‘B is A in Bubbels’ (Oud Huis Stekelbees) – foto Jan Simoen

Dirk Verstockt

Leestijd 4 — 7 minuten

B is A in Bubbels

Oud Huis Stekelbees, Gent

Oud Huis Stekelbees gaf een werkopdracht aan de actrices An De Donder en Jacqueline Kaptein, rond het thema van Kaspar Hauser (een ‘enfant sauvage’ dat te voorschijn kwam na 16 jaar in een hok gewoond te hebben, geen enkele menselijke code kende, dus ook de taal niet). Dit voorbereidende werk mondde uit in een schrijfopdracht aan Willy Thomas, die als acteur/regisseur bij Dito Dito de taaithematiek herhaaldelijk onderzocht in zijn stukken en produkties. Uit deze tekst werd dan B is A in Bubbels geboren, geregisseerd door Guy Cassiers, sinds een paar seizoenen artistiek leider van Oud Huis Stekelbees. Zowel binnen-(o.a. The Hunting of the Snark) als buitenshuis (o.a. Parade) ontwikkelde Guy Cassiers een stijl die gekenmerkt wordt door een groot belang van en subtiel spelen met taal, verbeelding, associatie, niet-expliciteren, verwondering, emotie,…

Tête vue de dos dat Cassiers maakte met Jan Van Damme en Marc Maillard, was bijna een theatrale uitwerking van het artistieke credo van OHS : ‘klank tegenover betekenis, associatie tegenover verhaal, geluid tegenover muziek, licht tegenover belichting emotie tegenover de idee, tegenstrijdigheid tegenover rechtlijnigheid, verwondering tegenover kennis, verbeelding tegenover afbeelding theater tegenover de realiteit.’

Zo stond het in het programmaboek van het zesde Stekelbeesfestival, waarin ook B is A in Bubbels in première ging. In tegenstelling tot Duiven en Schoenen, een vroegere tekst van Willy Thomas die gebukt ging onder een ongelooflijke overdaad, bleef deze B is A in Bubbels beperkt tot het essentiële. Nauwelijks een woord te veel en op een plezierige manier zeer fris. Hij vertelt het verhaal van A (eigenlijk Sara, maar dat wil zij voorlopig niet geweten hebben.) die zich teruggetrokken heeft uit de wereld van de ‘luizelui’. Om niet helemaal alleen te zijn heeft zij zich een vriendinnetje gefantaseerd, B van Bellebappelinde, die zij echter de spraak ontzegt. Telkens zij spreekt zet zij B oorstoppen op. A breekt echter haar been en is, om te kunnen overleven, op B aangewezen. Om B te kunnen zeggen wat zij nodig heeft, moet zij haar leren hoe de dingen heten, haar dus leren praten, dus niet haar privé-taaltje, het bibbels. B krijgt dus de sleutel tot gerichte opstand in handen Zo brokkelt Sara’s wereldje af, wordt haar privé-leugentje ontmaskerd wanneer B wil weten waar zij vandaan komt. Sara vertelt dat zij haar gevonden heeft en een bijhorend briefje van de moeder vroeg haar voor B te zorgen. (Die ontwikkeling komt als een deus ex machina het verhaal aan een einde helpen.) Ze moet wel toegeven dat ze B als een slaafje heeft behandeld. Uiteindelijk weten beide samen te komen en stellen ze vast dat woorden en dus denken niet kunnen opwegen tegen voelen (..Ik denk…als de mensen meer zouden likken…). Zintuigelijkheid tegenover rationaliteit, civilisatie tegenover natuur, voelen tegenover denken, te veel weten tegenover onbevangenheid, van subject/object tot subject/subject verhouding, dat zijn de thema’s die in de twee personages verbeeld zijn.

In een decor met verwijzingen naar een droom van inspiratiebron Kaspar Hauser, maar eerder associaties oproept met een apenkooi, spelen A en B hun spel. Een open houten zeshoekig prisma, met een centrale as die als klimrek en kooi dient. Rond de as is een wip gemonteerd, die vrij kan draaien. Het frame is voorzien van snaren en geluidsversterking. De associatie met de apenkooi wordt nog versterkt door het spel van Jacqueline Kaptein die zich, zolang ze nog niet kan praten, zeer ‘aaps’ uitdrukt. Niet dat dat stoort, maar de vraag is of er geen expressiemiddelen bruikbaar zijn die dezelfde onmondigheid vertalen zonder in dat vrij voorspelbare idioom te vervallen. An De Donder bibbelt als een sneltrein door haar bibbels en opent in een frontale monoloog tot het publiek, waarbij ze het licht dat ze in een spiegeltje op haar borst vangt naar de toeschouwers projecteert. Dat is ook de enige maal dat men de vierde wand doorbreekt, iets wat verderop voor een communicatiestoring zorgt in de relatie tot het publiek.

Beide actrices balanceren op het koord van wel karaktertrekken weergeven, maar zonder psychologiseren. Ze staan heel kwetsbaar op de scène, er is omzeggens niets om zich achter te verbergen. Ze spelen heel gesloten, haast niet naar het publiek. Wel krijgen ze hulp van de derde ‘acteur’, de wip, die dient als speeltuig, als balans, als territoriumafbakening. Ook de kooi speelt mee. Zolang B niet kan praten, kan zij er ‘muziek’ op spelen. Eens alles in turmoil, zwijgt ook het frame, tot er een zekere harmonie, consensus bereikt is. Dan spelen beide actrices zachtjes met de snaren. Dat zachtjes spelen doet eigenlijk de hele voorstelling. Zonder onderstreping wordt er op een visueel zeer aantrekkelijke manier gezegd en getoond wat actrices en regisseur met deze tekst te zeggen hadden. Theatrale middelen worden zonder schroom gebruikt : overvloedige rookeffecten, benadrukt door een zeer suggestieve belichting, muziek van Bach, klankbanden… Nergens misplaatst en op een juiste manier indrukwekkend. Maar af en toe stuitert het ritme, dobbert de voorstelling weg. Het wordt dan uiterst moeilijk om de aandacht terug te krijgen.

Deze B is A in Bubbels is een logische maar verrassende stap in de ontwikkeling van Oud Huis Stekelbees en het werk van Guy Cassiers.

Nog één ding: het is een aanfluiting aan het adres van de actrices om gedurende kindernamiddagen geen acht te slaan op de leeftijd van de kinderen. Het mag toch niet dat één enkele blèrende baby een voorstelling én voor het publiek én voor de spelers om zeep helpt.

B is A in Bubbels

Gezelschap: Oud Huis Stekelbees;

tekst: Willy Thomas;

regie : Guy Cassiers;

muziek : J.S. Bach en Apache Children Song;

decor: Johan De Witen Herman De Roover;

licht: Yvan Pype;

spelers : An De Donder en Jacqueline Kaptein.

Gezien in Nieuwpoort op 3 november 1989 en in de Beursschouwburg op 12 november 1989.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#28

15.12.1989

14.03.1990

Dirk Verstockt

recensie