Ivan Vrambout

Leestijd 4 — 7 minuten

De banaan die zegt dat ze een appel is

Zesde stem: Ivan Vrambout

Schrijven heeft voor mij meer te maken met de tekens die je wilt geven. Als ik als schrijver én regisseur in een project sta, ben ik tegelijkertijd met visuele en verbale aspecten bezig. Bepaalde elementen worden visueel weergegeven, die hoefje niet meer te beklemtonen met woorden. Soms ben je echter genoodzaakt te zoeken naar visuele tekens omdat een thema verbaal niet levendig genoeg blijft doorheen een tekst.

Het gevolg van die werkwijze is dat ik nooit bezig ben met de vraag of mijn teksten goed leesbaar of speelbaar zijn voor andere mensen. Wat telt is het eindwerk in zijn totaliteit. De stukken van Richard Foreman zijn soms ook zodanig sterk verbonden met het visuele, dat ze moeilijk te lezen zijn. Maar dat is het soort teksten dat ik fascinerend vind. Bij de meeste theaterteksten heb je een structuur die heel helder is. Vanaf het moment dat een tekst te verhalend is, heb ik echter het gevoel dat de vorm er op de een of de andere manier bijgeplakt moet worden of iets anders, minder wezenlijks moet zeggen om stand te houden. De tekst geeft mij dan niet langer de vrijheid om er in mijn fantasie mee verder te gaan.

Er zijn regisseurs die het boeiend vinden om te blijven zoeken tot een tekst werkt. Ik heb dat niet zo erg, dat geloof in een soort van heiligheid van de tekst. Tekst en beeld moeten samenkomen, ontstaan ook samen. Schrijven, regisseren en vormgeving, dat zijn dingen die ik soms niet wil of kan loskoppelen. Enkele jaren architectuurstudies hebben mij verleid tot de schoonheid van de constructie. De zoektocht naar de verankering van beeld en taal laat me sindsdien niet los. Ik heb echter nog maar zelden het gevoel gehad dat ze in elkaar versmelten. Bij Tadeusz Kantor heb ik dat voor het eerst echt zien lukken. Later, toen ik Showtime zag van Forced Entertainment, werd ik een tweede keer geraakt.

Voor mij is het begrip auteur dus rekbaar. Vanaf het moment dat ik een beeld heb, zal de tekst daarvoor wijken of er zich aan moeten aanpassen. Het gevecht in ‘t Wild vlees bijvoorbeeld, dat zat al heel vroeg in mijn hoofd. Dat betekent niet dat het noodzakelijk was om de tekst zo op te bouwen tot een gevecht onvermijdelijk was. Maar ik wou wel dat het beeld, en niet de verbale spanning, tot een gevecht zou leiden. Flet was dus zoeken naar een tekst die voldoende suggestief was, die het publiek zelf een reden voor het gevecht zou laten bedenken.

Ik zie theater dan ook niet als een soort van literaire poëzie. Voor mij zit de poëzie in het geheel, ‘t Wild vlees is de golfbaan, het glas dat aanwezig is, de acteurs die er staan, de posities die ze innemen, de fragmenten die ze uitspreken… Schrijven is voor mij het zoeken naar een combinatie van al die elementen, naar een verhaal in horten en stoten, een deconstructie, een film met verschillende sequels.

Al die opvattingen impliceren dat het bij mij ook heel lang duurt voordat een tekst af is. Ik schrijf eerst zeventig procent van de tekst en dan zit ik samen met de acteurs nog een maand rond de tafel. Nadien verandert die tekst nog tijdens de repetities, afhankelijk van de gekozen vorm; die maakt het mogelijk om fragmenten weg te laten als ze duidelijk worden in de beeldtaal, of om visuele elementen net te versterken met woorden.

Als je op die manier met acteurs aan een tekst werkt, krijg je op een gegeven moment niet zomaar je auteursrecht terug om alles zelf te bepalen. Het makkelijkste in die zin was Survival of the fittest, omdat dat één op één werken was met Mathijs Scheepers. Ik schreef, en Mathijs gaf zijn opmerkingen. Maar in Vive l’Afrique en in ‘t Wild vlees werkte ik samen met Joris van den Brande, Sara Vertongen, Joost Vandecasteele en Caroline Rottier: acteurs die zelf ook teksten schrijven. Je auteursrecht kan je dan ontglippen, omdat de acteur als theatermaker-schrijver zijn eigen wil en verlangens naar voren brengt, die inhoudelijk of qua schrijfstijl een andere richting kunnen uitgaan. Ikzelf schrap woorden als ‘dus’, ‘maar’, ‘en’, ‘tenzij’, ‘desnoods’, ‘echter’ uit een tekst, maar iemand anders zet ze er misschien allemaal terug in. Uiteindelijk zoek ik die chemie wel bewust op, denk ik. Het verschil tussen acteurs en makers-acteurs, is dat de eersten schrappen wat ze niet goed vinden in een tekst, en dat de laatsten zelf een tekst durven aan te passen. Ze reageren ‘positiever’. Ze beseffen dat het lastig is, schrijven. Ze weten dat er in het begin van het werkproces soms maar drie fantastische zinnen op één pagina staan.

Ik heb geleerd om tijd te besteden aan onderzoekswerk; mezelf onder te dompelen in een onderwerp, een feit, een gebeurtenis. Niet alleen schrijven vanuit mijn eigen ervaring, maar me ergens in durven verdiepen. Bij de voorbereidingen van Vive l’Afrique heb ik informatie gezocht over Congo, Leopold II, Rwanda. Ik heb reisverhalen gelezen. Ik heb gelachen tijdens gesprekken met Afrikanen. Voor Survival of the fittest ben ik gaan babbelen met experts in ‘zwart geld’. Al maak je iets over Vanden Boeynants, de Ijzerbedevaart of de kraaien die met stenen het glazen dak van de Europese Unie bekogelen, belangrijk is dat je het onderwerp besluipt en er dan op één of andere manier opspringt. Vaak zit je met heel veel complexe informatie; de moeilijkheid is dan om dat terug te plooien naar het theatrale. Ik zoek dan naar ‘banale’ personages: helden of underdogs die iets willen bereiken. In Vive l’Afrique bedacht ik eerst het blanke personage dat alles wou verkopen om naar Afrika te trekken, dat uit Europa weg wil vluchten op zoek naar zijn Afrikaanse verlangens. Later werd het personage uitvergroot tot de man die Afrikaan wil zijn, die een kindertaaltje wil brabbelen, die het Belgisch Koloniaal Schuldgevoel wil vernietigen.

Wat ik interessant vind is het construeren van het banale tot een moeilijker geheel. Het herhalen, gebruiken, misbruiken van wat direct herkenbaar is. Een banaan komt op scène, en iedereen weet dat het een banaan is. Na een tijd zegt de banaan echter dat ze een appel is en van peren houdt, maar het zichtbare beeld blijft: het is een banaan, dat is het houvast. De inhoud verspringt, maar de vorm blijft. Die zoektocht tussen vorm en inhoud is sterk aanwezig in mijn werk. Enerzijds is er de wens om met het direct herkenbare te werken, anderzijds wil ik dat herkenbare verdraaien en er een soort ingenieus raderstuk van maken, zoals in Vive l’Afrique. Het is dan aan het publiek om te bepalen in welke mate ze de puzzel willen volgen. Zoniet kunnen ze terugvallen op de banaan.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#88

15.09.2003

14.12.2003

Ivan Vrambout