‘Antigone’ (KNS)

Leestijd 3 — 6 minuten

Antigone

KNS, Antwerpen

De Antigone van KNS werd aangekondigd als een bijzonder project waaraan een buitengewone zorg besteed zou worden: regisseur Leo Madder kreeg een extra-repetitietijd; voor de scenische vormgeving werd een beroep gedaan op kunstschilder Ysbrant; de publieksruimte werd op een voor de KNS ongewone wijze omgevormd, enz.

We schrijven “een voor de KNS ongewone wijze” en geven daarmee meteen de dubbelzinnige gevoelens aan waarmee we deze produktie bekeken hebben: enerzijds het verlangen en de verwachting om KNS een goed produkt te zien afleveren; anderzijds het bewustzijn dat we deze voorstelling – in alle eerlijkheid – in het kader van het globale actuele aanbod van toneelprodukties moeten beoordelen, zonder ‘verzachtende omstandigheden’ in acht te nemen.

De toeschouwer wordt niet geconfronteerd met het ‘laisser-aller’ van andere KNS-produkties maar precies de inspanningen die zonder twijfel geleverd zijn, maken duidelijk hoe groot de achterstand wel is die door KNS werd opgelopen t.o.v. de huidige toneelevolutie, zowel in haar filosofische als in haar esthetische karakteristieken. De inhoudelijke en vormelijke moderniteit die deze Antigone pretendeert komt ouderwets over. Alsof er in de benadering van ‘klassiekers’ de laatste jaren geen Antikenprojekt van Peter Stein is geweest; geen Britannicus van Gildas Bourdet; maar ook: geen King Lear van Jan Decorte en geen Oedipous van Pol Peyskens, die het dan zonder de grote middelen moesten stellen waarover KNS wel beschikt. Het Antwerpserepertoire-gezelschap heeft de draad met actuele manieren van zeggen in het theater verloren; dat komt tot uiting zowel in de inhoudelijke analyse van de tekst, als in de scenische vormgeving; beide verwijzen naar een dramaturgisch concept dat enerzijds niet consequent gehanteerd wordt en anderzijds zijn relatie met de maatschappelijke werkelijkheid anno 1985 niet duidelijk kan maken.

In deze produktie zitten de toeschouwers op twee tribunes – cour en jardin – op de scène zelf; daartussen blijft een groot speelvlak open. Je krijgt eindelijk een beeld van de immensiteit van de scène van de Stadsschouwburg en van haar mogelijkheden. Het ijzeren gordijn is half opgetrokken en via een loopbrug verdwijnen de acteurs ook in de zaal. Door de nabijheid leidt deze ruimteindeling alleszins tot een hernieuwd contact tussen spelers en publiek, wat in de grote zaal van de Stadsschouwburg bijna altijd ontbreekt. De situering van het speelvlak verplicht de acteurs ook om te bewegen. Maar precies deze twee aspecten (de verhouding met het publiek en de lichamelijkheid in het spel) tonen hoe onwennig de acteurs er in hun ‘herontdekking’ mee omspringen. Een positieve uitzondering is de bode van Luk Perceval; hij toont een gespannen beweeglijkheid die opvalt.

Globaal laten dramaturgie en vormgeving de toeschouwer met vele twijfels zitten: 1) wanneer de acteurs via de loopbrug in de zaal verdwijnen zijn de zetels in de zaal soms belicht en soms onzichtbaar: de ene keer wordt dus de theatrale omgeving als element in de voorstelling geïntroduceerd; de andere keer niet. Waarom wordt niet verklaard. 2) Bij de dubbelrollen Ismene/Teiresias en Antigone/Euridike wordt niet verheeld dat ze door dezelfde actrices gespeeld worden. Dan moet daar ergens een betekenis aan vast te knopen zijn? In de Oedipous van Pol Peyskens, bij voorbeeld, bleek het volledig verantwoord om de rollen van Iokaste en de herder aan mekaar te koppelen: in deze haast als een detective-story aangepakte zoektocht naar waarheid zijn ‘de twee die het weten’ uiteraard met mekaar verwant. In deze Antigone wordt de zin van de rolkoppelingen niet duidelijk. 3) De impressionante decorschilderingen van Ysbrant vinden ook hun weerklank in de kostuums van de mannelijke personages; die van de vrouwen en het gewoon realistische scoutsuniform van het jongetje vallen daar dan weer buiten.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van een ontbreken aan consequentie en homogeniteit, ook al werden die bij deze produktie wellicht intens nagestreefd. De achterstand van KNS blijft te fundamenteel om in één produktie te overbruggen; hiervoor zijn meer grondige — structurele– wijzigingen nodig.

Bij het schrijven van dit artikel bereikt ons het bericht dat Luk Perceval de KNS verlaat. We kunnen hierbij alleen maar verwijzen naar vragen die Joris Diels zich — eerder in dit nummer– stelt: “waarom moet er iemand weglopen en daarbuiten iets beginnen…? waarom blijven de mensen niet attent om ervoor te zorgen dat de traditie niet verkalkt?”

Er lopen in Vlaanderen een hoopje interessante jonge theatermakers rond die verplicht zijn in de marge te blijven wroeten i.p.v. –zoals Herman Gilis in het NTG– grotere middelen ter beschikking te krijgen en hierdoor op een fundamentelere wijze het Vlaamse theater te gaan beïnvloeden vanuit een reële band met een maatschappelijk klimaat.

‘Directeurs van dertig jaar’: het Duitse repertoiretheater heeft er geen schrik voor gehad en het is er wel bij gevaren.

Antigone

auteur: Sofokles;

vertaling: Johan Boonen;

groep: KNS;

regie: Leo Madder;

decor en kostuums: Ysbrant ;

spelers: Denise Zimmerman, Camilia Blereau, Walter Rits, Willy Vandermeulen, Hubert Damen, Luk Perceval, Serge Adriaensen.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#10

19850415

19850714

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!