Deur decoratelier © Jozef Wouters

Charlotte De Somviele

Leestijd 9 — 12 minuten

‘Autonomie is nooit een doel op zich’

Het Decoratelier van Jozef Wouters als kunstencentrum van de toekomst    

Ruimte geven is macht verdelen, zo klinkt het adagium van Jozef Wouters. Met Something when it doesn’t rain maakte zijn Decoratelier deze zomer de natte droom van de kunstensector waar: de creatie van een radicaal inclusieve publieke ruimte zonder vaste agenda die diverse artistieke gemeenschappen en buurtbewoners zich konden toe-eigenen. Een inspirerend model voor de toekomst? 

Scenograaf Jozef Wouters (34) heeft de voorbije jaren al veel bijzondere ruimtes ontworpen, maar zijn Decoratelier is toch een unicum. Het oude fabriekspand in de Molenbeekse Manchesterstraat is veel meer dan een atelier waar Wouters en zijn partner in crime Menno Vandevelde tribunes en decors voor collega-kunstenaars bouwen. Het is ook een sociale werkplaats, een residentieruimte, een plantenasiel, een nachtclub en een eigenzinnig kunstencentrum in één. De fantastische binnenkoer, waar de kantoren van Recyclart, de Vaartkapoen en Charleroi Danse op uitkijken, werd deze zomer omgetoverd tot een publieke ruimte van en voor iedereen.

Onder de noemer Something when it doesn’t rain kon je in het coronaveilige openluchttheater terecht voor filmscreenings, dansworkshops, debatten en open mics. Wie zin had om een avond te programmeren, meldde zich gewoon aan. In een replica van het iconische Greenwich-café serveerde filmmaker Enzo Smits ijsjes met ‘smaken uit de Heyvaertbuurt’. Fitnesscoach M’hamed opende met buurtbewoners Youssef, Younes en Cissé een gym met zelfgebouwde toestellen. En bij Fars ging je langs voor een kappersbeurt onder de zon. Zelden zag je zo’n divers publiek op één plek samenkomen. 

© Ivan Put

‘Al vanaf het begin was duidelijk dat Decoratelier een plek moest worden die groter was dan wat ik voor mijn eigen werk nodig had’, vertelt Wouters. ‘Noem het een vorm van expanded scenography. Hoe kan vanuit mijn scenografisch werk een platform ontstaan waarop ook anderen hun ding doen?’ Zoals vaak bij Wouters was het Decoratelier eerst een metafoor, ‘a space in language’1 die pas later gematerialiseerd werd in hout en steen. ‘De kiem werd gelegd tijdens Infini (2015-nu) in de KVS, een lopend project waarvoor dramaturg Jeroen Peeters en ik aan ondertussen zestien kunstenaars hebben gevraagd welk landschap zij vandaag in het theater wilden verbeelden. Door vanaf het begin consequent Decoratelier als auteur te kiezen, konden we het verlangen van producenten omzeilen om het werk aan één individu toe te schrijven. Dat de naam voor verwarring zorgde bij de KVS, die ook zelf een decoratelier heeft, kregen we er gratis bij.’ (lacht)

Sindsdien is het Decoratelier fundamenteel deel van Wouters’ artistieke werk, de vaste bepaling bij zijn naam. ‘De term heeft iets dienstbaars, hij drukt een verlangen uit om ergens deel van te zijn. Autonomie is voor mij als scenograaf nooit een doel, hooguit een mogelijkheidsvoorwaarde tot samenwerking.’ 

“Weinig mensen weten dat Meg Stuart achter dit project zit, zij heeft geen enkele behoefte om mijn werk te claimen. Dat is redelijk ongezien.”

Met de structurele ondersteuning van Meg Stuarts gezelschap Damaged Goods, bij wie Wouters zich in 2017 aansloot als autonome artist in residence, werd het Decoratelier een concrete plek met een continue werking – eerst in een leegstaande fabriek voor auto-onderdelen in de Liverpoolstraat, waar onder andere het Bâtard-festival en de theatervoorstelling Underneath which rivers flow (2019) plaatsvonden. Toen de plek werd gesloopt om ruimte te maken voor een park en een crèche, verhuisden de zaagmachines en maquettes honderd meter verder naar de Manchesterstraat. In zijn boek Moments before the wind (2020) beschrijft Wouters de impact van dit ‘instituut worden’ met een veelzeggende anekdote: 

‘After Decoratelier had been cleaned and the machines set up, Menno bought a load of wood for the first time, even before we knew what we would need it for. We used to do it the other way around, and only bought the wood after we had the plan. (…) Our wood is running ahead of our imagination. Where will it lead us?’2

© Ivan Put

ETC.: Het Decoratelier is inmiddels uitgegroeid tot een plek met veel deelwerkingen. Schets eens het totaalplaatje?

J.W.: Zowat de helft van onze werking wordt gefinancierd door opdrachten. Net voor de tweede lockdown hebben we nog een scenografie voor Night Shift van Gouvernement in het Gentse operagebouw afgewerkt. Dat zijn heel fijne ruimtelijke onderzoeken waarin het bouwen centraal staat. Die projecten zorgen ervoor dat we een aantal mensen kunnen tewerkstellen die moeilijk elders aan de bak raken. Daarom maakten we de voorbije maanden ook handgelpompjes uit recupmateriaal. Het ontwerp is bewust arbeidsintensief en de pompjes worden stuk voor stuk met de hand geschilderd, om zoveel mogelijk mensen een job te geven.

“De residenten zijn ons niets verplicht. Ze zijn niet van ons. Onze steun is onvoorwaardelijk.”

Daarnaast is er de residentiewerking. Barry Ahmad Talib, een van de performers uit Underneath which rivers flow, is als resident ondertussen betrokken bij zowat alles wat we doen. Daarnaast selecteerden we via een open call vijf kunstenaars die hier een jaar lang kunnen werken met een budget en ruimtelijke ondersteuning. Allemaal hadden ze een unieke visie op de vraag welke publieke ruimte ze aan Molenbeek willen toevoegen. Activiste Isabelle N’Diaye is bezig met een school rond politiegeweld. Amari werkt aan een stripclub voor queer en trans mensen van kleur. Hoe ziet in deze buurt een ruimte eruit waarin zij zonder problemen uit de kleren kunnen gaan? Choreograaf Milø Slayers wordt dan weer gretig door het kunstenveld opgepikt en vindt hier eerder een plek in de luwte. De residenten zijn ons niets verplicht. Ze zijn niet van ons. Onze steun is onvoorwaardelijk.

Something when it doesn’t rain kwam voort uit het verlangen om iets met deze geweldige binnenkoer te doen. Iedereen kon iets voorstellen, van een workshop capoeira tot een debat over moslimfeminisme of een voorstelling van het collectief Ne Mosquito Pas. Er beweegt zoveel in de Brusselse scene dat een programma samenstellen eigenlijk niet zo moeilijk is. Samen met Marie Umuhoza, die in 2021 coördinator wordt van onze werking, moesten we de goede ideeën maar opvragen en wat microfoons en lampen voorzien.

Daarnaast is Decoratelier de koepel waaronder ik mijn eigen werk als kunstenaar ontwikkel. Al moet ik zeggen dat dat op dit moment vooral in de geheime tuin van mijn hoofd gebeurt en niet zozeer op deze plek. Hier circuleert al zoveel energie dat ik soms niet weet waar ik nog aan mijn eigen projecten kan werken.

ETC.: Jullie werken bewust zo gedecentraliseerd mogelijk.

J.W.: Klopt. We willen dat Decoratelier uitgroeit tot een rizomatisch netwerk, deels ook uit noodzaak: deze plek moet zonder mij voort kunnen, want ik wil eigen werk blijven maken. In plaats van een open call zullen we in de toekomst bijvoorbeeld werken met een systeem van doorverwijzing voor nieuwe residenten. Zo hopen we ons steeds dieper te vertakken in de wereld van Brusselse kunstenaars en activisten, en voor hen een veilige brug te vormen naar het institutionele kunstcircuit. Een model zonder artistiek leider, waarbij iedereen verantwoordelijkheid opneemt, lijkt ons daarvoor op dit moment het beste geschikt. Het is een experiment. Benieuwd of het lukt.

ETC.: Decoratelier is erin geslaagd om zich stevig in de buurt te verankeren, met als hoogtepunt het event Allume tes skills met de Molenbeekse curatoren M’hamed, Younes, Cissé, Bilal en Youssef Bouch. Hoe gaven ze je het vertrouwen? 

J.W.: Samen met het Brusselse kunst- en partycollectief Leaving Living Dakota organiseren we al enkele jaren bijzondere feestjes: zij zorgen voor de line-up, wij voor de juiste setting. Dankzij hen heeft Decoratelier een naam buiten het kunstmilieu gekregen. Het was interessant genoeg ook de eerste link met de jongens van de buurt. Een deel van hen werkt sindsdien regelmatig voor ons als buitenwipper of barman. Tijdens de lockdown kwamen daar nieuwe plannen uit voort, zoals de openluchtgym van M’hamed. 

© Ivan Put

Tijd en vertrouwen zijn cruciaal. Met Camille Thiry hadden we deze zomer een mediator in huis die zich exclusief toelegde op het contact met de buurt. Dankzij haar en door de vele gesprekken die we de voorbije jaren hebben gevoerd, begrijpen we de diversiteit binnen zo’n groep jongeren iets beter en moeten we de deur niet voor iedereen sluiten als een enkeling eens iets mispeutert. Bovendien ben ik zelf antiautoritair genoeg om een aantal van hun reflexen te begrijpen en op een kwetsbare manier in dialoog te gaan. Het was vanaf het begin duidelijk dat wij geen sociaal werkers zijn en zij geen doelgroep in ons subsidiedossier. Als ze iets van deze plek willen maken, kunnen we helpen, maar ze moeten het in de eerste plaats zelf doen. 

ETC.: In een brief aan architect Wim Cuyvers3 beschrijf je hoe belangrijk het is om een publieke ruimte af en toe af te sluiten en onzichtbaar te maken, zodat er een safe space kan ontstaan. In hoeverre moet je soms mediëren tussen de grenzen van de verschillende groepen die in het Decoratelier samenkomen? 

J.W.: Welke scenografie staat iemand toe de ander te ontmoeten en zich toch veilig te voelen? Welke fictieve ruimte kunnen we delen in al onze verscheidenheid? Dat is de vraag die op deze binnenkoer centraal staat. Soms volstaat het om een stoel op de juiste plek te zetten, soms is er meer nodig. Ik herinner me een avond waarop een film getoond werd over de lgbtq-gemeenschap in Tunis. Voor een aantal mensen van de trans en queer gemeenschap was het moeilijk om op dat moment een ruimte te delen met cismannen die enkele meters verder in bloot bovenlijf stonden te trainen. Daarover zijn we toen in gesprek gegaan. Ik hou van dat conflict. Ik leer er veel uit. Waar in de stad krijg je nog de kans om een ruimte te laten transformeren vanuit zulke diverse gezichtspunten? Dat is scenografie voor mij: een binnenkoer zo vormgeven dat iedereen een plek kan innemen en vanuit zijn eigen voorwaarden aan een gedeeld programma kan deelnemen. Of niet. Soms mag niet iedereen binnen. De poort die ons afsluit van de straat is daarin een belangrijk element. De deur veranderde elke dag van betekenis. Samen met de fantastische Youssef Bouch, die deze buurt bijzonder goed begrijpt, dachten we voor elk event na over een gepast deurbeleid. 

“Dat is scenografie voor mij: een binnenkoer zo vormgeven dat iedereen een plek kan innemen.”

ETC.: Het Brusselse stadsbestuur heeft ambitieuze plannen om de Kanaalzone op te waarderen. Hoe zie je de rol van Decoratelier daarin? 

J.W.: Er ligt een masterplan op tafel om van de Manchesterbuurt een culturele hub te maken. Naast Recyclart, de Vaartkapoen, Charleroi Danse en Cinemaximiliaan zouden er nog een pak organisaties bijkomen. Ik ben benieuwd, maar houd ook mijn hart vast. Zal de schaal van dit project dingen mogelijk maken of juist blokkeren? 

Tijdens de coronacrisis hebben we gemerkt hoe belangrijk het is om wendbaar te zijn als instituut. Decoratelier heeft dankzij zijn link met Damaged Goods alle juridische en administratieve voordelen van een instituut, maar beschikt tegelijk over de vrijheid om snel beslissingen te nemen en bijvoorbeeld een veilige haven te zijn voor mensen met ingewikkelde legale statuten. Ook voor de kunstenaars blijkt onze spontane manier van werken een verademing: een groot deel van ons programma bestond uit aankondigingen à la ‘something by someone’ en dan vaak nog met ‘maybe’ erbij. (lacht) Het lijkt voor veel grotere instituten moeilijk om adequaat in te spelen op een snel veranderende wereld. Ik hoop dat de covidcrisis een gesprek in gang zet over de gewenste schaal van onze instellingen en de manier waarop we dingen in de toekomst willen organiseren.

“Ruimte is mijn muze. Alles vertrekt vanuit de vraag die een plek stelt.”

ETC.: Is er iets typisch Brussels aan deze plek, of zou je overal een Decoratelier kunnen oprichten? 

J.W.: Het kan overal, de parameters zijn eenvoudig: autonomie en het juiste evenwicht tussen professionaliteit en ongecompliceerdheid. In Brussel is het misschien iets eenvoudiger omdat er zoveel aan het bougeren is. Ik voel me hier deel van een groter netwerk. (denkt na) Ik woonde zeven jaar in Antwerpen, maar daar was het toch moeilijk om verbinding te maken met instituten zoals het Toneelhuis, deSingel of de Monty. Misschien verklaart dat wel waarom ik daar nooit erg actief geworden ben als kunstenaar, ondanks mijn nauwe band met Scheld’apen, Het Bos en vooral Elsemieke Scholte bij detheatermaker. Ik heb het wel geprobeerd hoor, maar na mijn eerste gesprek in de Monty ben ik gaan lopen omdat een man me ongevraagd begon uit te leggen hoe ik mijn project moest aanpakken. 

Het heeft ertoe geleid dat ik Decoratelier wil beschermen van te veel inmenging van buitenaf. Hier zegt niemand hoe je het moet doen. Als scenograaf is het mijn taak om compromisloze ruimte af te dwingen voor onze residenten zodat ze zo weinig mogelijk verantwoording moeten afleggen. Dat kan ik natuurlijk alleen omdat ik dezelfde vrijheid van Damaged Goods krijg. Weinig mensen weten dat Meg Stuart achter dit project zit, zij heeft geen enkele behoefte om mijn werk te claimen. Dat is redelijk ongezien.

ETC.: De plekken die je creëert zijn inherent vergankelijk. Is dat een inhoudelijke of pragmatische keuze? 

J.W.: Daar zijn we nog niet uit. De deal was tot nu toe altijd: autonomie in ruil voor een tijdelijke plek en dat was prima. Met het ouder worden voel ik echter hoeveel energie het kost om telkens weer iets nieuws uit de grond te stampen. Soms zou ik liever wat langer in één tempo lopen, in plaats van altijd te veranderen. Anderzijds zorgt die verplichting om van vorm te veranderen ervoor dat we niet te snel denken dat alles wat we doen bewaard moet blijven. Op een bepaald moment is een ruimte ook ‘op’. Ik merk dat ik nu al aan het dromen ben over de volgende tijdelijke plek: een loods in de Ardennen, een kleine cinema of de stookruimte tussen Kanal – Centre Pompidou en het Kaaitheater. Dat lijkt me een interessante plek, zo tussen twee instituten in. Ruimte is mijn muze. Alles vertrekt vanuit de vraag die een plek stelt. 

ETC.: Vind je het belangrijk dat er wel een geheugen wordt opgebouwd van de bijzondere dynamiek die zich hier afspeelt? 

J.W.: Ik vind het belangrijk dat er altijd een plek zoals Decoratelier zal zijn, maar die plek heeft mij niet nodig. Als witte, geprivilegieerde man is het vandaag sowieso erg moeilijk om jezelf wijs te maken dat je nodig bent. Rachida Aziz zei al voor ik aan deze plek begon dat een atelier in deze buurt veel beter zou gerund worden door iemand die niet op mij lijkt. Ze heeft gelijk. Dankzij zulke kritiek blijft de lat hoog liggen. Ik koester de twijfel en moeilijke vragen die dat met zich meebrengt.

Moments before the wind is uitgegeven bij Varamo Press en verkrijgbaar via www.damagedgoods.be (15 euro). 

1Wouters, J. (2020). Moments before the wind – Notes on scenography. Varamo Press, 51.2Ibid, 78.3Ibid, 104-109.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 9 — 12 minuten

#162

01.12.2020

14.03.2021

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is kernredactielid van Etcetera.

interview

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!