‘Bedrog’ (Malperuis) Foto Norbert Maes

Maarten Van Steenbergen

Leestijd 4 — 7 minuten

Bedrog

Malpertuis Tielt

Voor de produktie Bedrog van Harold Pinter, ontwierp Theater Malpertuis een affiche met een schilderij van René Margritte : Het Glazen Huis. De Engelse tekstuitgave van Methuen, Pinter – Plays: four, waarin Betrayal is opgenomen heeft op de kaft ook een afbeelding van een schilderij van Margritte : Het Rijk van lichten. Margritte is een kunstenaar die als geen ander het verwachtingspatroon van de kijker kan doorbreken, soms heel brutaal, zoals in Het Glazen Huis, waar het gezicht van een man op zijn (?) achterhoofd prijkt, maar zeer vaak heel subtiel, zoals in Het rijk van lichten. Op het eerste gezicht beeldt het een huis bij nacht uit, slechts verlicht door een lantaarnpaal. Als we beter kijken, zien we echter dat de hemel helblauw is en gevlekt met witte wolken. Wie niet goed toekijkt, is bedrogen; wie wel aandachtig kijkt, staat perplex : is iets ooit wel wat het lijkt ?

Doorheen de voorstelling loopt de metafoor van het glas. Een glas is helder, zuiver en je kan er heerlijke champagne uit drinken. Een glas is echter ook heel broos. In de openingsscène van Bedrog ligt er een hoop glasscherven op het tapijt; er staat een kapot glas op een soort van barvlak en door de luidsprekers klinkt een zwak gerinkel van glas. In de laatste scène bouwt Emma torens met tientallen glazen. Zo heeft regisseur Craig Weston de evolutie van het stuk gesymboliseerd : van apathie naar passie. Een parallelle lijn in het toneelstuk is het tijdsverloop dat hoofdzakelijk regressieve tijdsprongen maakt. De laatste scène speelt zich negen jaar vroeger af dan de eerste. Het stuk vangt aan bij de nasleep van de overspelige verhouding tussen Jerry en Emma, de vrouw van Robert. Het evolueert naar de climax van hun relatie en eindigt met het prille begin ervan. Wie denkt dat Pinter dit keer dus wel de achtergrondinformatie over zijn personages heeft meegegeven, komt bedrogen uit. Aan het eind van het stuk zijn een aantal elementen uit de intrige opgeklaard – al kan men daar ook over redetwisten – maar over de motieven, het waarom van handelingen tasten we nog steeds in het duister.

Craig Weston opteert voor het creëren van een vertellerspersonage, dat vanop een hoger gelegen positie het spel volgt en telkens aangeeft op welk moment iedere scène zich afspeelt. Op die manier wordt een deel van het vervreemdingseffect, gecreëerd door het tijdsverloop, ongedaan gemaakt voor het publiek. Anders zou er ongetwijfeld heel wat aan hun aandacht ontsnappen. Toch stel ik me de vraag of de theatrale uitdaging niet groter zou zijn, wanneer men de scènes zou spelen zonder tijdsaanduiding. Verwijzingen in de tekst maken dat zeker niet onmogelijk en al is het publiek aanvankelijk misschien in de war, toch zal het er langzaam maar zeker in slagen het kluwen van woorden te ontrafelen. Het grote verschil is dat het begrijpen en het denken dan gepaard zou gaan met zoeken, met doen.

Ook in Betrayal blijft small-talk de basis van de conversatie, maar in plaats van de leegte ervan te tonen, wordt het alledaagse taalgebruik hier voorgesteld als een sociaal-strategisch instrument, b.v. als middel om echte communicatie te ontwijken. Dat laatste wordt hoe dan ook duidelijk onder de geladen stiltes, die een waarmerk van Pinters theater zijn en ook in dit stuk niet ontbreken. De acteurs hebben in deze productie op een zeer intense manier gewerkt aan het ritme van de zinnen. Enerzijds door het gebruik van de pauzes en anderzijds door het te vlug opeenvolgen van vraag en antwoord, krijgt de taal een subtiele zweem artificialiteit mee. De personages in Bedrog zijn intelligent, belezen, gecultiveerd. Dat maakt de afstand met het theaterpubliek kleiner en de sociale relevantie van het stuk groter. Belangrijk nog is dat er op het maatschappelijke vlak eigenlijk niets mis is met hun leven. Ze hebben carrière gemaakt in de uitgeverswereld en de kunstwereld en de keuzes die ze in hun leven maken worden niet door het noodlot of een schuldgevoel gedetermineerd. Hun levens zijn niet-tragisch. Dat maakt het geheel zeer desolaat.

Die verpletterende, hyperreële sfeer, die Weston met zijn acteurs heeft nagestreefd en tot op zeker hoogte heeft bereikt, wordt geconfronteerd met een theatrale context. Men speelt in één kleine ruimte die aan drie zijden omgeven is door een witte, iets te hoge bar, waar de acteurs kunnen op zitten, staan en lopen. De vier acteurs blijven voortdurend aanwezig op de scène, ook als zij niet in het spel voorkomen, en zijn zich bovendien onafgebroken bewust van de aanwezigheid van de anderen. Wanneer de blik van een personage zich richt naar een personage dat eigenlijk niet meespeelt in een bepaalde scène -wat gelukkig niet teveel gebeurt -levert dat spannende of humoristische momenten op.

Wie een groot aandeel heeft in het creëren van een theatrale context is de vertellersfiguur. Bepaalde regieaanwijzingen worden niet door de acteurs uitgebeeld, maar door de verteller gezegd. Dat dat niet alleen om praktische redenen is, wordt duidelijk als blijkt dat de neventekst die door de verteller wordt gezegd, soms toch wordt geacteerd.

Pinter : “(…) the key word is economy, economy of movement and gesture, ofemotion and its expression, both the internat and the external in speci-fic and exact relation to each other, so that there is no wastage and no mess.” Vooral in de eerste scènes zijn Warre Borgmans (Robert), Ingrid De Vos (Emma) en Dirk Buyse (Jerry) er zeer goed in geslaagd dat “economische acteren” te verwezenlijken. Iedere beweging, iedere stembuiging wordt een teken. Vooral Warre Borgmans heeft me kunnen bekoren. Zijn perfecte stembeheersing en spreektechniek, de natuurlijke rust, maar vooral zijn echtheid werkten op sommige momenten bijna beangstigend. De momenten waarop hij zichzelf begiet met Corvo Bianco, zijn zorgvuldig gekozen en worden nooit tot iets warrigs.

Dat alles belette regisseur Craig Weston niet zijn eigen creativiteit te gebruiken. In een aantal stille intermezzo’s heeft hij getracht op een plastiche manier de relaties tussen de personages te karakteriseren, meestal ook duidelijk afgebakend door een verandering in de belichting. Zo tracht Emma vruchteloos het witte Venetiaanse doek af te schudden, dansen de drie personages aan het einde van het stuk een siow – ook door de zeer homogene kostumering aan het einde van het stuk met elkaar verbonden – en springen ze na scène 2 in eikaars armen. Afgezien van het feit dat dat laatste b.v. stuntelig overkomt, werkt dat niet in deze voorstelling. Het hele ritme, de hele sfeer van deze voorstelling is er niet op ingesteld. Het lijkt er allemaal maar wat bijgesleurd. Wel geef ik de inleiding op de laatste scène enig krediet. Vooral de derde grap van Geert De Smet (verteller en ober) die niet worden afgemaakt en waarin het woordje “mijn” door de muziek heen blijft voorthameren, maakt het geheel cynisch, koud. Die toevoeging is een voorbeeld van de keuzes die in Bedrog worden gemaakt. Keuzes die te verantwoorden, maar niet al even krachtig zijn.

Gezelschap : Malpertuis;

tekst van Harold Pinter;

regie : Craig Weston;

spelers : Ingrid De Vos, Dirk Buyse, Warre Borgmans, Geert De Smet.

Gezien in Malpertuis te Tiert op 26 oktober 1990.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#32

15.12.1990

14.03.1991

Maarten Van Steenbergen

recensie