Raf Weverbergh

Leestijd 22 — 25 minuten

Belgische roulette

Het ‘sociaal statuut’ van ‘de’ artiest

Maandelijks komt een aantal kunstenaars op straat om hun vraag naar een sociaal statuut voor artiesten kracht bij te zetten. Tijdens de aanloopperiode naar de verkiezingen was er een opbod aan politieke voorstellen over de sociale zekerheid en het statuut van de artiest. Raf Weverbergh overloopt de meest gehanteerde begrippen en de meest bediscussieerde wettelijke bepalingen en nieuwe voorstellen die de theatermaker aangaan.

Het ‘sociaal statuut van de artiest’ heeft de jongste tijd veel inkt doen vloeien: er worden plannen opgesteld, eisen geformuleerd, nieuwe decreten onder de loep genomen, wetsvoorstellen bekritiseerd en onderzoeken gedaan. Maar wie de zaken probeert te volgen in de krant zal het behoorlijk lastig hebben om zich een exact beeld te vormen van wat er aan de hand is, omdat het wettelijk kader waarin de artiest gevangen zit niet helemaal duidelijk is, maar ook door retorische problemen.

Een uitspraak als ‘Het sociaal statuut van de artiest lijkt nergens op’ suggereert dat er zoiets bestaat als een aparte categorie in de wetgeving, met op maat gesneden regelgeving over de arbeidsrechtelijke, de fiscale en de socialezekerheidspositie van de artiest. Die bestaat dus niet. Moet dat statuut er komen? Is het wel opportuun? Er zijn nòg beroepen met statutaire problemen, waarom dan voorrang geven aan artiesten? Daartegenover staat dat voetballers wel al een statuut hebben. Een statuut voor kunstenaars zal trouwens niet eenvoudig te ontwerpen zijn, onder andere door het simpele gegeven dat beeldende kunstenaars, acteurs, dansers en muzikanten elk verschillende noden hebben. Wie een sociaal statuut van ‘de artiest’ probeert uit te werken, schopt ongetwijfeld tegen de schenen van één of meerdere van die subgroepen. Zelfs wie voor acteurs en dansers – twee categorieën die betrekkelijk dicht bij elkaar aanleunen (hoewel…) – een omvattend statuut wil ontwerpen, mag zich verwachten aan politieke tegenwind. De vraag of het niet beter is om kleine aanpassingen te doen binnen het bestaande wettelijke kader, is in dat opzicht pertinent, want aan de sociale zekerheid sleutelen heeft onvermijdelijk een prijskaartje. Een poging om enkele zaken op een rijtje te krijgen.(1)

Geschiedenis

Dat een ‘sociaal statuut van de podiumkunstenaar’ niet bestaat, is niet verwonderlijk, want in het sociaal recht worden maar vier stelsels of ‘sociale statuten’ met een uitgewerkte regeling onderscheiden: voor werknemers, zelfstandigen, overheidspersoneel en een residuaire groep.(2) Kwantitatief het belangrijkste is het stelsel voor werknemers. De socialezekerheidspositie die iemand inneemt, wordt bepaald door zijn arbeidsrechtelijke positie: wie werknemer is, valt in het socialezekerheidsstelsel voor werknemers. Idem voor zelfstandigen en overheidspersoneel. De band tussen arbeidsrechtelijke positie en socialezekerheidspositie is dus absoluut. Behalve, soms, bij de podiumartiest. Soms, want voor artiesten geldt hetzelfde als voor andere categorieën: wanneer zij worden aangenomen met een arbeidscontract, ressorteren zij evengoed onder het socialezekerheidsstelsel voor werknemers. Maar voor de zeer ruim opgevatte categorie ‘schouwspelartiesten’ bestaat er ook nog een uitzonderingsregel.

In de wet van 27 juni 1969(3) krijgt de koning de bevoegdheid om diezelfde wet ‘betreffende de maatschappelijke zekerheid van arbeiders’ uit te breiden. Hij mag, luidens artikel 2, §1,1, de wet van toepassing verklaren op personen die niet met een arbeidsovereenkomst werken en die dus géén werknemer zijn. Die personen, die in casu zelfstandigen zijn, kunnen dan genieten van dezelfde sociale bescherming als de werknemers, een bescherming die veel verder strekt dan die van zelfstandigen. De koning heeft van deze uitbreidingsmogelijkheid gebruik gemaakt, onder andere voor de ‘schouwspelartiesten’, in een Koninklijk Besluit van 28 november 1969 (art. 3,2°).

De schouwspelartiest kan van dan af genieten van dezelfde ruime sociale bescherming als een werknemer. Op het eerste gezicht lijken daarmee veel problemen van de baan, maar in plaats van een oplossing, zagen gigantische misverstanden het levenslicht. We signaleren de drie grootste problemen.

a) Ten eerste is er de vreemde kronkel die ontstaat in de wetgeving: de arbeidsrechtelijke positie wordt afgesneden van de socialezekerheidspositie. De absolute band tussen arbeidsrecht en sociale zekerheid wordt dus ‘doorgeknipt’, hetgeen de zaken er administratief gezien niet gemakkelijker op maakt. Een schouwspelartiest kan immers geëngageerd worden als zelfstandige, maar voor de sociale zekerheid wordt hij beschouwd als werknemer. Theoretische spitstechnologie, maar nauwelijks bruikbaar. Ter vergelijking: ook Frankrijk sleutelde in het jaar ’69 aan de sociaalrechtelijke positie van de artiest. De Franse overheid opteerde echter voor een elegantere oplossing. Zij besliste dat elk contract dat met een schouwspelartiest gesloten wordt, voor de wet vermoed wordt een arbeidscontract te zijn. In Frankrijk bleef de band tussen socialezekerheidspositie en arbeidsrecht dus wél intact.

b) Los daarvan, is artikel 3,2° niet bepaald een parel van een tekst. Wanneer de koning de toepassing van de wet uitbreidt naar niet-werknemers, moet hij ook een (pseudo-)werkgever aanduiden, zo bepaalt de wet. Artikel 3, 2° van het KB vermeldt als werkgevers ‘de personen die deze (schouwspelartiesten) aanwerven’. Maar wie werft een schouwspelartiest aan? Het gezelschap of de organisatie waar het gezelschap op bezoek komt? Bepalen wie die pseudo-werkgever is, wordt daardoor een soort van vogelpik. Dat de identiteit van de pseudo-werkgever nochtans van enorm belang is, blijkt uit diens verplichting om op te draaien voor alle verplichtingen die normaal op een werkgever rusten: aangifte doen en de werkgeversbijdragen betalen. Zo werd het dus een centenkwestie. De occasionele organisator van evenementen laat de administratieve rompslomp (en de betalingen) liever aan zich voorbijgaan, en de theatergezelschappen, dansgroepen en muziekensembles schuiven vanuit hun situatie de zwarte piet ook liever door: van de organisator naar het gezelschap, van het gezelschap weer naar de organisator. Iedereen wast zijn handen in onschuld, niemand betaalt de werkgeversbijdragen. Iedereen tevreden, behalve de socialezekerheidsinstanties en de schouwspelartiesten: wie officieel niet gewerkt heeft, kan onvoldoende arbeidsdagen bewijzen voor de werkloosheid en heeft het zeer moeilijk om aan de uitkeringen te geraken waar hij recht op zou kunnen hebben.

In dit verband formuleerde S. Gysen in 1985 een zorgwekkende opmerking: ‘Waarom is de RSZ zo laks?’ vraagt hij zich af.(4) Is het omdat cultuur anders te duur wordt? Als dat klopt, betekent het dat de overheid niet bereid is om voldoende geld uit te geven aan de culturele sector, om ervoor te zorgen dat schouwspelartiesten hun beroep op een leefbare manier kunnen oefenen. Door al dat zwartwerk blijven de prijzen kunstmatig laag en dat zou de overheid goed uitkomen. Slachtoffer: de schouwspelartiest. Om te onthouden bij de behandeling van de politieke onwil’, verderop in dit artikel.

c) Daarnaast oordeelden vele schouwspelartiesten aanvankelijk – niet helemaal onterecht, zoals zal blijken – dat artikel 3, 2° niet van toepassing was op hen.

De reden daarvoor is grondwettelijk. De koning mag namelijk niet op eigen houtje wetten maken, uitbreiden of op een algemeen bindende wijze interpreteren, die bevoegdheid komt alleen toe aan de wetgevende macht. Als hij van de wetgevende macht de toestemming krijgt om de toepassing van een wet uit te breiden of te verruimen, moet hij binnen de grenzen blijven van de voorwaarden die gesteld worden in die wet. In artikel 2, §1,1 van de wet van 27 juni 1969 staat dat de koning de toepassing van de wet mag verruimen. Maar er staat ook voor wié hij dat mag doen, met name voor twee categorieën van mensen: zij die zonder arbeidsovereenkomst ‘tegen loon prestaties verrichten onder gezag van iemand anders’ en zij die ‘arbeid verrichten in gelijkaardige omstandigheden als een arbeidsovereenkomst’. Die categorieën – zouden – moeten gelezen worden als voorwaarden. Dat wil zeggen: men moet eerst nagaan of iemand onder één van deze twee bepalingen valt, en daarna of hij onder de voorwaarden van artikel 3,2° van het kb valt. Althans, dat was de mening van sommige schouwspelartiesten en van sommige Arbeidshoven. Het Hof van Cassatie was het niet met deze zienswijze eens. Het oordeelde dat alleen de voorwaarden in artikel 3,2° van het kb belang hadden. Die voorwaarden zijn: 1. schouwspelartiest zijn en 2. loon ontvangen. Als deze twee voorwaarden vervuld zijn, beweerde het Hof van Cassatie, dan zijn de voorwaarden van de wet ook vervuld. Het Hof van Cassatie las de voorwaarden met andere woorden in de tegenovergestelde richting, zonder die optie echt afdoende te motiveren.

Een fictief voorbeeld om de fout in de redenering van Cassatie te duiden. Stel dat een wet de doodstraf invoert voor bepaalde categorieën van misdadigers die veroordeeld zijn voor moord – zeg militairen – en dat de koning de toepassing van de wet mag uitbreiden. Stel dat de koning van die gelegenheid gebruik maakt om te oordelen dat ook journalisten die een moord op hun geweten hebben, terechtgesteld moeten worden. Hij schrijft dus: ‘de wet wordt uitgebreid tot journalisten’. Cassatie zou dan beweren: wie journalist is, wordt terechtgesteld, zonder dat het rekening houdt met de moord waarvan in de wet sprake is. Het voorbeeld is vanzelfsprekend nonsens, maar de eigenaardige omgekeerde redenering van Cassatie is wel net dezelfde als in het geval van artikel 3,2°.

Deze absolute lezing werd in de loop van de jaren ’80 de ‘vaste rechtspraak’ van het Hof van Cassatie. Het gevolg was, dat praktisch iedere schouwspelartiest voor de sociale zekerheid als werknemer werd beschouwd. Incipit het probleem van de pseudo-werkgever, en van het ‘zwartepieten’, want nu was er werkelijk geen ontsnappen meer aan. En om de zaken nog een beetje te bemoeilijken, stond de RSVZ, de socialezekerheidskas voor zelfstandigen, nog tot 1987 (!) inschrijvingen van schouwspelartiesten toe, dus tot tien jaar nadat Cassatie al voor de eerste keer had besloten dat zulks eigenlijk niet meer kon. Gevolg: een fikse rel tussen de RSZ en de RSVZ, met als slachtoffer: de schouwspelartiest, wiens hoofd duizelde.

Sommige auteurs menen dat Cassatie in deze materie niet zo verschrikkelijk zwaar heeft geblunderd en dat het hoe dan ook ‘een kwestie van twintig jaar geleden’ is. Zij hebben daarin zowel gelijk als ongelijk. Ten eerste is de blunder van Cassatie inderdaad beredeneerd. Het is immers verschrikkelijk moeilijk om criteria op te stellen voor de twee categorieën in de wet, zoals blijkt uit de gewraakte rechtspraak van de Arbeidshoven. Men dient voor ogen te houden dat de schouwspelartiest dus effectief als zelfstandige moet werken, maar dat hij desondanks ofwel ‘onder gezag en tegen loon’ moet werken, ofwel ‘in gelijkaardige omstandigheden als een arbeidscontract’. Die twee voorwaarden zijn eigenlijk onverenigbaar met het concept ‘zelfstandige’, iets wat men kan merken in de vernietigde rechtspraak van de Arbeidshoven. Die proberen om criteria vast te leggen, maar echt doorzichtig en onproblematisch zijn hun criteria niet. Indien Cassatie dus streng de hand zou houden aan deze voorwaarden, zou ongeveer elke schouwspelartiest argumenten kunnen aanhalen om te bestrijden dat hij in deze categorieën thuishoort, en concluderen dat het KB dus niet op hem van toepassing is. Daardoor zou de bedoeling van het KB uitgehold worden. Het was met andere woorden handiger om het artikel fout te lezen. Dat neemt niet weg dat er een fout gemaakt is.

Ten tweede is de materie inderdaad deels achterhaald, omdat het Hof van Cassatie nu eenmaal het laatste woord heeft, en ten slotte door enkele decreten die de federale regeling voor sommige schouwspelartiesten ‘ingehaald’ hebben.

2. Huidige positie

Het lijkt er dus op dat er twee mogelijke posities zijn voor artiesten. Een eerste is die waarin een ‘schouwspelartiest’ een arbeidscontract op zak heeft. In dat geval valt hij onder de sociale zekerheid voor werknemers. Een tweede is die waarin de schouwspelartiest géén arbeidscontract heeft afgesloten. Dan valt hij onder de uitbreidingsregeling van art. 3,2° KB 28 nov. 1969. Tot hiertoe lijkt alles dus nog redelijk eenvoudig: ofwel arbeidscontract, waar weinig organisatoren happig op zijn, ofwel uitzonderingsregel, die in de praktijk al te graag ‘ontweken’ wordt.

Tot nu toe hebben we echter alleen de socialezekerheidsregeling behandeld, wat een federale materie is. Een Belgisch probleem duikt nu op. Voor de socialezekerheidspositie van de schouwspelartiesten is de Belgische, federale overheid bevoegd, voor ‘culturele aangelegenheden’ (onder meer de subsidiëring) de Gemeenschappen. Op 14 januari 1993 vaardigt de Vlaamse Gemeenschap een decreet uit, waarin zij de subsidies regelt voor de werking van organisaties voor podiumkunsten.(5) In dat decreet blijkt dat de Vlaamse Raad een andere definitie van podiumkunsten hanteert dan de federale overheid.

De federale overheid heeft het in zijn KB van 1969 over ‘de schouwspelartiest’, en probeert daarmee een zo ruim mogelijke groep van artiesten te beslaan: ongeveer iedereen die tegen betaling op een podium klimt, valt onder de categorie ‘schouwspelartiest‘ – ook stripteaseuses. De Vlaamse Raad heeft het over podiumkunsten, en bedoelt daar uitsluitend ‘alle activiteiten op het vlak van dramatische kunst‘ mee, te weten: alle vormen van teksttheater, muziektheater (opera), figurentheater, dans, en alle mengvormen, die gesubsidieerd en erkend worden.

Het voor deze problematiek belangrijkste element van het decreet ligt vervat in de volgende voorwaarde: om aanspraak te kunnen maken op erkenning en subsidiëring moet men de cao Podiumkunsten(6) naleven. Daaruit volgt dat er ergens een arbeidsovereenkomst moet bestaan, maar bij wie is van geen tel: het gezelschap of een andere organisatie mag de artiest aannemen. In de praktijk zijn vele theater-, dans- en operavoorstellingen gesubsidieerd. Gevolg: artikel 3, 2° van het kb van 1969 heeft geen belang meer voor die acteurs, dansers (en operazangers), want wie aangeworven wordt als werknemer, valt, zoals eerder gezegd, rechtstreeks onder de sociale zekerheid voor werknemers. De uitzondering die in het kb van 1969 op poten wordt gezet, wordt dus (voor zover het over ‘gesubsidieerde’ acteurs, dansers en operazangers gaat) geamputeerd door dit decreet. Geen slechte zaak overigens, want de problemen van de acteurs en de dansers zijn daarmee, kwantitatief tenminste, voor het grootste deel opgelost: geen theoretische spitstechnologie meer, geen vermenging van water en vuur door de ingewikkelde afsplitsing tussen arbeidsrecht en sociale zekerheid. De band tussen arbeidsrecht en socialezekerheidspositie is dankzij het decreet hersteld, en de toestand is al iets overzichtelijker geworden.

Maar. De terminologie van het decreet is niet gelijklopend met die van de federale regeling. Het decreet vertrekt immers vanuit de subsidieproblematiek en laat zich – zogenaamd -niet in met de problematiek van de sociale zekerheid. Het kan zich ook niet expliciet inlaten met de socialezekerheidspositie van alle ‘schouwspelartiesten’, want daarvoor is het niet bevoegd. Het mag natuurlijk wel voorwaarden stellen voor de subsidiëring. En hoewel de twee regelingen een verschillende doelstelling hebben, komen zij in eikaars vaarwater: het decreet eist een arbeidscontract en onttrekt daardoor de gesubsidieerde acteurs, dansers en operazangers de facto aan de federale uitzonderingsregeling voor ‘schouwspelartiesten’. Dat kan voor conflicten zorgen bij het ontwerpen van een nieuwe federale regeling -cf. infra. Daarnaast zorgt het voor twee snelheden: de artiesten die werken bij organisaties die onder het decreet vallen, zijn betrekkelijk goed af, de anderen, die dus nog ressorteren onder art. 3,2° KB, zijn beduidend slechter af.

Ten tweede geldt het decreet enkel in Vlaanderen. Voor de Franstalige Gemeenschap is er een gelijkaardig decreet, maar dat is, dixit onze bron daarover, ‘van lagere kwaliteit’. En Brussel dan? In Brussel hangt alles af van wie (eventueel) subsidieert. Voor organisaties die door de beide gemeenschappen worden gesubsidieerd – niet dat ze talrijk zijn -, kan dat problemen opleveren.

Het gevolg van deze verschillende regelingen is een verregaande verbrokkeling van het landschap. Waar er aanvankelijk keuze leek tussen twee posities, blijken het er nu vier te zijn. De federale terminologie, die uitgaat van ‘de schouwspelartiest’, telt nu enkele blinde vlekken: de Vlaamse en de Waalse’podiumkunstenaars’ die werken bij een gesubsidieerde en erkende organisatie maken er geen deel meer van uit. Voor de federale overheid is het dus niet makkelijk om nu te gaan sleutelen aan de sociale positie van de ‘schouwspelartiest’, omdat haar regeling deels achterhaald is door de decretale realiteit en deels niet, maar wel als uitgangspunt moet dienen voor een nieuwe regeling. En dat er nagedacht wordt over een nieuwe regeling voor de ‘schouwspelartiesten’, weerhoudt de ‘podiumkunstenaars’/ ‘decretalen’ er niet van om in deze materie ook hun zegje te komen doen. De vraag is evenwel in hoeverre een nieuwe federale regeling invloed zal hebben op de positie van deze ‘podiumkunstenaars’. Het decreet blijft immers van kracht en wordt binnenkort opgevolgd door een nieuw decreet dat dezelfde krachtlijnen behoudt.

Daarbij komt nog dat er verschillende opvattingen bestaan over waar het nu heen moet met een nieuwe regeling. Artikel 3, 2° afschaffen, hoor je langs de ene kant. Artikel 3, 2° werkbaar maken, klinkt het elders. Schouwspelartiesten moeten kunnen kiezen voor een zelfstandigenstatuut, zeggen sommigen. Nee, want dan gaan de organisatoren hen in zo’n zelfstandigenstatuut dwingen omdat dat goedkoper uitkomt, zeggen de tegenstanders, en een werknemersstatuut is over het algemeen voordeliger voor de artiest. Een volledig uitgewerkt statuut voor alle kunstenaars: beeldende kunstenaars, pop- en rockmuzikanten, acteurs, dansers, klassieke musici, via een radicale hervorming van de socialezekerheidsfinanciering om dat alles te bekostigen? En hoe communautair is deze hele materie?

3. Toekomstmuziek: symfonie voor één croupier

In de afgelopen legislatuur zijn al vijf wetsvoorstellen ingediend om iets te wijzigen aan de situatie van schouwspelartiesten – tussen het moment dat ik dit schrijf en het ter perse gaan van dit artikel kunnen er nog opduiken. In die wetsvoorstellen zijn twee grote lijnen te herkennen: er zijn de minimalistische – of pragmatische – en de maximalistische voorstellen.

De pragmatische lijn wil beginnen met het blussen van de grootste vuurhaarden, om daarna eventueel specifieke regels aan te passen. In feite kan men stellen dat de pragmatische lijn geen inhoudelijke oplossingen formuleert, maar begint met een kader te schetsen, waarbinnen schouwspelartiesten zouden bestaan. Een hele stap vooruit, daar zal iedereen het mee eens zijn. Probleem van die pragmatische lijn: voor de podiumkunstenaars die al onder het decreet vallen, verandert er dus niet veel, omdat – grosso modo – alle andere schouwspelartiesten in een met het decreet vergelijkbare toestand terechtkomen. Een voordeel daarvan is natuurlijk dat er op die manier al flink genivelleerd wordt: het grote onderscheid dat nu bestaat tussen decretalen en niet-decretalen wordt ontdaan van zijn scherpste kanten. Een bijkomend voordeel is dat er tenminste enige beweging zit in die pragmatische lijn, wat van de maximalistische voorstellen niet kan gezegd worden.

De maximalistische voorstellen schetsen niet alleen een kader maar brengen ook inhoudelijk wijzigingen aan in de sociale wetgeving: nieuwe manieren om werkloosheidsuitkeringen te berekenen, om pensioenen te berekenen, dat soort dingen. Het grootste probleem van dit soort voorstellen is dat ze onvermijdelijk geld kosten – of tenminste, dat ze geld zouden kunnen kosten, want kostenvoorspellingen hebben de neiging om verder uiteen te liggen naargelang de factie die het onderzoek laat uitvoeren meer of minder gekant is tegen een voorstel. En een prijskaartje is schijnbaar een onoverkomelijke barrière om door het parlement te geraken.

Communautair dan? Wel, de Franstalige kant (vooral de PS) is blijkbaar meer geïnteresseerd om de zaak inhoudelijk aan te pakken, de Nederlandstalige kant wil dan weer beginnen met een kader. De zaak lijkt op die manier muurvast te zitten, en veel consensus lijkt er niet bereikt. Ook al omdat intussen ongeveer iedereen zijn wetsvoorstelletje heeft ingediend. André Nayer, de spreekwoordelijke grote expert in de materie en één van de directe inspirators van de maximalistische lijn, verbaasde zich daarover in een radio-uitzending op een Franstalige zender, eind maart ’99. ‘In plaats van twee posities, blijken er nu opeens vijf te bestaan,’ zei hij. Zes as we speak, maar hij heeft volkomen gelijk: wie de wetsvoorstellen bekijkt, ziet dat ze allemaal op het continuüm tussen een volledig inhoudelijke regeling en een minimale ingreep liggen, met hier en daar een nuanceverschil en af en toe ook een fundamenteel verschil. Hoe moet je van de Kamer verwachten dat zij een keuze gaat maken tussen die zes voorstellen, elk met zijn merites en zwakke punten?

Het recente voorstel van Luc Goutry en Stefaan De Clerckvalt om verschillende redenen op. Het werd gelanceerd toen het sociaal statuut van de schouwspelartiest weer eens ‘brandend actueel’ was, dus het kreeg behoorlijk wat persaandacht – mooi meegenomen in een verkiezingsjaar. Daarnaast is het – ere wie ere toekomt -een elegant voorstel, waar je schijnbaar niet veel op tegen kunt hebben. Het behoort eerder tot de pragmatische lijn. Dat wil zeggen dat het zich alleen bezig houdt met de socialezekerheidspositie van schouwspelartiesten, de fiscale positie komt (nog) niet aan bod. Ook de financiële impact voor de overheid blijft beperkt.

De bedoeling van het wetsvoorstel is drieledig: ervoor zorgen dat de sociale bijdragen eindelijk effectief betaald worden, op een controleerbare manier; de administratieve moeilijkheden van de schouwspelartiesten beperken; de opdrachtgever verlossen van de administratieve verplichtingen waaraan hij normaal als werkgever moet voldoen.

Het begint met art. 3, 2° KB op te heffen -wat geen slechte zaak is. Voorts zouden alle schouwspelartiesten zich moeten aansluiten bij een Secretariaat voor Podiumkunstenaars (SPK), een soort mengeling tussen een sociaal secretariaat en een interimkantoor. Een echt interimkantoor zou het niet mogen zijn, aangezien uitzendarbeid – in ruime zin: het ter beschikking stellen van personeel aan een andere werkgever – streng gereglementeerd is, en ten tweede omdat het SPK in geen enkel geval zou bemiddelen met de werkgever. Hoe dat in de praktijk zal functioneren moet nog bekeken worden. Het SPK zou in de eerste plaats bepalen of een schouwspelartiest eerder als zelfstandige opereert, of eerder als werknemer, afhankelijk van diens ‘sociaal-economische realiteit’. Als het de schouwspelartiest als werknemer klasseert, zou het meteen ook al diens administratieve rompslomp op zich nemen – tenminste alles wat met zijn arbeidsrechtelijke positie te maken heeft, een belangrijke nuancering. Het zou de bedrijfsvoorheffingen storten, voldoen aan de werkgeversverplichtingen (die zo’n belangrijke rol spelen in het falen van art. 3, 2° kb) en een factuur opstellen voor degene die de schouwspelartiest aanwerft. Een regeling die dus voordelen biedt, zowel voor de ‘decretalen’, als de rest.

De schouwspelartiest is er daarnaast zeker van dat hij sociaal beschermd is, omdat het kantoor ook de werkgeversverplichtingen op zich neemt die bij de sociale zekerheid horen: de werkgeversbijdragen. Voor de artiesten die nu onder art. 3,2° van het KB vallen, is dat een verbetering van honderd procent. Voor de ‘decretalen’ heeft dat normaal gezien weinig belang.

Een laatste wijziging waar veel mensen op zitten te wachten, is het gegeven dat een artiest zich weer bij de RSVZ kan aansluiten als hij dat wil en als de secretariaten dat in overeenstemming achten met zijn ‘sociaal-economische realiteit’. Voor artiesten, die van zichzelf al lang vonden dat ze groot genoeg waren om als zelfstandige te worden beschouwd, wordt die mogelijkheid dus eindelijk geopend.

De werkgever, die in het verleden niet al te happig was om zijn verplichtingen na te komen – zeker niet als het om eenmalige organisaties ging -, is nu ook verlost van de papierwinkel die bij het werkgeverschap komt kijken. Hij krijgt van het SPK een factuur, hij betaalt die, en dat is dat. Het nettoloon wordt door het SPK aan de artiest betaald. Dat klinkt allemaal heel elegant – en dat is het eigenlijk ook -, maar hier komt een kink in de kabel.

Om hetzelfde nettoloon te krijgen als onder art. 3,2° KB – in welk systeem het nettoloon het brutoloon verdacht dicht benaderde -, zullen artiesten dus meer dan het dubbele moeten factureren. Anders gezegd: de organisator van culturele evenementen ziet zijn budget en daarmee zijn affiche gehalveerd. Dat betekent concreet dat cultuur een pak duurder wordt, of dat artiesten minder werk zullen vinden, of dat artiesten genoegen zullen moeten nemen met minder geld voor hun prestatie. Of een combinatie van die drie. Het spaarvarkentje van de sociale zekerheid dat aanschuift aan de trog maakt de spoeling merkelijk dunner. Wim Van Goethem, fractiemedewerker van de CVP, pareert dit probleem. ‘Het is niet de bedoeling om de culturele sector te nekken. De kans dat cultuur duurder wordt is inderdaad reëel, maar aan de andere kant: artiesten vragen sinds jaar en dag een statuut. Nu krijgen ze er één dat volgens ons werkbaar is, en dat heeft natuurlijk een prijs. Iemand die een gewone kantoorjob heeft, krijgt tenslotte ook niet zijn brutoloon mee naar huis. Overigens kan niemand de impact van deze regels op voorhand inschatten. Onze stelling is hoe dan ook: beter dit, dan zwartwerk, want dat levert alleen maar problemen op.’

Een probleem dat de werkgevers van de gesubsidieerde/decretale sector (bij monde van de VDP – Vlaamse Directies voor Podiumkunsten) bezighoudt, is die eigenaardige combinatie van interimkantoor en sociaal secretariaat. Ten eerste vrezen zij dat zo een regeling hen geld gaat kosten. Zij hebben de ervaring dat interimkantoren voor schouwspelartiesten, zoals die in Frankrijk en Nederland bestaan, hen nogal wat geld aanrekenen. Zij dringen er daarom op aan dat de werkgever die een artiest voor langere tijd in dienst neemt, de administratie zélf mag blijven doen. Die eis is in zekere zin gerechtvaardigd: waarom zouden zij geld uitgeven aan een tussenpersoon, wanneer zij al administratief personeel in dienst hebben? Daar staat dan wel tegenover dat de administratie van de artiest, die in het voorstel gecentraliseerd wordt, weer versplintert. Vele artiesten schnabbelen immers, en daarbij komt nog dat acteurs, bijvoorbeeld, dikwijls nog op tournee zijn voor één werkgever, terwijl ze al aan het repeteren zijn voor een andere.

Wanneer de kosten van het SPK zouden verhaald worden op de artiest of de overheid en niet op de werkgever, heeft de VDP daar in principe geen problemen mee, maar zij vrezen dat zij ervoor zullen opdraaien – iets wat in de tekst van het wetsvoorstel trouwens gesuggereerd wordt. Alles hangt af van de manier waarop deze Secretariaten voor Podiumkunstenaars in de praktijk zullen functioneren en/of gefinancierd worden.

Tweede probleem: de facturen die de werkgevers toegestuurd krijgen van het SPK zouden hen in conflict kunnen doen komen met de regels van het decreet. Het podiumkunstendecreet verplicht gesubsidieerde organisaties immers om een deel van de subsidies te besteden aan loonkosten. De ervaring van de VDP is dat de Vlaamse Gemeenschap niet veel zin heeft om uit te pluizen waar in een factuur het aandeel loon verscholen zit. Liesbeth Dejonghe van de VDP: ‘We hebben dat al gemerkt met de interimkantoren voor artiesten uit Nederland en Frankrijk. De Vlaamse Gemeenschap valt daar soms over, omdat het aandeel loon in zo’n factuur moeilijk af te zonderen is.’ Ook hier hangt veel af van de manier waarop de eventuele wet ten uitvoer wordt gebracht. Misschien dat de modelovereenkomst – waarop het bedrag moet vermeld zijn – als een eenvoudig bewijsmiddel kan dienen.

Een laatste nieuwigheid in het voorstel De Clerck/Goutry is de oprichting van een Dienst voor Podiumkunstenaars, een gezamenlijke dienst van de RSZ en de RSVZ, die over de toepassing van deze wet waakt. In het voorstel wordt elke podiumkunstenaar verplicht om zich te laten registreren bij deze dienst. Wie dat niet doet, kan niet als podiumartiest werken. De dienst zorgt ervoor dat artiesten onder het juiste statuut opereren (zelfstandige of werknemer) en houdt toezicht op het veld. Wie de wet met de voeten treedt, wordt gestraft: podiumartiesten kunnen geschorst worden, en de opdrachtgevers worden, zoals in de bouwsector, hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van de bijdragen. In de praktijk wil dat zeggen dat een opdrachtgever er geen belang meer bij heeft om mensen in het zwart te engageren, omdat hij, als hij dat wel doet, de kans loopt om het gelag te moeten betalen. En artiesten zullen niet meer staan springen om in het zwart te werken, want wie gepakt wordt, hangt een schorsing boven het hoofd, en dat betekent dat ze zichzelf zouden broodroven.

4. ‘Platte politiek’

Zoals we al signaleerden: als dit voorstel wet wordt, zou het drie stappen vooruit zijn. Een wetsvoorstel wordt echter niet uitsluitend op zijn inherente kwaliteiten beoordeeld, maar evenzeer op zijn indiener. In dit geval zijn de indieners twee CVP’ers: Stefaan De Clerck en Luc Goutry. Het lijkt erop dat er een redelijk ruime consensus bestaat over dit voorstel, zeker aan de Vlaamse kant. Het is dan ook duidelijk een compromisvoorstel: het voorstel van de SP (Vermassen en Vandenbossche) heeft minstens als inspiratie gediend voor sommige van de voorgestelde wijzigingen aan het systeem (het spk, geïnspireerd op het ‘boekingskantoor’ van de SP, de modelovereenkomst, de Dienst voor Podiumkunstenaars, die in het SP-voorstel wel alleen onder de RSZ zou ressorteren), en het is daarom niet ondenkbaar dat de sp zich hiermee kan verzoenen. Het probleem zit aan Franstalige kant.

De PS met name, heeft haar eigen voorstel – ingediend door Moriau en Toussaint, dat gebaseerd is op de ideeën van de eerder genoemde André Nayer. De krachtlijnen van hun voorstel zijn zowat de antipode van het voorstel De Clerck/Goutry. Ten eerste is het toepassingsgebied véél ruimer: alle artiesten worden geviseerd. Schilders, componisten, auteurs, musici, acteurs, noem maar op, zouden voor de sociale zekerheid allemaal een apart statuut krijgen, waarbij zij de bescherming zouden genieten ‘zoals de werknemers’. Om dat systeem te betalen, opteren zij voor een alternatieve financiering. Dat is een zeer ingewikkelde operatie waarbij elk bedrijf dat een artiest engageert, een percentage van hun omzet in een solidariteitskas zou storten. Voor de Vlaamse partijen – en ook enkele Franstalige partijen – is zoiets onbespreekbaar. Zij vinden dat de ps op die manier de kosten van hun voorstel uit de federale schatkist zou halen (de ‘solidaire middelen’, het geld van de sociale zekerheid – en dan zitten we met een politiek onverkoopbare ‘transfer’), terwijl zij vinden dat eventuele tegemoetkomingen aan artiesten moeten betaald worden uit de gemeenschaps- of gewest-kassen (algemene middelen – die uit de gedeeltelijk autonome fiscale inkomsten komen). De hemel beloven kost geld, en de Vlaamse partijen vinden dat Wallonië daar dan maar zelf voor moet opdraaien.

Laat er dan al een meerderheid te vinden zijn voor het voorstel De Clerck/Goutry, als de PS niet van haar standpunt wijkt, kan het voorstel onmogelijk nog in deze legislatuur gestemd worden. (Ik schrijf dit twee weken voor de ontbinding van het parlement.) In het regeerakkoord staat namelijk een zinnetje dat ‘wisselmeerderheden’ verbiedt, een soort trouwbelofte tussen de meerderheidspartijen. De andere meerderheidspartijen mogen dus de PS niet openlijk isoleren in het parlement. Wanneer dat wel gebeurt, komt er een gigantische crisis, en niemand is van plan om voor een dergelijk ‘marginaal’ wetsvoorstel de PS tegen de kar te rijden.

Zorgen voor de volgende legislatuur, maar hier schijnt dan weer een straaltje hoop voor de voorstanders van het voorstel. De kansen van mede-indiener Stefaan De Clerck om in de volgende regering te zitten, mogen vrij hoog ingeschat worden. De mogelijkheden die dat opent voor dit voorstel zijn voorzichtig hoopgevend. Ofwel wordt het in het regeerakkoord binnengesmokkeld, en dan zou er beweging in kunnen zitten. Ofwel kan De Clerck zijn collega’s in de regering tenminste ‘sensibiliseren’ om de politieke prioriteit van dit wetsvoorstel gevoelig te verhogen. Ofwel, en met die mogelijkheid moet terdege rekening gehouden worden, houdt de PS het been stijf en dan gebeurt er niks, hetgeen in de lijn zou liggen die nu al dertig jaar wordt aangehouden: veel wetsvoorstellen, geen resultaten. Ofwel komt er een andere coalitie – met de liberalen, zeg -en wat er dan gebeurt is onmogelijk te voorspellen. Mesdames et messieurs, faites vos jeux.

5. De onverteerbare rest

Het voorstel De Clerck/Goutry, al heeft het zijn verdiensten, heeft noodzakelijk inhoudelijke beperkingen. Enkele zaken worden niet geregeld, enkele zaken kunnen gewoon niet geregeld worden. En de zaken die wel geregeld zijn, blijken kwalitatief gezien in grote mate afhankelijk van de manier waarop dit wetsvoorstel er in de praktijk zal uitzien – wie de rekening betaalt, om te beginnen.

Alvast één aspect kan onmogelijk op een afdoende manier geregeld worden, en dat is de verdergaande internationalisering van de culturele sector. Voor dans was dat al langer een probleem, maar met de mogelijkheden van discrete boventiteling die nu bestaan, gaan ook hoe langer hoe meer theatermakers de boer op. Het administratieve geweld dat daar bij komt kijken, zou minder volhardende geesten al snel de lust benemen om nog op een tourbus te gaan zitten, zelfs binnen het eengemaakte Europa.

Normaal gezien valt iemand die in een ander land dan zijn thuisland gaat werken, onder de sociale zekerheidsregeling van het gastland. Daarop is een uitzondering voorzien, die ‘detachering’ heet. Door een detacheringsconstructie blijf je ressorteren onder het socialezekerheidsregime van je thuisland. En dan doemt de administratie weer op. De voorwaarden voor een detachering laten immers een ruime beoordelingsbevoegdheid aan de administratie om die al dan niet toe te staan, en af en toe hoor je wel eens de kreet ‘willekeur’ weerklinken in die context. Zelf gezien: de detacheringsaanvragen van twee Engelse artiesten die in nagenoeg dezelfde positie verkeerden in hun thuisland. Eén van hen kreeg zijn ‘E101’ (vergelijk het met dat formulier dat je nodig hebt om in Europa op reis te gaan en te kunnen rekenen op je ziekteverzekering, de E111), de andere niet. Motivering van de administratie: geen. Een stempel ‘geweigerd’ moest maar volstaan. Over de problemen die dat allemaal kan opleveren voor de socialezekerheidspositie van artiesten kunnen we het hier niet hebben – daarover kan je hele boeken schrijven. Wat we wel kunnen zeggen is dat een oplossing niet tot de mogelijkheden behoort. Politiek bedrijven in Europa is nog een stuk moeilijker dan in België, zeker als het over sociale zekerheid gaat. Europees gaan zal dus altijd impliceren dat je best enkele maanden op voorhand begint te plannen en uit te vissen bij welke administratie je wat moet gaan regelen, en wat dat kan betekenen voor je pensioen, je werkloosheidsuitkeringen, e tutti quanti.

Ook inhoudelijk wordt er door dit wetsvoorstel niets gewijzigd: geen uitzonderingsstatuut voor werkloze artiesten, geen nieuwe methoden om pensioenen, gezinsbijslagen, enz. te berekenen, die meer in overeenstemming zijn met de verbrokkelde carrière van artiesten.

Geen evaluatie en hertekening van de fiscale positie van kunstenaars – hoewel dat ooit als besluit geponeerd werd bij de betreffende Subcommissie in de Kamer: wanneer het sociaal statuut van de artiest wordt aangepast, moet dat samen met de aanpassing van zijn fiscaal regime gebeuren.

Aan de problemen die ‘decretalen’ hebben, verandert er weinig. Dansers met hun korte carrière en hun eventuele reconversieproblemen, subsidies die eigenlijk maar de helft van de begrote kosten dekken, waardoor bijkomende financiering moet gezocht worden bij de stedelijke overheden of de provinciale potjes… voor al dat soort dingen is nog geen oplossing in het verschiet.

6. Overwegingen

In de toelichting bij één van de vele wetsvoorstellen die ondertussen liggen te vergelen, staat iets in de zin van: een maatschappij die cultuur niet beschouwt als een verrijking, is een arme maatschappij. Desalniettemin lijkt de politieke wil om aan het ‘statuut van de artiest’ te sleutelen, betrekkelijk laag. ‘Eigenlijk is er niemand in geïnteresseerd,’ hoort men uit politieke hoek. In de culturele sector zelf zijn er ook genoeg mensen die zich afvragen of de zaken nu eindelijk echt aangepakt gaan worden. Bij de VDP klinkt het: ‘Als ze echt een signaal wilden geven aan de sector, dan hadden ze – voor de verkiezingen – het kb van ’69 kunnen wijzigen. Dat zou niet veel moeite gekost hebben, maar het zou een duidelijk signaal zijn dat ze er aan werken.’ Dat zoiets niet gebeurt, is voor de VDP een veeg teken: wordt er weer verkiezingspolitiek bedreven op de rug van de artiest? De vakbonden zijn evenmin overtuigd van de goodwill van de politiek: ‘Het is al jaren hetzelfde spelletje: voor de verkiezingen maken ze lawaai, daarna blijft alles zoals het is.’

De culturele sector kan het spel trouwens niet echt hard spelen: het is moeilijk om de ene hand op te houden voor centen, en met de andere vuist op tafel te slaan om beweging in de zaak te krijgen. Cultuur is geen voetbal: het brengt geen geld op, het beweegt zich deels buiten de vrije markt, en electoraal gezien weegt het evenmin door. Dit jaar is de belangstelling vrij groot geweest, maar dat was in elk verkiezingsjaar al zo. Als de voorgestelde regeling van De Clerck en Goutry het al haalt, is het niet ondenkbaar dat het dossier weer voor jaren in de kast verdwijnt – en als het voorstel het niet haalt misschien ook. De politici zullen vinden dat zij hun werk gedaan hebben, maar de sector wil meer – dat is nu al duidelijk. Er wordt bijvoorbeeld al druk gebrainstormd over voorstellen om dansers op te vangen na hun carrière.

Bovendien vragen sommige mensen zich af of artiesten een voorkeursbehandeling moeten krijgen, aangezien er nog beroepscategorieën zijn waar problemen bestaan. De politiek is zich daar (al te zeer misschien) van bewust – vandaar dat het voorstel De Clerck/ Goutry zichzelf beschouwt als een ‘pilootproject’, een experiment om dezelfde regeling uit te breiden naar andere vormen van ‘atypische arbeid’: de freelance journalistiek, om maar iets te noemen, of de laaggeschoolden die moeten overleven door van kort contract naar kort contract te springen. Ook zij hebben problemen door hun veelheid aan werkgevers, administratieve rompslomp, politieke onwil en onbegrip, lastige belastingaangiften, weinig electorale drukkingsmogelijkheden, ondoorgrondelijke regelgeving, problemen met hun pensioen, noem maar op. Cultuur, beweren sommigen, heeft dan nog het voordeel dat het redelijk hoog geprofileerd is, dat het een forum heeft – wat het voor politici niet helemaal oninteressant maakt om zich te mengen in het debat, aangezien enige aandacht verzekerd is. Maar die anderen zijn al helemaal onhoorbaar, hoewel zij in dezelfde mate recht hebben op een afdoende bescherming, zeker in een maatschappij die zijn systeem ‘de welvaartsstaat’ durft te noemen. Maar het feit dat andere beroepscategorieën problemen hebben, mag geen excuus zijn om de overduidelijke problemen van de podiumartiesten niet aan te pakken.

Verandert er dan ooit wat aan de rammelende positie van artiesten? En wanneer? En welke artiesten? En wat voor veranderingen? Faites vos jeux…

Met dank aan Prof. Van Langendonck en Marleen Baeten.

1 We beperken ons in deze schets voornamelijk tot de situatie van ‘schouwspelartiesten’: acteurs, dansers en – zijdelings – muzikanten, tenzij een kleine zijsprong noodzakelijk is. De lezer dient zich ervan bewust te zijn, dat we wegens plaatsgebrek geen volledigheid kunnen nastreven, en dat onze terminologie om dezelfde reden niet steeds de gewenste nuances bevat.

2 Het overzicht dat nu volgt is, om redenen van doorzichtigheid, een simplificatie. Wie een zicht wil krijgen op de complexiteit en de historische wortels van de stelsels, kan zich wenden tot Van Langendonck, J., Handboek Sociale Zekerheid, uitg. ced. samson, 1998, 773 p.

3 Ter vervanging van de Besluitwet van 28 december 1944.

4 Gysen, S., ‘De kunstenaar in de sociale zekerheid’, in Rimanque, K., Kunst en Recht, Antwerpen, Kluwer, 1985, hoofdstuk 11. Een deel van de informatie in die bijdrage is inmiddels, door het moratorium op nieuwe inschrijvingen bij de RSVZ, achterhaald.

5 Ook voor muzikanten bestaat er een decreet, dat we hier volledig buiten beschouwing laten.

6 Afgesloten op 19 januari 1999. De regeling, zoals ze beschreven wordt in het Kunstenaarszakboekje ’98, is daarmee achterhaald. Daar gaat het nog over het ‘Protocol’, een soort overgangsakkoord tussen de vorige CAO (van 1993) en de nieuwe van 1999.

artikel
Leestijd 22 — 25 minuten

#68

15.06.1999

14.09.1999

Raf Weverbergh

artikel