Dirk Opstaele

Leestijd 5 — 8 minuten

Bewegingen in de ziel van de toeschouwer

Collectieve verliefdheid

De beeldende kunstenaar geeft zijn product weg door het te maken. De podiumkunstenaar maakt zijn product door het weg te geven. Dirk Opstaele over de heidense kunst van het theater maken.

-Het woord theater komt van ‘theaomai’: ‘ik kijk in bewondering’. Die ‘ik’ is natuurlijk de toeschouwer. De podiumkunstenaar voldoet, zo hij slaagt, aan diens bewondering, brengt haar in beweging, ritmeert en herschikt haar en dit aandachtig maken en houden is een kunst op zich. Het beheer van die aandacht binnen een beperkte tijdspanne, heet theatrale handeling. Men noemt dramatische kunst wel eens de kunst van de handeling, van het doen, en het woord drama heeft dezelfde stam als ‘drastisch’. De bewegingen in de ziel van de toeschouwer zijn evenwel het doel, niet die van de kunstenaar. De podiumkunstenaar, als onbewogen beweger, mag bewegen, de ziel van de toeschouwer moet het.

Voorstellingskunst

Theater kan bijvoorbeeld gedefinieerd worden als de kunst om voorstellingen te maken: om taferelen te spelen terwijl een publiek ernaar kijkt en luistert. Niet de taferelenreeks is het eindproduct en het oogmerk van een theatermaker, dan zou een scenario, een tekst of een repetitie ook al theaterkunst zijn. Toch worden de instrumenten en bijproducten van deze kunstvorm dikwijls met de theaterkunst zelf verward. In conservatoria overal ter wereld wordt de idee geconserveerd dat theater een vehikel is van bijvoorbeeld ‘grote teksten’, en niet omgekeerd. Dat is misschien omdat men het niet over zijn hart kan krijgen om het vluchtige van een inbeeldingsproces als echte kunst te beschouwen. En is het wel echte kunst?

De kwintessens van een toneelopvoering is de kunstig geritmeerde, dynamische opeenvolging van voorstellingen in de geest van een tegelijkertijd aanwezige groep toeschouwers -met Shakespeares woorden: ijle lucht. Een weldaad, in deze met biologisch onafbreekbare rommel gevulde tijden, om een kunstactiviteit te hebben die niks achterlaat dan lucht en de gloed van herinnering bij diegenen die de voorstelling ondergingen – niks dat in de weg ligt, niks dat doorverkocht kan worden, niks dat nog geconsidereerd kan worden, geen afvalprobleem. Zelfs een tekstboek met theaterreplieken is niet haar afval – het is de afval der literatuur. Wat een theatervoorstelling aanbiedt is een reukloze, omvangloze, zichzelf verslindende tijdsduur, en de kwaliteit van die duur wordt tijdens deze duur zelf gesmaakt en genoten, soms korter maar nooit langer dan de door de theatermaker voorgestelde limiet. Daarna: niks in de handen (hoogstens wat verfsporen op de mentale vingertoppen), niks in de mouwen.

Publieksopportunisme

Het einddoel van kunstwerken bij de toeschouwer leggen doet men natuurlijk ook in het geval van literatuur en de beeldende kunsten. Kunst is altijd, al dan niet rechtstreeks, een zaak tussen een schepper en een publiek. Een kunstenaar die iets maakt geeft het weg zodat het een beleving kan leiden in de ogen, de oren, de handen van de kunstminnaar. Er bestaat wel een soort van tendens om dit te verdonkeremanen: men heeft het dan over de kunstenaar als een poète maudit, een onbegrepen, eigenzinnige figuur die alleen voor zichzelf werkt. Laten we aannemen dat zoiets bestaat in het geval van de dichter, de schilder, de componist, goed – het is echter ondenkbaar en ongerijmd in het geval van de podiumkunstenaar. Een daartoe samengekomen groep mensen iets te doen beleven is namelijk zijn kunst. De toneelhandeling wil een onmiddellijke reactie teweegbrengen. Als deze podiumkunstenaar, nadat de laatste toeschouwer de zaal heeft verlaten, nog doorgaat met spreken en dansen, dan is hij gek, of blind en doof. Als hij dit doet vooraleer de toeschouwers aankomen is hij aan het repeteren: hij legt de instrumenten waarmee hij zijn scheppingsdaad zal volvoeren als het ware gereed, net zoals de dramatische dichter en de auteur.

Geen kunstenaar maakt zoveel aanspraak op de toeschouwer, geen is zo veeleisend voor de toeschouwer als de podiumkunstenaar. De theaterganger krijgt beweging én geluid voorgeschoteld in één ondeelbare tijdspanne waar hij, zo de podiumkunstenaar wil slagen, geen seconde mag van verliezen. Net zoals de muzikant tijdens een concert, maar met een grote visuele en motorische bekommernis, of net zoals de cineast, maar dan telkens opnieuw en telkens eigenhandig, stelt de podiumkunstenaar een tijdsindeling voor, een duur van samenzijn in één ruimte, een onverbiddelijk na-elkaar van sensuele suggesties. Meer dan tijdverdrijf is de theaterpraktijk een tijdfbedrijf.

Acute kunst

Als theatertoeschouwer wordt men verleid om zich te concentreren op figuren die zichzelf, in heel hun daar-zijn, als instrument van de scheppingsdaad gebruiken. Het niet kijken vanwege de toeschouwer betekent eigenlijk: de scheppingsdaad onmogelijk maken – het is in de grond een soort wreedheid. Dat is niet het geval voor schilderijen, boeken, films: in vergelijking met het podiumwerk superieure, onverschillige, geduldige voorwerpen. De makers ervan kunnen het nageslacht tot hun rechter benoemen. Zo niet de podiumkunstenaar. Het sibi quisque scribit (ieder schrijft voor zich) is onhoudbaar in zijn geval omdat hij zijn ‘tekst’ (en alles wat op de scène gebeurt beschouwt hij als tekst) niet kan ‘herlezen’, slechts ‘herschrijven’. De scheppingsdaad is de levering in het geval van podiumkunst, simultaan, onmiddellijk. Zo kunst genot wil schenken is dit in het geval van theater onmiddellijk genot. Zo kunst vergetelheid, waan, inzicht of uitzicht schenkt is het onmiddellijke vergetelheid, onmiddellijk inzicht, acute waan… Het komt erop neer dat het theater, als aanwezigheids- en aandachtskunst, als het niet op slag boeit, eigenlijk geen theater is: de toeschouwer dwaalt af, verliest zijn concentratie waardoor de inhoud van zijn aandacht afneemt en het theatergebeuren verflauwt.

De beeldende kunstenaar geeft zijn product weg door het te maken. De podiumkunstenaar maakt zijn product door het weg te geven. De manier van geven is zijn kunst, niet de sculptuur telt maar het sculpteren.

Verleiding

Het opwekken en kweken van aandacht voor de lijfelijke aanwezigheid van mensen op een podium is in wezen een kunst van lonken, van lokken, van weg- en verleiden. Als oudste kunst heeft het theater veel weg van een ander, al even oud beroep. Men kan de opwinding vanwege de toeschouwers omschrijven als ‘interesse’, ‘sympathie’, ‘belangstelling’, ‘nieuwsgierigheid’, maar het ritueel gebeuren tussen speler en publiek heeft toch altijd, zo het succesvol is, een erotische grondtoon, een wellustige zinnelijkheid – zelfs in het geval dat er gedrochtelijke narren op de scène staan. Er zit zelfs iets fundamenteel zinnenprikkelends in de verleidingsdans van een zich in dezelfde ruimte als het publiek bevindend gedrocht, de uitdagende kledij van de nar, de in vrouwenkleren gehulde man, de zich als sater gedragende grijsaard… En omgekeerd zit er iets grondig monsterlijks aan buitengewone schoonheid.

De collectieve verliefdheid vanwege de toeschouwersgroep die zich kritiekloos, gefascineerd, bedwelmd, laat vervoeren, is het ideaal van de podiumkunstenaar.

Een heidense kunst

Het prostituerende, Dionysische karakter van de theaterkunst is de oorzaak van de moraliserende verachting en het intellectuele misprijzen die zij dikwijls heeft ondervonden. Dit karakter kan door de podiumkunstenaar verhuld worden. Hij bekwaamt er zich dan in om de subversieve verleidings- en bekoringsstrategie van het theater van een soort façade te voorzien. Hij zoekt naar een alibi, een culturele, morele, therapeutische, politieke, zelfs opvoedende rechtvaardiging voor het theater. Want autonome theaterkunst (dat was zo in de tijd van Molière, wiens stukken door de kerk werden verboden, dat is zo nu) wordt verderfelijk geacht en veel toeschouwers hebben voorwendsels nodig om een voorstelling toe te juichen. Men behoeft er bovendien maar de programmaboekjes, de recensies, de subsidieaanvragen op na te slaan: zelden heeft men het er over de eigenlijke theaterkunst, vaak is er één of ander doel dat belangrijk is, een onderwerp, een tekst, een boodschap, een concept. De grootste theatertruc is misschien wel de truc om trucs te verstoppen, om te doen alsof men niet doet alsof. Maar de theaterkunst opereert in de voormorele diepten van de toeschouwersziel, daar waar de waarden zich pas in staat van wording bevinden. Als de spontane verwoording van de lust en het leven is het die kunst die de ethiek taken geeft, en niet andersom.

 

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

Dirk Opstaele

artikel