Willy Thomas in De nacht vlak voor de bossen van Dito’Dito (1994-95) © Hans Roels

Leestijd 6 — 9 minuten

Bernard-Marie Koltès – Brigitte Salino

In 1989 viel niet alleen de Berlijnse Muur. Het was ook het jaar dat Magere Hein lelijk huishield onder de theaterschrijvers. Vooral de letter ‘b’ moest het zwaar ontgelden, met Samuel Beckett en Thomas Bernhard. In april van dat jaar overleed ook Bernard-Marie Koltès, amper 41, aan de gevolgen van aids.

Koltès was toen twaalf jaar bezig aan zijn openbaar leven en in die korte tijdsspanne was hij als een komeet komen opzetten op de internationale podia. Zijn faam berust op niet meer dan zes stukken, die echter nog steeds worden opgevoerd. Ook bij ons. Theater Antigone bracht Gevecht mé ne neger en honden (2003), de KVS ensceneerde zowel Roberto Zucco (2004) als In de eenzaamheid van de katoenvelden (2007).

Twintig jaar na zijn dood verscheen over Koltès de eerste biografie, ons bezorgd door Brigitte Salino, een theatercritica van de Franse krant Le Monde. Ze is een gezaghebbende stem. Vlaamse theatermakers die Parijs en Avignon aandoen kennen haar; ze schreef onder andere over Needcompany, tg STAN en het Toneelhuis.

Salino heeft hard gewerkt aan deze biografie. Zes jaar heeft ze erover gedaan, en in die periode is ze naar het familiebuitenverblijf in Pralognan-la-Vanoise gereisd, naar de jungle in Tikal en tot bij de hangars aan de Hudsonrivier in New York. Ze heeft brieven en manuscripten gelezen in het archief en met tal van belangrijke getuigen gesproken als Patrice Chéreau, Pierre Audi, Michel Piccoli, Luc Bondy en Pierre Boulez. Maar ook met Momo, Rasta en Carlos, de vrienden waarmee Koltès dagelijks optrok in het gore Pigalle in Parijs.

Die inspanningen dienden één doel: het beschrijven van een leven. Ze doet dat met grote precisie en een zekere terughoudendheid. Van een ambulante vagebond als Koltès reconstrueert ze niet alleen zijn talrijke reizen, maar ook menig appartementsadres, soms telefoonnummer incluis. Vooral uit Koltès’ jongerenjaren in Metz en Straatsburg komt ze met veel details, die weinig functioneel zijn om zijn schrijfcarrière te begrijpen. Salino ging eerder uit van administratieve volledigheid dan van inleving.

Het boek, simpelweg Bernard-Marie Koltès geheten, voert dan ook een papieren figuur op. Koltès had een engelach-tige uitstraling, was innemend, energiek en nieuwsgierig, maar voor velen een enigma, en dat is hij ook na dit boek gebleven. Wat baat het om te vermelden dat de schrijver naar Guatemala trok, naar Nigeria en Marokko, en zo vaak naar New York, als we nergens te weten komen wat zijn drijfveer was? Deze biografie is bijgevolg heel veel zaken niét. Hij schetst amper een context van het Franse theaterbestel in de jaren ’70 en ’80. Hoewel Salino zegt erg aangegrepen te zijn door die eerste La nuit juste avant les forêts, gaat ze nauwelijks in op de opvoeringen (de publicatie is trouwens niet geïllustreerd). Er is weinig ondernomen om de zo bijzondere schrijfstijl van Koltès te typeren. Mogelijke evoluties in het oeuvre zijn niet uitgewerkt. De schrijfster hoedt zich angstvallig voor interpretaties en besluiten.

Wat hebben we dan wél aan deze biografie? Er zit vooreerst een onderbelichte voorgeschiedenis in die Koltès zelf, eens vaste voet in Parijs, bewust buiten beeld gelaten heeft. Het zijn de kinderjaren in de garnizoenstad Metz en de studententijd in Straatsburg, beide gekenmerkt door besluiteloosheid. Voor zijn baccalaureaat is hij slechts ‘passable’, zijn journalistenopleiding begint hij met weinig overtuiging en beëindigt hij voortijdig. Zijn vader, een militair, neemt deel aan missies in Indochina en Algerije, en op zijn zestiende doet Bernard-Marie zelf Marokko aan. Reizen en avontuur zitten in zijn bloed. Na het zien van een theatervoorstelling met Maria Cassarès zou hij besloten hebben voor het theater te gaan schrijven. Een eigenaardige keuze, want later zal hij net zeer weinig theater bij wonen en vrijwel dagelijks naar de film gaan.

Koltès was een engelenkind. Meermaals werd hij in zijn leven begunstigd door invloedrijke mensen. Aan de toneelschool van Straatsburg viel hem een dubbele uitzondering te beurt: hij werd aanvaard zonder toelatingsproef én hij mocht theater maken buiten de opleiding. In deze kringen richtte hij het Théâtre du Quai op. De stukken die hij daarvoor schreef waren veelal bewerkingen: Gorki, de Bijbel, Dostojevski, Hamlet. Dat laatste stuk, uit 1974, is een eindpunt. Het Théâtre du Quai wordt ontbonden en Koltès zal er niet meer over spreken tot aan het eind van zijn leven. Daarna kent hij drie sombere jaren. Hij schrijft de sleutelroman La fuite à cheval très loin dans la ville, die pas tien jaar later wordt uitgegeven, en waarvan de ‘cheval’ (horse) alludeert op zijn heroïnegebruik.

In 1977 is hij opnieuw onder de levenden. In Parijs dit keer. Hij leidt er een dubbel bestaan. Er is het dagelijkse leven nabij Pigalle, met zijn kleurrijke figuren, travestieten en prostitués en de ‘familie’ van vrienden die elkaar in de Lux Bar (chez Madeleine) ontmoeten. Het is het homocircuit waar men opereert onder schuilnamen (Koltès staat bekend als Manu en Pedro) en zich rücksichtslos overgeeft aan het gevaarlijke nachtleven. Daarnaast is er het Parijse theatercircuit. Als Patrice Chéreau in 1980 zijn La nuit juste avant les forêts opvoert in Théâtre Nanterre-Amandiers, neemt Koltès’ schrijverscarrière een ongekende vlucht. Daarna zullen diverse organisaties hem een schrijfopdracht geven. Pierre Audi bestelt Dans la solitude des champs de coton voor het Almeida Theatre in Londen, en de Comédie Française vraagt Quai Ouest.

Een notie die bij de vertaalslag naar het Nederlands misschien verloren gaat, is de muzikaliteit van de taal. Al zeer vroeg zegt Koltès dat elk personage een mu ziek in zich draagt die men via een schriftuur kan uitdrukken. Later, in zijn Parijse jaren, verliest hij zijn interesse in Bach, Chopin en Beethoven en gooit hij zich op soul, afro en reggae. Salino merkt op dat zijn teksten minder lyrisch worden, een ander ritme en een andere puls krijgen. Het zou interessant geweest zijn om dit gegeven verder uit te werken, maar dat is niet gebeurd. Ze geeft wel enkele voorbeelden. In Combat de nègre et des chiens spreekt Léone met Elzasser tongval en bezigt Alboury het Wolof (taal uit West-Afrikaanse landen). In Quai Ouest schakelt Cécile over van Frans naar Spaans wanneer haar einde nadert, en van Spaans naar Quechua (volkstaal uit Ecuador en Peru) wanneer ze sterft. Koltès schreef geen gewone omgangstaal, hij wou het Frans geweld aandoen en de taal een nieuwe schoonheid bezorgen.

Bijna haaks daarop staat zijn streven naar levensechte personages. Uit zijn notities is af te leiden dat hij bij de personages vertrok en een uitgebreide historiek van hen uitwerkte. Die grondige aanpak, alsmede zijn talent tot schrappen, verklaart zijn uitzonderlijk trage werkproces. Meermaals stipt Salino de aanwezigheid aan van allochtone personages. Ze wijst er ook op hoe essentieel deze voor Koltès waren. Hij maakte bonje met Chéreau omdat die als blanke een zwart personage speelt in La solitude des champs de coton. Om dezelfde reden verbiedt hij bijna een opvoering in Hamburg. ‘Me vragen een stuk te schrijven zonder zwarte’, citeert Salino hem, ‘is als een fotograaf vragen een foto te maken zonder licht.’ Helaas grijpt Salino de gelegenheid niet aan om het beeld van ‘de vreemde’ in Koltès’ stukken uit te werken.

Deze eerste biografie van Koltès laat heel wat vragen onbeantwoord. Desondanks blijft Salino, binnen de grenzen die ze zichzelf telt, trouw aan haar opdracht. Over de aidsjaren en de medische verwikkelingen spreekt ze zonder schroom, maar eveneens zonder spektakel of pathos. Zonder noemenswaardige verzwakkingsverschijnselen blijven toon en werkwijze overeind tot aan het slot. Grondig werk, zij het niet altijd op het meest interessante terrein.

Brigitte Salino, Bernard-Marie Koltès, Editions Stock, Paris, 2009,360 p.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#121

01.04.2010

31.08.2010

Geert Sels

Geert Sels (1965) is cultuurredacteur bij De Standaard. Voordien werkte hij onder meer bij de vrt en De Morgen. Hij is de auteur van Accidenten van een zaalwachter, over Luk Perceval.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!