Billy, Sally, Jerry and the .38 gun © Kurt Van der Elst

Leestijd 4 — 7 minuten

Billy, Sally, Jerry and the .38 gun – Thomas Bellinck/Steigeisen & KVS

Het Magic Land Théâtre ligt achter het Brusselse Noordstation, tussen de hoeren en de Marokkaanse winkelstraat in. Nooit van gehoord, tot nu. Het is een Franstalig cafétheatertje dat ruikt naar de losbandige en opstandige seventies. Het stamt ook uit die tijd. Voor regisseur Thomas Bellinck, wakker politiek theateractivist, is het de perfecte plek voor zijn voorstelling Billy, Sally, Jerry and the .38 gun, die speelt in de nasleep van de Vietnamoorlog en de flower power, en feit met fictie vermengt. Het is een veel gewichtiger voorstelling dan op het eerste gezicht lijkt. Luchtig maar verre van lichtzinnig. Net als de locatie.

Drie mislukte helden in een fatale ontmoeting. Zo laat de plot zich samenvatten. Het is niet moeilijk om president van de VS te spelen: katheder met microotje, stars-and-stripes-vlaggetje, strak maatpak. De achtendertigste onder hen, Gerald Rudolph Ford (‘Jerry’ in het stuk), vervulde zijn ambt op even stereotiepe wijze. Zonder overtuiging. Een aanslag plegen op die president vroeg dan ook niet per se om grote idealen: een roerig klimaat en de behoefte aan aandacht waren voor Sara Jane Moore (‘Sally’) de aanzet. Ze was een van de twee vrouwen die het ooit gemunt hadden op de president van de VS: op 22 september 1975 richtte ze in San Francisco haar pistool op hem. En miste. Oliver Sipple (‘Billy’), een jonge, depressieve Vietnam veteraan, gooide zich in een oorlogsreflex op de terroriste, en redde de hoogste leider. Een échte heldendaad, deze wel. Maar in de nasleep ervan werd hij, zeer tegen zijn zin in, verheven tot boegbeeld van de homobeweging. Hij ging eraan ten onder en bezweek aan alcohol en drugs.

Geen van de drie personages schittert door grootsheid of idealisme. Precies het dwaze falen van de drie betrokkenen zet Thomas Bellinck in de verf. Gerald Ford ontbrak het aan elke presidentiële grandeur. Grijze man, perfect inwisselbaar. Hij volgde ambtshalve Nixon op na de Watergate-affaire, en werd niet herkozen voor een tweede termijn. Zo’n gefrustreerde raté zet acteur Willy Thomas neer in de openingsspeech – inclusief warrige diaprojectie en stomweg opspattend flesje spuitwater.

Sara Jane Moore was moeder van vier kinderen in vijf huwelijken, en behoorlijk labiel. (Ze leeft nog, zat tweeëndertig jaar in de gevangenis en werd in 2007 vrijgelaten, een jaar na Fords overlijden.) Op haar vijfenveertigste ontdekte ‘Sally’ de commune en de revolutionaire politieke beweging. Aanvankelijk werd ze ingehuurd door het FBI om in het linkse milieu te infiltreren, maar haar bedilzucht deed beide kampen aarzelen. Om zichzelf te bewijzen besliste ze een aanslag te plegen. Ze wilde zo de revolutie ontketenen in de VS, verklaarde ze. ‘Want als je één poot omzaagt, valt het hele bed in.’ Dus kocht ze een geweer, vatte post aan de overkant van het hotel waar de president een meeting bij woonde ‘op een of ander Forum voor Wereldaangelegenheden’ – dixit Bellinck – en schoot. Het eerste schot miste zijn doel, het tweede werd afgeweerd. Weg revolutie, weg roem. Actrice Isabelle Van Hecke speelt een zeer herkenbare vrouw-op-zoek-naar-erkenning. Ze weet godzijdank de karikatuur te vermijden, wat niet voor de hand ligt met zo’n hysterisch personage.

Ook Jeroen Vander Ven, Rits-studiegenoot van Bellinck en medeoprichter van het gezelschap Steigeisen, zet de ‘lonesome loser’ Billy treffend neer. Geen psychologische overacting. Billy was in het echte leven een schuchtere homo die in Vietnam ging vechten om voor zijn ouders de schijn van viriliteit op te houden. De president bedankte hem voor zijn daad met een kort handgeschreven briefje – geen handdruk, geen ontvangst op het Witte Huis. Maar hij werd wél opgepikt door de Amerikaanse homobeweging als lichtend voorbeeld: ‘Zie je wel dat ook homo’s heldendaden stellen!’ Zijn seksuele geaardheid werd onthuld aan zijn ouders en hun buren – precies wat Billy zijn leven lang had willen vermijden. In het stuk pleegt hij zelfmoord. Als regisseur en schrijver stuurde Bellinck de realiteit hier en daar bij, maar de kern van de gebeurtenissen blijft reëel. En door en door schrijnend.

In drie scherpe monologen duwen de personages om beurten het verhaal verder, tot Billy’s ellendige afloop. Dat ieder zijn eigen verhaal doet, klopt met de werkelijkheid, want de protagonisten werden alleen verbonden door het revolverschot; ze wisselden nooit een woord met elkaar. Absurd eigenlijk, als je bedenkt hoe onlosmakelijk hun levens vervlochten raakten.

In een grote zaal zou de tragische ondertoon doorwegen, maar in het verlopen cabaretzaaltje blijft de sfeer licht. Het decor werd herleid tot poppenkastgordijnen, een kitscherige affiche van de Golden Gate Bridge, enkele krakkemikkige accessoires. Popsongs roepen vanzelf de seventies op. De typische protestactie met pancartes waarop Che, Mao, Malcolm, Martin,… prijken, sluit perfect aan bij de tijd toen en de plek nu. Kolderieke musicalfragmenten compenseren het nuchtere spel. Een paar simpele vondsten beelden de schietpartij uit: een stuk rode loper wordt krom uitgerold, een stroboscoop en gehakkelde bewegingen schetsen het exacte moment. De voorstelling lijkt soms in elkaar geflanst, op het amateuristische af. Maar het werkt precies zoals het moet. En haast ongemerkt kleurt de tragikomedie donkerder. Tussen het lachen in krijgt het debacle van de sociale revolutie gestalte. Tast Bellinck de grens af van de lichtheid waarmee je een ernstig gegeven kunt overbrengen?

De in Duitsland geboren theatermaker werkt de tegenstelling tussen de wereldschokkende gebeurtenis en het kleinmenselijk falen scherp uit. Dat is wat de voorstelling wrang maakt: het besef dat elk personage vergeefs handelt. Geen grootse wereldleider, geen ware revolutionaire, geen heldhaftige redder des vaderlands, geen helden in tijden die nochtans om omwenteling schreeuwen. De oorlog in Vietnam was een hel voor jonge Amerikaanse rekruten. Vuil en uitzichtloos. Het felle protest ertegen was geen luxerel van een stelletje hippies. De VS trokken zich uiteindelijk terug, onder druk van de openbare opinie en zonder overwinning. Maar van de hoop op de nieuwe, betere wereld die de protestbewegingen beloofden, bleef niets over. Goed veertig jaar later sijpelt het besef van de enormiteit van de utopie door. Het idealisme van toen lijkt nu belachelijk naïef. Dat is de nog triestere boodschap die schuilt achter het falen van de protagonisten. Thomas Bellinck zegt ergens dat hij het engagement van die jaren wil verdedigen – er bestond toen tenminste nog geloof in en een collectieve strijd voor een betere toekomst. Maar uit de personages die hij neerzet, spreekt enkel onvermogen. Heeft hij dat onbewust gedaan?

Niet alleen kleinmenselijk zijn de antihelden van Bellinck, maar ook zielig. Ze zitten gevangen in hun rol, in sensatiezucht of in hun reflexen. Daarmee legt Bellinck de verborgen facetten bloot van de lang gekoesterde flower power-mythe. De ‘make love, not war’-gedachte balanceert vandaag tussen nostalgie en ontluistering. Reflecties over voorbije tijden ontvouwen zich altijd moeizaam. Niet alleen individueel, maar ook nationaal, cultureel en maatschappelijk. De Vietnamoorlog vult boekenrekken en videotheken. Dat trauma was dwingend en dringend. Maar nu pas, nu de hippiegeneratie letterlijk aan het verdwijnen is, zijn de seventies aan een grondiger analyse toe. Want de kracht die ervan uitging, mag desondanks niet onderschat worden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#122

01.09.2010

30.11.2010

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!