Patrick Jordens

Leestijd 5 — 8 minuten

‘Autobiografische fictie,: ja, dat vind ik een goeie omschrijving.’

Negende stem: Pascale Platel

De Koning van de Paprikachips, Connaissez-vous votre Géographie, Ola Pola Potloodgat, Via Viola, Gezegend Zij, Besmeurde witte laarsjes... Pascale Platel heeft op korte tijd (actief sinds 1998) een consistent oeuvre bij mekaar geschreven. En dan blijven de kortverhalen, luisterspelen en kinderboeken hier nog achterwege. Momenteel legt ze de laatste hand aan een bewerking van Sneeuwwitje, in opdracht van het Festival van Vlaanderen.

Ze brengt haar theaterteksten meestal zelf en solo. Soms indringend statisch en sober-cabaretesk (Gezegend zij), soms met veel schwung en speldynamiek (Ola Pola Potloodgat). Altijd kom je terecht in het onmiskenbare Platel-universum: een concrete, directe en plastische taal (bijna kinderlijk zelfs, nog niet helemaal geconditioneerd door de strikte regels van de syntaxis), dubbele bodems, tongue-in-cheek, grillige onvoorspelbaarheid (verschillende verhaallijnen/personages die samenkomen en evengoed ineens weer verdwijnen), associaties a volonté, een dosis kitsch en pulp, vooral veel (herkenbare) emoties, van allerlei slag…

De teksten van Platel zijn in eerste instantie een rekbaar vehikel om dat universum live op te roepen, net zoals haar gestalte, outfit, stembuigingen en dito gezichtsuitdrukkingen, haar liedjes, dansjes, etc. dat doen. Maar de basis van haar (vertel)voorstellingen wordt gelegd aan de computer, daar krijgen haar fascinaties en fantasieën hun eerste vorm. Patrick Jordens sprak met een schrijvende performer (of een stand-up schrijver) over een prenatale fase.

Hoe en waarom ik aan een tekst begin, weet ik niet. Tenminste, niet bij de meeste teksten. Het waarom komt meestal gaandeweg. Ik begin heel intuïtief aan een tekst, schrijf bijna onbewust. Ik heb wel een aantal obsessies die altijd terugkomen en die ik liever niet prijsgeef. En zit vooral met veel vragen die tijdens het schrijven naar boven komen drijven. Mijn stukken geven geen oplossing, die vragen verdwijnen door te schrijven gewoon een beetje naar de achtergrond. Schrijven is als laten rusten voor mij, ik geef mijn vragen tijdelijk aan de computer.

Als ik aan een tekst werk, maak ik meestal een plakboek (schriften waarin Platel collages maakt van foto’s, beelden, citaten, stukjes tekst, die iets weergeven van de sfeer en associaties bij een bepaalde tekst, nvdr). Ik koop gigantisch veel tijdschriften: Vogue, Taboo, Marie-Claire, Story, Dag Allemaal… Het stopt gewoon niet. Ik gebruik ze als materiaal voor mijn stukken, ik knip er prentjes uit, kies bepaalde citaten of flarden uit gesprekken .. En als ik daar dan naar kijk, zie ik vooral veel mode – beelden, glitter en glamour, design…

Alsof ik nog zestien jaar ben! Ik vind dat wreed ambetant. Dan denk ik: Pascale alstublief, wake up and smell the coffee!

Ik stap uit en ik zeg ‘Koekoek! Koekoek! Is

‘t er hier iemand? Hallo?’

‘Ja hier’, zegt een stem onder de veranda

en ik zie daar zo een seksueel zeer

aantrekkelijke politieagente staan,

met ne gieter in haar handen.

‘Is dat altijd zo dat gij bij de mensen op

bezoek komt?’ vraagt ze.

Ik zeg ‘Weete gij dat gij seksueel zéér

aantrekkelijk zijdt?’

‘Ge moet gij niet van onderwerp

veranderen’, zegt die politieagente.

Ik zeg ‘Sorry Elschje – ik had hare naam

gelezen op haar insigne – maar ik kom wel

van Mars hè! Van Mars hè!’

‘Ja maar allez’, zegt ze. ‘Wat gaat de familie

Colle niet denken als ze terugkomen van

op reis naar de Côte d’Azur in hunne

mobilhome!’

Ik zeg ‘Zijn ze al lang geleden vertrokken?’

‘Just! Ze zijn nog maar just de autostrade opgereden, die dutsen.’

Uit: Pascale Platel,

Connaissez-vous votre Géographie

Het klinkt misschien pretentieus, maar ik vind van mezelf dat ik iets te vertellen heb: namelijk dat niets is wat het is. Het intrieste kan heel komisch zijn, het lieve heel agressief, enzovoort… Maar ja, hoe noemt ge dat dan? Ambiguïteit misschien, of de kracht van de contradictie. Dat lachen en wenen dicht bij mekaar liggen, in feite.

Muziek kan mij geweldig beïnvloeden tijdens het werken. Het roept heel gemakkelijk een emotie op, en vooral emoties inspireren mij. Ik kan door sommige personages ineens hoog oplaaiende gevoelens gewaarworden, heel extreem soms, zoals bij de jager in Sneeuwwitje. De moordscène van Sneeuwwitje, daar was ik eerst compleet ondersteboven van. Dat hartverscheurend dilemma waar die zielige jager mee worstelt om haar al dan niet van kant te maken. Het is misschien niet normaal, maar ik werd daar geweldig door gegrepen. Toch is die scène in mijn bewerking heel luchtig geworden. Hij heeft de koningin verkeerd begrepen. ‘Schiet haar hart vol met gaten’, zei ze, maar hij verstond ‘neem haar juiste maten’. Maar ik zag het eerst wel heel dramatisch. Misschien is het daardoor dat er verschillende lagen zitten in mijn tekst, dat ook mijn teksten eigenlijk niet zijn wat ze lijken – schijnbaar luchtig.

Wat ik het liefste wil, is schrijven over ‘niets’. Ik zou graag eens iets heel sobers maken, met zo weinig mogelijk middelen zoveel mogelijk zeggen. Ik doe nu eigenlijk het omgekeerde:

ik zeg heel weinig met zoveel mogelijk middelen. Als ik aan een scène begin, dan spoken er meteen tien verschillende vertakkingen, uitweidingen door mijn hoofd, die te maken hebben met mijn beleving van een bepaald personage op dat moment. Of ik geraak ineens enorm gefixeerd op een of ander voorwerp en ga daar dan op door. En zo kom ik vaak niet of amper tot de eigenlijke pointe. En maar goed ook, want ik ben in feite niet echt benieuwd naar het einde of naar de pointe; die kennen we meestal al, dat is zo voorspelbaar. Nogal wat mensen haken af als ik te associatief schrijf. Mensen die het wel appreciëren, noemen het vaak ‘prettig gestoord’. Of ze zeggen: ‘Och, ‘t is toch een zotte mus, hé.’ En daar lijkt de kous dan mee af. Ik krijg dan het gevoel dat ik een heel andere beleving van de realiteit heb. Want hoe gecondenseerd en grillig mijn teksten ook mogen zijn, ze zijn toch een weergave van hoe ik het leven ervaar, of het zou willen ervaren. Ik ben eigenlijk voortdurend op zoek naar intensiteit, zowel op de scène als daarbuiten.

Als ik schrijf, omring ik me graag met een aantal boeken: het Grote Rijmelarij-boek, een zeer oud woordenboek, mijn boekhouding-boek, boeken van Proust, mijn grote voorbeeld. Ik gebruik nu en dan een specifiek jargon, zoals opzettelijk archaïsch woordgebruik, of Franse uitdrukkingen, of verkoperstaai. Ik heb graag dat het snel duidelijk is waar mijn personages zich in thuisvoelen, zonder dat ik er te vlakke typetjes van wil maken. Er wordt vaak gerefereerd aan mijn sterke Gentse tongval, en dat is logisch, ik ben van Gent, hé. Maar ik praat tijdens mijn voorstellingen nu ook in vertaling, en het werkt! Ik vind dat platte Gents trouwens te eenzijdig, ik hou meer van een mix. Maar de taal van mijn stukken is natuurlijk wel verwant aan mijn spreektaal, en het feit dat ik die stukken later ook zelf speel, bepaalt veel. Zo veel blijkbaar, dat het heel moeilijk is voor andere acteurs om mijn teksten te interpreteren. Ik zou het fantastisch vinden als iemand die uitdaging zou aangaan, zodat ik zou kunnen zien hoe iemand anders Pascale Platel speelt. Het feit dat mijn werk zo goed gedijt in het jeugdtheatercircuit is mij een beetje een raadsel. Ik weet nog altijd niet of kinderen er wel echt van houden. Wat mij opvalt is dat ze nadien met nog veel vragen zitten. Maar dat vind ik juist goed, want ik zit met dezelfde vragen, sorry hé.

Ik denk wel dat ik als volwassene nog graag ‘het kind’ uithang, en dan bedoel ik zeker niet ‘het kindje spelen’ maar juist datgene doen wat volgens de norm niet gepast is, iets stouts en anarchistisch en onverwachts. Een beetje contraire zijn. Is dat ook bij kinderen zo, wat denkt gij? Ik ben in Ola Pola Potloodgat meestal stout en bazig. In nagesprekken merk ik dat kinderen dat wel grappig vinden, maar ze gaan zich er toch niet mee identificeren. Maar de opsplitsing tussen kind-zijn en volwassenheid ervaar ik zeker niet zo strikt, het vloeit als vanzelf in mekaar over. Misschien voelen sommige kinderen dat ook, en vinden ze dat plezant. Ik hoop het.

Ik ben beginnen schrijven omdat ik het leven niet aankon. Niet dat ik zo ongelukkig was, maar ik kon heel moeilijk omgaan met hoe het leven in mekaar zat. Ik heb stapels dagboeken geschreven, waarin ik dan dikwijls een plan smeedde om de dingen in de toekomst te gaan veranderen. Schrijven was toen mijn enige verweermiddel. Dat is een cliché misschien, maar het was in mijn geval wel waar. Terwijl nu, schrijven is bijna een straf. Ik ben blij met al die opdrachten die binnenkomen, alleen, ze verplichten mij wel te schrijven. Terwijl ik nu precies liever wil leven. Is dat wel o.k.?

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#88

15.09.2003

14.12.2003

Patrick Jordens