Vive L’afrique IVAN VRAMBOUT/ACTION MALAISE FOTO JEF BYTTEBIER

Peter Verlinden

Leestijd 11 — 14 minuten

Belgisch Congo is in: Over de moeizame verwerking van ons koloniaal verleden

We krijgen onze Afrikaanse droom van weleer niet verteerd. Ruim veertig jaar na het einde van de kolonie is ‘noko Belgique’, nonkeltje België, levendiger dan ooit. In Congo én in België. En na de politiek en de journalistiek, raakt zelfs het theater besmet.

Twee theaterstukken rakelen binnen een spanne van enkele maanden het koloniale en prekoloniale verleden weer op. KVS/de bottelarij bracht Het Leven en de Werken van Leopold II (Hugo Claus), een stuk uit 1969, Action Malaise Vive l’Afrique van Ivan Vrambout, een creatie uit 2002. Meer dan dertig jaar afstand tussen beide Congoverhalen, en dat hoor en zie je eraan.

Leopold II herhaalt in een artificiële setting, een aftandse parochiezaal waar de verschillende personages hun beurt afwachten, de intussen gekende verhalen over de koning-met-de-baard en zijn persoonlijke Congo-Vrijstaat: de plundering, de politieke spelletjes, de vrouwenkwesties,… Met behoorlijk wat bombarie krijg je de politiek correcte waarheid over grootmeester Leopold en zijn entourage in het gezicht geslingerd, het opgeheven vingertje (‘je hebt het toch wel goed verstaan, zeker?’) nauwelijks verborgen. Nog los van enkele zuiver inhoudelijke bedenkingen – die volgen meteen – laat de korte voorstelling een wat kleffe nasmaak. Je moet het wel begrepen hebben, want anders ben je niet mee: Leopold II was een genadeloze schurk, die uitsluitend ijverde voor zijn eigen fortuin en machtswellust. Er wordt veel geschopt, maar het geweten volgt niet. Het blijft een sprookjesverhaal over een ver verleden, toen mannen nog baarden droegen en koningen machtig waren. De bijwijlen wanhopige pogingen om een brug te slaan tussen Claus’ taferelen die zich situeren tijdens het bewind van koning Leopold II over Congo-Vrijstaat en het Congo van de Belgisch-koloniale tijd, laat staan het Congo van vandaag, verzanden in goede bedoelingen en dus in drijfzand. Een helder moment met een bevende halfslapende paus als icoon van de almachtige Kerk doet alleen maar even grinniken. Dat volstaat niet.

In 1908 wordt Congo-Vrijstaat overgedragen aan de Belgische staat en daar eindigt dan ook Leopold II.

Vive l’Afrique start aanvankelijk, hoe contra-dictorisch ook, vanuit een gelijkaardige kale setting: een ruime scène, eerst zo goed als leeg, geleidelijk aangekleed met de doodeenvoudige attributen die de (twee) acteurs ostentatief etaleren. Een emmer zand wordt ‘Afrika’, Congo dus, enkele samengebonden boeken een persoonlijke bibliotheek, zwart smeersel en wit talkpoeder volstaan om van een ‘witte’ een ‘zwarte’ te maken en weer omgekeerd. Zoals in Leopold II de baard een koning maakte, de mijter een paus.

Toch slaagt Ivan Vrambout erin om eerst en vooral op een verrassend overtuigende manier Lucie neer te zetten, de Congolese hoteleigenares in een godvergeten brousse-plaatsje. En Frantz is dan die nostalgische lieve r-zwarte Vlaming die vanwege zijn huidziekte nooit in Afrika zal geraken, maar in de blanke huid van George gekropen toch zijn levensdroom waarmaakt: leven in Congo, al is het maar even. Zo krijgt de Belgisch-Congolese verhouding met eenvoudige middelen snel en vakkundig een gelaat, aantrekkelijker dan in de parochiezaal van Leopold II.

Vive l’Afrique schetst Congo met rake trekken, zelfs in een kille Vlaamse theaterzaal. Dat heeft ook te maken met de waggelende kont van Lucie, haar blote voeten – iets te wit, maar dat vergeet je – en haar zwarte nylonpruik, even later de te hoge instekers, precies zoals de meisjes in Kinshasa ze vandaag willen krijgen. Het lukt vooral dankzij haar taal. Vrambout moet vele dagen en nachten gesleten hebben in de Brusselse Matongebars om zo precies de subtiliteiten van het ‘Congolees’ op te pikken. II n’y a pas de problème. Het harde gekwetter van het Lingala, het struikelende schoolfrans.

Als hij de kans zou krijgen om dat huiswerk over te doen in de échte cités, die van Kinshasa, dan groeit er ooit een écht meesterwerk met wat langere adem uit Vive l’Afrique. Want het werk is niet af, lang niet. Ook Vive l’Afrique blijft immers steken in een overvloed aan anekdotiek en kleine verhalen, die welsprekend en veelzeggend zijn, maar (nog) niet de volle Congolese wereld vatten: niet de verhitte nachten en verdwaasde dagen, niet de harde woorden en het passionele liefdesspel, niet de overlevingsstrijd van velen en de gulle rijkdom van enkelen, niet de overvolle magen als het kan, het hongergevoel omdat het moet, niet de drank tot de hitte van overdag geweken is voor de koelte van de nacht, niet de muziek-flarden van de cité en de stilte van de brousse.

Die onvolledigheid van Vive l’Afrique heeft alvast het voordeel dat het welwillende publiek voldoende denkstof overhoudt, dat je niet gedwongen wordt om een voorgekauwde maaltijd te nuttigen, zoals bij Leopold II. Het nadeel is wel dat het verhaal niet afgerond raakt, het einde open blijft, alsof je de zin halfweg afbreekt. Daarom valt Vive l’Afrique stil op het ogenblik dat het verhaal pas op dreef komt. Mooi om met goesting van tafel te gaan, maar wanneer komt het tweede gerecht?

Congoverhalen

Onaffe verhalen, daarin blinkt de Belgisch-Congoleserelatie uit, weldra al 120 jaar lang. Dat heeft in het beste geval te maken met de naïeve wispelturigheid waarmee Belgen met Congo omgegaan zijn, in vele slechtere gevallen met mislukte berekeningen. Nergens in onze gezamenlijke geschiedenis is een project afgewerkt.

Niet het ambitieuze Leopoldistische project van Congo-Vrijstaat: stukgelopen op de blinde megalomanie van de groteske koning.

Niet de opbouw van de kolonie na de Tweede Wereldoorlog naar het model van moederland België: afgebroken door de overval van de dekolonisatie.

Niet het proces van de dekolonisatie in 1960: volledig mislukt door politieke kortzichtigheid en een gebrek aan moed om op te tornen tegen de internationale stromingen van toen.

Niet de nieuwe samenwerking met het Mobuturegime in de jaren zestig tot tachtig: mislukt door het naïeve geloof in de goede wil van de nieuwe Congolese elite en de noodzaak van de Oost-Westtegenstellingen, door de verblindende macht van de voormalige koloniale bedrijven.

Niet de open dialoog met alle maatschappelijke groepen en de schijnonafhankelijkheid tegenover het imploderende Mobuturegime in de jaren negentig: de officieuze vlucht ‘weg uit Congo’ vanaf 1991, toen alle ontwikkelingssamenwerking stopgezet werd, gaf vrij spel aan de meest uiteenlopende voluntaristische initiatieven, die nooit een echt beleid konden voeren, zeker niet in relatie met de vele Congolese gouvernementele en niet-gouvernementele groepen die een strijd om de macht ingezet hadden.

En ten slotte is ook het allernieuwste project van de gezamenlijke heropbouw sinds het dubbele Kabilaregime, vader en zoon, nog maar pas van start gegaan. Het draagt alle kiemen in zich van een nieuwe mislukking, zolang de Belgisch-Congolese relatie niet duidelijk gedefinieerd wordt.

Geen toeval wellicht, dat dit onverteerde verleden én heden tot in de theaterzalen doorgesijpeld is.

Onvoltooide geschiedenis

Zullen we dan maar? In chronologische volgorde geplukt uit onze (pre)koloniale geschiedenis.

Neem nu de ‘historische waarheid’ over Leopold II en ‘zijn Congo’. De geest van Koning Leopold II en de plundering van Congo (King Leopold ‘s Ghost. A story of Greed, Ten or and Heroism in Colonial Africa) van de Amerikaanse journalist Adam Hochschild gooide in 1998 dit stuk vaderlandse geschiedenis brutaal weer in de actualiteit. Het populair geschreven boek geldt als een referentiewerk, maar is niet meer dan een vakkundig herschrijven van het monnikenwerk van de Vlaamse antropoloog Daniël Vangroenweghe (Rood Rubber, 1985) en de nog steeds lopende historische reeks L’histoire du Congo van Jules Marchal, voormalig gewestbeheerder in Belgisch-Congo, later ontwikkelingswerker en diplomaat. Hun scherpe tekening van het Leopoldistische Congo als een bloedovergoten plundertocht werd dus al in 1969 door Hugo Claus in zijn theatertekst gegoten.

Toch blijft die zogenaamde definitieve waarheid wankelen. Eén voorbeeld slechts. Iets meer dan tien jaar geleden kwam de Nederlandse tentoonstelling Wit over Zwart naar Brussel, medegefinancierd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. Het beeldrijke project over de manier waarop ‘witten’ naar ‘zwarten’ kijken bevatte als vanzelfsprekend ook enkele foto’s van geketende Congolezen en gevangenen met afgehakte handen, toonbeelden van het wrede Belgische prekoloniale systeem in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. Het heeft wekenlange discussies gekost om de hogere administratie van Ontwikkelingssamenwerking ertoe te bewegen om die ‘artistieke vrijheid’ te aanvaarden. Voor hen, en tot vandaag voor vele betrokkenen bij het (pre)koloniale verleden, is het nog lang niet uitgemaakt of Leopold II werkelijk als een bruut ‘zijn’ Vrijstaat bestuurd heeft en of de koloniale bedrijven van toen inderdaad die uitbuiters waren waarvoor ze dezer jaren gemakshalve versleten worden. De mildere opposanten verwijzen steevast naar het veel wredere – of op z’n minst even wrede – koloniale verleden van Groot-Brittannië, Frankrijk en andere bevriende westerse staten. En naar de tijdsgeest, die overal in de ‘beschaafde wereld’ dezelfde was. De radicale tegenstanders van de gangbare historische analyses houden staande dat de ‘miljoenen doden’, gevallen onder het blanke regime van toen, gewoon nooit bestaan hebben, dat het hier om een gigantische vertekening van de waarheid gaat. Het zijn geen verdwaasde revisionisten die deze geschiedenis herschreven willen zien, maar kabinetschefs, hoge ambtenaren, senatoren, ministers. Allen hebben ze stevige argumenten om onder meer Adam Hochschild, Daniël Vangroenweghe en Jules Marchal te counteren.

Het meest verwonderlijke is dat deze tegenstellingen zelden of nooit openlijk ter sprake komen. Zelfs een gezonde polemiek over dit stuk geschiedenis wordt nauwelijks of niet gevoerd. Zo raken de argumenten niet getoetst, blijven de zekerheden flou. En daardoor blijft een theaterstuk als Leopold II voor de Congoliefhebber steken in een oratio pro domo, een politiek correcte weergave van ‘een’ waarheid. Niet minder, maar zeker niet meer. Onaf dus.

De koloniale tijd na de Tweede Wereldoorlog dan, na die periode van broussetrekkers en avonturiers, van slavendrijvers en goudzoekers. De jaren vijftig brachten de definitieve opbouw van de kolonie. Het koloniale systeem werd verheerlijkt als het enige dat ‘beschaving’ kon brengen voor de ‘negers’. Het moederland België stond model voor wat de kolonie moest worden: de administratie, de overheidsbedrijven, het financieel-economische systeem, de ruimtelijke ordening, de sociale voorzieningen,… met een nette taakverdeling tussen Kerk en Staat. De zorgvuldig geselecteerde kolonialen, dikwijls met een hoge opleiding, kregen de opdracht om ‘hun plicht te doen’. Niet alleen de ouders van de jonge missionarissen, ook de familieleden van de koloniale ambtenaren namen met een krop in de keel afscheid van zoon en dochter, in de wetenschap dat zij ‘goed zouden doen’. Meewerken aan het optimmeren van de kolonie was een eervolle taak.

Hoe de ideologie van de evolué, de zwarte die geboetseerd werd naar het model van de blanke, zo snel overkop is kunnen gaan, blijft een halve eeuw na de feiten nog altijd een raadsel. Uiteraard speelde de internationale context een belangrijke rol, met Fransen en Britten die zeer snel hadden begrepen dat het kolonialisme ten dode opgeschreven was, opgezweept door de nationalistische Afrikaanse bewegingen in de verschillende Europese koloniën, die elkaar aanmoedigden. Toch moet de definitieve analyse van die ommekeer nog geschreven worden. Al was het maar om de intussen gepensioneerde oud-kolonialen te helpen bij de persoonlijke verwerking van hun jeugdtrauma en hen niet nodeloos op te zadelen met een schuldcomplex of onverteerde rancunes, omdat zij gedaan hebben wat ze moesten doen: hard werken binnen het destijds zo geroemde koloniale systeem. Zo mogelijk nog flagranter is het gebrek aan analyse van het dekolonisatieproces en van de wijze waarop de bijna honderdduizend Belgen in 1960 die ommekeer ter plaatse beleefd hebben. De ‘schande van de kolonie’ als cliché, gemakshalve vermengd met de min of meer gekende Leopoldistische verhalen, heeft decennialang het publieke discours overheerst. Oud-kolonialen mengden zich vooral daarom niet in de publieke discussies over de kolonie en haar einde: zij waren geschandvlekt en voelden zich vanuit alle politieke hoeken bedreigd. Alleen in hun eigen kleine kringen herhaalden en herhalen zij bij elke koffietafel of clubdiner de eigen kleine waarheid, als om zichzelf ervan te overtuigen dat de volledige buitenwereld het verkeerd begrepen heeft: ‘De kolonisatie was een glorietijd waar we maar beter allen samen trots op zouden zijn.’ In dialoog gaan met de politieke, academische en journalistieke wereld die de afgelopen veertig jaar min of meer actief bezig is geweest met het onafhankelijke Congo, dat is tot nu toe nauwelijks of niet gebeurd. Tenzij dan heel informeel, bijvoorbeeld binnen het besloten kader van de administratie Ontwikkelingssamenwerking, waar enkele tientallen oudkolonialen jarenlang een onderkomen hebben gevonden, of binnen de diplomatieke wereld, waar ook enkelen het aandurfden om hun koloniale verleden niét te verzwijgen.

Zo is het verhaal van de dekolonisatie een bij uitstek onafgewerkt verhaal. Dat voel je in Congo, en heel af en toe nog wel eens in het Belgische politieke en academische milieu. En nu dus, eindelijk, ook eens in het theatermilieu.

Als Vive l’Afrique iets bewijst, dan is het wel dat zelfs jonge theatermakers geen afscheid willen of kunnen nemen van ‘Belgisch Afrika’, maar geen volledige greep krijgen op die complexe Belgisch-Congolese relatie.

Ongetwijfeld heeft dat te maken met het nooit uitgeklaarde verleden. We kunnen en durven ‘de Congolezen’ nog altijd niet recht in de ogen kijken, omdat we nog altijd niet weten wie aan wie iets schuldig is.

Het politieke proces

De Lumumbacommissie in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigersheeft de politieke wereld, en zo de Belgische publieke opinie, een collectief schuldgevoel over ons Congolese verleden willen aanpraten. De moord op de eerste premier van het onafhankelijke Congo, Patrice Lumumba, op 17 januari 1961, had door een gepast Belgisch ingrijpen belet kunnen worden, concludeerde de commissie in januari 2002. Zodus is België tot vandaag mee verantwoordelijk voor Lumumba’s gewelddadige dood. Met die politieke stelling hoopte minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel enige goede wil los te weken in Kinshasa bij het nieuwe regime van de familie Kabila, die zich in enkele onbewaakte momenten durfde beroepen op de politieke erfenis van Patrice Lumumba, de legendarische Congolese nationalist.

Met die officiële waarheid is het dossier voor de geïnteresseerde publieke opinie niet afgesloten. Voor de enen moet na deze halve schuldbekentenis de boetedoening volgen, volgens anderen moet maar meteen het volledige verhaal bovengespit worden, ook dat van de mislukte dekolonisatie waarbij diezelfde Patrice Lumumba een niet altijd even fraaie rol heeft gespeeld. De strijd om de macht in het toenmalige Leopoldstad had een maandenlange vuile oorlog op gang gebracht waarbij tientallen blanke en nog veel meer zwarte doden gevallen zijn en vele honderden Belgen én Congolezenzwaar mishandeld werden. Patrice Lumumba was gedurende die eerste maanden van de onafhankelijkheid eerste minister en minister van Defensie, dus op z’n minst politiek verantwoordelijk voor het misdadig gedrag van de muitende Congolese soldaten. Volgens vele getuigenissen van slachtoffers en hun familieleden gaven hijzelf en zijn aanhangers zelfs het uitdrukkelijke bevel om de Belgische mannen, vrouwen en kinderen af te dreigen, te mishandelen en te misbruiken. Bewijzen moeten nog volgen, als ze al bestaan. En dus is ook dat stuk geschiedenis al evenmin geschreven. Deze drama’s en hun ware aard zullen ooit deel moeten uitmaken van het collectieve geheugen.

De grove schendingen van de mensenrechten door Congolezen die zich vergrepen aan weerloze burgers, zwarten en blanken, in de nasleep van de onafhankelijkheid, lijken vandaag vergeten. Geen wonder. In België deden en doen de bevoegde instanties die over alle gedetailleerde informatie beschikken er alles aan om het dossier onder het stof te houden. Er bestaat nochtans een omvangrijk rapport dat zeer snel samengesteld werd in dat dramatische jaar 1960: bijna driehonderd bladzijden synthese en tienduizenden bladzijden uitgeschreven ondervragingen van meer dan 16.000 getuigen. De huidige minister van Justitie besliste, net als al zijn voorgangers, dat het onderzoeksrapport geheim moet blijven. De politieke wereld heeft er tot vandaag blijkbaar geen belang bij om deze pijnlijke geschiedenis bloot te leggen. Want de oud-kolonialen zijn nooit meer populair geworden, hun leed kent geen politieke vertaling, en het zou wel eens heel vervelend kunnen worden als enkelen van hen op het idee zouden komen om de Belgische Staat voor een rechtbank mee verantwoordelijk te stellen voor wat hen overkomen is. Misschien kunnen geleden plunderingen, verkrachtingen, mishandelingen, diefstallen,.. . ooit wel vertaald worden in een schadevergoeding. Ze zijn nog altijd met een paar tienduizend, de vluchtelingen van toen.

In Congo zélf is het leed van de kolonialen helemaal vergeten, of uit het collectieve geheugen gewist uit eerlijke schaamte. Niét vergeten is de massale vlucht van de blanke kolonialen, waardoor binnen de kortste keren het immense land onbestuurbaar werd. De afbraak van Congo begon op 1 juli 1960, de dag na de onafhankelijkheidsviering, al leek de neerwaartse spiraal in de jaren zestig even te vertragen, dankzij de massale internationale steun en een aanvankelijk behoudend beleid van alleenheerser Joseph-Désiré Mobutu, later Sese Seko.

Nu schreeuwt zelfs de jongste generatie Congolezen om ‘le retour des Beiges’, de terugkeer van de Belgen. Niet uit nostalgie naar het koloniale verleden, zeker niet, maar uit nostalgie naar wat toen wél bestond en nu zo goed als niet meer: basisgezondheidszorg tot in de kleinste dorpen, basisonderwijs tot diep in de brousse, betaalbare en voldoende voeding en drank, onderhouden wegen en markten, veiligheid en rust. ‘Les Beiges’ is uitgegroeid tot een symbool voor correct beheer, zonodig met harde hand. Gemakshalve worden de scherpe en zelfs misdadige kanten van de koloniale tijd vergeten. Liever ‘die goede oude tijd’.

Meer nog. Zelfs in de ogen van vele jonge Congolezen hebben ‘les Beiges’ de verdomde plicht om vandaag hulp te bieden: de ‘noko’, nonkel, moet de weerloze jongen helpen als die in nood is. Je laat je familie niet in de steek. Die schijnbaar irrationele noodkreet ligt aan de basis van de soms verkrampte houding tegenover de blanke, de Belg, die nietsvermoedend in Congo opduikt en plots een zware verantwoordelijkheid opgeladen krijgt. De relatie tussen Belg en Congolees, tussen blank en zwart, krijgt meteen een heel eigen karakter. De Belg – wie ook – wordt halsoverkop teruggeslingerd in zijn koloniale verleden, de Congolees nestelt zich in een schijnbaar vanzelfsprekende afhankelijkheidsrelatie, af en toe opgeschrikt door het besef dat hij of zij er eigenlijk alleen voor staat.

Het besef

Vive l’Afrique speelt geregeld haasje over met die verkrampte relatie. Als George, eerste en enige hotelgast bij Lucie, vereerd wordt door de goegemeente als een wilde weldoener die de welvaart terugbrengt, die geld heeft om alles te kopen wat het dorp hem aanbiedt, krijgt hij een verantwoordelijkheid toegeschoven die hij niet kan of niet wil opnemen. De meisjes van het dorp bieden zich aan, niet uit liefde, maar uit overlevingsdrang, om een Aardje beter te worden van die ene blanke die het dorp zal redden. Zo blijft wit wit, en zwart zwart. Elk zijn rol, elk zijn deel. Zoals we het geleerd hebben uit het gezamenlijke verleden.

In die zin schetst Vive l’Afrique bijzonder scherp, soms tot in de kleinste details, hoe het koloniale verleden tot vandaag de Belgisch-Congolese relaties betonneert. Tot misschien ooit de volledige geschiedenis, het onrecht in alle richtingen, uitgeklaard wordt en blank en zwart elkaar eindelijk recht in de ogen kunnen kijken. Elk zijn eigen onrecht, elk zijn eigen misdaden. Om voor eens en voor goed met een helder verleden te herstarten. Op voet van gelijkheid, als partners, zonder erfenis uit een voor beiden laakbaar verleden.

Vive l’Afrique

TEKST: Ivan Vrambout

REGIE: Ivan Vrambout

SPEL: Joris van den Brande en Sara Vertongen

SCENOGRAFIE: Ivan Vrambout

PRODUCTIE: Action Malaise, kunstencentrum Limelight(Kortrijk), kunstencentrum Netwerk (Aalst), Theater aan Zee

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 11 — 14 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003

Peter Verlinden