistieke ondersteuning bood. De gezamenlijke noemer voor dit luik was Korstmos. Korstmos is een plantaardige mossoort die nauwelijks opvalt, toch bijna overal op kan groeien, daarom ook talrijk aanwezig is en als je er goed naar kijkt zelfs prachtig is.

De artiesten werden voorgesteld als ‘onstuimige kwekers van delicate produkten die (nog) niet te koop zijn in onze grootwarenhuizen’. Zoals te verwachten was, leverde deze formule zeer wisselende voorstellingen af. Sommige voorstellingen bereikten ondanks de minimale artistieke begeleiding en de korte (opgelegde) duur van de voorstelling toch een boeiend resultaat. Het pleit voor Victoria dat de artistieke diversiteit van deze minivoorstellingen, die onder de noemer Korstmos getoond werd, erg groot is. De drie dansers van Latrinité zorgden voor een bruisende en goed gedoseerde voorstelling op muziek van Debussy (Prélude à l’après midi d’un faune) en Stravinsky (Le sacre du printemps). Onder de titel Gij Goeie Gij! leverden Wim Van Gotha en Brenda Bertin sterke acteerprestaties op basis van een eigen tekst. Met video en klankband brachten Joz Deconinck en Nicky Aerts een genietbare en originele video-performance-act.

Dat een dergelijke formule ook risico’s oplevert illustreerden de talrijke betrokkenen bij Balcony 2099 – the adventures: een voorstelling die buiten een even gigantisch als absurd decor weinig te bieden had. Het leek er erg op dat er tijdens het produktieproces te veel tijd was gegaan naar het bedenken van een decor in de stijl van Spaceship Enterprise uit Star Trek, waardoor de voorstelling zelf niet van de grond kwam. Het einde was een opluchting, mede in de hand gewerkt door de kok die tijdens de voorstelling non-stop look bakte en de zaal veranderde in een sauna met lookdampen. Origineel was het wel, maar daarmee heb je nog geen boeiende voorstelling.

De Korstmossen leverden een eigen en enthousiast publiek, dat vaak aangetrokken werd door bekendheid of verwantschap met de makers van de voorstelling. De uitdaging voor de organisatoren bestaat er in dat gelegenheidspubliek mee te nemen naar andere voorstellingen op het festival. Iets wat moeilijk blijkt te lukken. Ook bij de Danssolo’s krijg je te maken met dat fenomeen. Anderzijds bereik je bij de presentatie van Korstmos een ruim publiek van echte festivalbezoekers, die je minder snel naar dergelijke kleinschalige mini-voorstellingen zal lokken buiten de context van een happening, wat het Victoria festival ook is en wil zijn. Het valt te hopen dat ‘de nieuwe traditie’ die met Kortsmos gestalte kreeg door de nieuwe Nieuwpoort-ploeg zal verder-gezet worden. Deze formule levert zulke diverse initiatieven op dat ze telkens op een specifieke manier moeten begeleid worden. Dirk Pauwels: ‘Ze tonen dat en dan gaan we met een aantal mensen praten. Sommigen komen misschien in een produktie terecht, voor anderen zoeken we een coach.’

Fuga

Het gebouw van Victoria bood gedurende het festival onderdak aan twee plastische kunstenaars die weerhouden werden uit acht artistieke offertes. Zij gingen de uitdaging aan om hun werk in een theatraal kader te tonen. Na een residentie van een maand bij Victoria werd het werk van deze niet-theatermensen geconfronteerd met een publiek. Wie met tegenzin naar de zoveelste theatervoorstelling trok en liever zappend thuis had gezeten, zal nog niet zo ongelukkig geweest zijn als hij of zij mocht plaatsnemen in één van de zitjes van Honoré d’O. Vanuit je stoel waren drank en nootjes binnen handbereik. Bovendien kreeg je vanuit je zetel macht over de communicatie met de omringende vijftig bezoekers, die je door het neerlaten van witte gordijnen uit je eigen of andermans gezichtsveld kon ‘wegzappen’. Een dergelijk causaliteitsgenoegen kan je enkel creëren in een ruimte waarin je op z’n minst het gevoel hebt de voorstelling mee te kunnen tot stand brengen, ‘elk individueel en toch allemaal samen’. De wereld wegzappen vanuit je zetel, tot je overblijft met jezelf en dan jezelf wegzapt uit het decor.

Ilse Joliet leverde met een combinatie van video, klankband, tekstprojecties en levende acteurs een goed gecomponeerde voorstelling af. Op de videobeelden krijg je de hoofdtafel te zien van een trouwfeest. Op de klankband hoor je het relaas van een vrouw uit het arbeidersmilieu, die over haar spaakgelopen huwelijksleven vertelt. De interpretaties worden op een fugatische manier geïllustreerd en geconfronteerd met het verhaal van de man, dat via de tekstprojecties wordt verteld. Als publiek voel je je voortdurend heen en weer pendelen tussen man en vrouw, tussen klankband en tekstprojecties, twee verschillende verhalen over hetzelfde huwelijk. Het thema dat op de klankband wordt aangezet, wordt overgenomen in de geprojecteerde teksten, waardoor weer nieuwe betekenissen en interpretaties ontstaan. De videobeelden, gemaakt met groothoeklens en daarom een verborgen camera suggererend, houden ondertussen voortdurend de aandacht op peil. Net als de klankband en de tekstprojecties geven ze het gevoel dat je met je neus op een intimistische situatie wordt gedrukt. Volledig verloren gingen de in een hoekje gedrumde acteurs, die ijverig brieven zaten te schrijven. Liefdesbrieven, zo kon je in het programmaboekje lezen.

Stout en goed?

Net als bij de eerste editie bood het Victoria festival zich ook dit jaar niet aan als een jaarbeurs voor programmatoren, die de resultaten willen plukken van een gericht prospectiebeleid langs de buitenlandse podia. Voor een doorgedreven zoektocht naar artistieke hoogvliegers zijn bij Victoria noch de tijd, noch de middelen, maar vooral niet de wil aanwezig. De enige drijfveer om niet alleen te produceren, maar ook (buitenlandse produkties) te programmeren, bestaat uit de artistieke interesse voor een selecte groep kunstenaars, die onder het predicaat ‘stout en goed’ op de Gentse podia werden gedropt. Elk van de geprogrammeerde gezelschappen wil ‘op een specifieke manier ingaan tegen de terreur van de theateresthetiek en het overwicht van de vorm’. Eén van de artiesten die onder dit motto (ook letterlijk) zijn waar mocht presenteren was de Franse danser-choreograaf Jérome Bel. Tijdens voorstelling Nom donné par l’auteur ondernemen Bel en zijn tegenspeler Jean Torrent een poging om de semiotische betekenis van huis-, tuin- en keuken-voorwerpen (stofzuiger, tapijt, zoutvat, geldbriefje, boek, bal, zaklantaarn, haardroger,…) onderuit te halen. Daarvoor doen ze niets méér dan met emotieloze gebaren voorwerpen combineren: ze in een bepaalde volgorde het podium opbrengen, verplaatsen, gebruiken. Zeventig minuten lang. Uit de combinatie van de betekenis van de uitgevoerde handelingen met de dagelijks-gebruik-betekenis ontstaan nieuwe betekenisclusters. Voor het publiek is dat tien minuten leuk, daarna is het zestig minuten wachten tot je weer buiten mag. In het buitenland wordt er naar verluidt vaak minder lang gewacht om bij Nom donné par l’auteur de zaal te verlaten. Deze voorstelling van Jérome Bel is niet goed omdat ze stout is, ze is eerder saai omdat ze braaf is.

Ook minder geslaagd was de kruisbestuiving tussen de Vooruit Geluid-programmatie en het Victoria festival, waardoor de festivalbezoekers met Mari Boine plots een brokje wereldmuziek kregen voorgescholteld. Enige verwijzing naar het festival was er niet. Boine is afkomstig van het Sami volk uit het noorden van Noorwegen, dat onder impuls van protestants-christelijke invloeden de oude tradities heeft afgezworen. Het zijn die oude tradities waar Boine in haar muziek naar teruggrijpt, al moet dat eerder in de (onverstaanbare) teksten te vinden zijn dan in de samenstelling van de band of de muziek zelf. Met haar vierkoppige band, aangevuld met een Latijns-Amerikaanse fluitspeler, tracteerde ze het Gentse publiek op een aantal nummers waarbij Boine eenvoudige melodische laddertjes drapeerde over de repetitieve patronen van de instrumentalisten.

Showbeesten

Een vast element van de nieuwe traditie van het Victoria festival is De beste Belgische danssolo, een concept van choreograaf en Victoria’s huisartiest, Alain Platel. Nieuw aan de tweede editite was dat het selecteren van de dansers niet meer door Alain Platel zelf gebeurde. Jury’s uit diverse regio’s gingen in opdracht van Victoria op zoek naar jong danstalent ‘dat in een solo kan uitblinken door originaliteit en uitstraling’. Meer regels waren er niet voor de selectieheren en dames, die zich daarom voor een moeilijke opdracht geplaatst zagen. Met De beste Belgische danssolo zet Victoria niet alleen de deur open voor jonge dansers, maar ook voor een diversiteit aan stijlen. Gelokt door een stevige prijs en de ‘eeuwige roem’ gaan jonge dansers met elkaar in duel om de titel. Kunst in een competitief kleedje, op het gevaar af dat – mede door het uitzinnige publiek – het showelement erg zwaar komt bovendrijven. De danssolo’s zijn een evenement op zich. Een Koningin Elizabethwedstrijd op z’n Victoria’s, zou je kunnen zeggen. En jawel, ook hier was er een winnaar. Zijn naam: Larbi Cherkaoui.

Je kan je de vraag stellen of de danssolo’s meer moeten en kunnen zijn dan een attractie. De vergroting van de selectieplatforms zorgde alvast niet voor de verhoopte kwaliteitsverhoging t.o.v. vorig jaar. Een competitieformule lokt zowiezo steeds showbeesten het podium op. Bovenal blijft dit evenement een ‘artistieke attractie’, waarbij Victoria zich van zijn sterkste kant laat zien: het bedenken van een uitdagend concept voor jeugdige performers, dat in een feestelijke atmosfeer wordt uitgevoerd. Ook de inkleding van de ruimte door Stef Cafmeyer (huisartiest Victoria) draagt daar ruimschoots toe bij. Amateurs worden bij Victoria even goed verzorgd als rasartiesten.

Vorig seizoen trok een selectie van geselecteerde dansers op tournee en doken sommigen van hen op in andere projecten van Victoria. Belangrijk is ook hier het gesprek dat Victoria, na de voorstellingen, aangaat met enkele dansers. Als artistieke ‘nazorg’.

De vraag waar de vernieuwing interessante impulsen krijgt en waar ze de bocht uitvliegt, stel je je voortdurend bij een terugblik op het Victoria festival. Het festival is een happening waarin een grote diversiteit aan artistieke impulsen wordt mogelijk gemaakt. Je kan nauwelijks lijnen trekken in het aanbod. Hoe het daarna verder moet lijkt daarom ook niet zo evident. Als wapen tegen de vervlakking schrikt Victoria er immers niet voor terug ook het eigen huis op zijn kop te zetten. Na een vierjarig experiment met drie huisartiesten zal die formule verlaten worden en worden huisartiesten Stef Cafmeyer, Alain Platel en Frank Theys van de loonlijst geschrapt. Ze zullen alleen nog projectmatig bij het produktiehuis betrokken worden. Op die manier hoopt Victoria nog meer tijd te kunnen vrijmaken voor jonge artiesten die ergens in schemerzone zitten. Het valt te verwachten dat het Victoria festival zich in de toekomst nog meer dan in de voorbije edities zal aandienen als een vergrootglas voor allerhande jonge korstmossen en als een biotoop voor jong artistiek geweld. Naar we hopen wordt het een vruchtbare plek voor loslopend wild en geen dierentuin van opgefokte rariteiten.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

Wouter Van Looy

artikel