Andrej Tarkovski

Leestijd 4 — 7 minuten

Andrej Tarkovski (1932-1986)

Fragmenten uit Tarkovski’s tekstbundel De verzegelde tijd.

Kunst is in haar natuur al aristocratisch en maakt daardoor ook een soort selectie uit het publiek. Want bij de ‘collectieve’ kunsten theater en film is de werking verbonden met de beleving van het individu dat met het kunstwerk in aanraking komt. In de individuele beleving van haar receptie wordt kunst betekenisvoller naarmate ze iemands ziel kan schokken. De aristocratische natuur van de kunst ontslaat de kunstenaar echter nog lang niet van zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van het publiek of – zo men wil – van de mensheid in het algemeen. Integendeel Aangezien de kunstenaar zijn tijd en wereld het volledigst kan bevatten, wordt hij tot de stem van diegenen die hun relatie tot de werkelijkheid niet kunnen reflecteren en uitdrukken. In die zin is de kunstenaar inderdaad de stem van het volk. En daarom is hij verplicht zijn talent en daarmee ook zijn volk te dienen. Het ligt bij hem om te beslissen of hij dit talent zo omvattend mogelijk wil realiseren dan wel zijn ziel voor dertig stuivers wil verkopen. De innerlijke strijd van een Tolstoj, Dostojevski of Gogol had toch ook zijn grond daarin dat zij zich van hun rol en hun bestemming voluit bewust waren. […]

Ik ben er overigens van overtuigd dat het publiek aan de kunst uitgesproken gedifferentieerdere, interessantere en ook verrassender eisen stelt, dan gewoonlijk aangenomen wordt door diegenen die over de verspreiding van kunstwerken beslissen. Daarom kan elke, zelfs de gecompliceerdste en elitairste opvatting van kunst minstens een zekere – zij het ook vaak bescheiden – respons vinden bij het publiek. Ze is daartoe zelfs regelrecht veroordeeld. De discussie of een bepaald kunstwerk voor de zogenaamde ‘brede massa’, die mythische meerderheid, nu ook werkelijk verstaanbaar is, camoufleert daarentegen slechts de werkelijke relatie van de kunstenaar met zijn publiek, d.w.z. met zijn tijd. […]

Kunstenaar en publiek conditioneren elkaar wederzijds. Blijft de kunstenaar aan zichzelf trouw en onafhankelijk van de dagelijkse waardeoordelen, dan creëert en verheft hij zelf het receptieniveau van zijn publiek. […]

Geestloze kunst draagt de eigen tragiek reeds in zich. Zelfs het inzicht in de geestloosheid van zijn tijd eist van de kunstenaar een zekere spiritualiteit. De werkelijke kunstenaar staat immers in dienst van de onsterfelijkheid: hij probeert deze wereld en de erin levende mensen onsterfelijk te maken. Als hij zich daarentegen niet op zoek begeeft naar de absolute waarheid en het globale doel voor de nietigheden inruilt, dan blijft hij een eendagsvlieg. [,..]

Ik durf beweren dat elke kunstenaar diep in zijn hart toch aan een ontmoeting met de toeschouwer denkt, dat hij de hoop en het geloof heeft dat precies zijn werk de tijdgeest treft en daarom voor het publiek buitengewoon belangrijk wordt, verborgen snaren van hun ziel beroert. Het is zeker geen tegenspraak als ik er enerzijds niets bijzonders voor doe om mijn toeschouwer te behagen, en anderzijds toch met een bang hart hoop dat hij mijn film aanneemt en waardeert. Want hierin ligt voor mij een bevestiging van het wezen van de relatie kunstenaar-publiek, die ten diepste dramatisch is! […]

Daar waar het om een vooropgestelde ‘publieksoriëntering’ gaat, hebben we met entertainmentindustrie te maken, met showrooms en massa’s, maar in geen geval met kunst, die onverminderd haar eigen, immanente wetten moet volgen. Of ons dat nu past of niet.

Het creatieve proces voltrekt zich bij elke kunstenaar op een verschillende manier. Maar alle kunstenaars gelijken volgens mij daarin op elkaar, dat ze openlijk of verborgen op een contact met en een begrip van het publiek hopen, en dat elke mislukking daarvan voor hen een pijnlijke ervaring is. […]

De moeilijkste en verpletterendste opdracht van de kunstenaar is van zuiver morele aard: van hem worden namelijk extreme eerlijkheid en oprechtheid tegenover zichzelf vereist, en dat betekent oprechtheid en verantwoordelijkheid tegenover de toeschouwer.

Een regisseur heeft niet het recht iedereen te willen behagen of met een blik op het verwachte succes zijn werkproces te sturen. De onvermijdelijke prijs van zo’n sturing zou een principieel andersoortige relatie met het publiek zijn, die de regisseur dan met zijn concept en met de realisering van dat concept zou aangaan. […]

De formule ‘Dat begrijpt het volk niet!’ heeft mij altijd al verschrikkelijk verontwaardigd. Wat betekent dat eigenlijk? Wie eist hier voor zichzelf het recht op in naam van het volk te spreken, zichzelf voor de incarnatie van de meerderheid van het volk te kunnen uitgeven? En wie weet dan wat ‘het volk’ nu begrijpt of niet, wat het nodig heeft of afwijst? Of heeft misschien ooit iemand eens op zijn minst een bescheiden, eerlijke bevraging van dat volk georganiseerd, om klaarheid te krijgen over zijn werkelijke interesses, overwegingen, verlangens, hoop en ontgoocheling? [,..]

Als men zijn publiek werkelijk respecteert, dan is men ervan overtuigd dat het niet dommer is dan men zelf is. Om met iemand anders te kunnen spreken, moet men natuurlijk minstens een gemeenschappelijke, voor beide gesprekspartners verstaanbare taal beheersen. Goethe heeft ooit gezegd dat men slechts een verstandig antwoord kan krijgen als men een verstandige vraag stelt. Tot een werkelijke dialoog tussen kunstenaar en publiek komt het pas echt als beiden zich op hetzelfde begripsniveau bewegen. Ze moeten zich ten minste op dezelfde wijze bewust zijn van de doelstellingen die de kunstenaar zich in zijn werk stelt. [,…]

Wie zijn toeschouwer wil behagen en de criteria van zijn smaak kritiekloos overneemt, heeft voor hem geen respect. […]

Vertaald uit Texte zur Theorie des Theaters, Klaus Lazarowicz en Christopher Balme, Stuttgart, Reclam, 1991. Vertaling: Dries Moreels.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Andrej Tarkovski

artikel