© Varamo Press

Leestijd 3 — 6 minuten

And then it got legs. Notes on dance dramaturgy – Jeroen Peeters

Een elegante collectie verhalen en beschouwingen over samenwerken

Met And then it got legs schreef Jeroen Peeters een inspirerend boek rond dansdramaturgie. Het is geworteld in Peeters’ eigen ervaringen als dramaturg en artistiek medewerker van Meg Stuart, Martin Nachbar, Philipp Gehmacher, Eleanor Bauer en andere choreografen. De ideeën, vragen en praktijken die erin aan bod komen, zijn ook relevant voor podiumkunstenaars en -liefhebbers buiten de wereld van de hedendaagse dans.  

Een van de grootste misverstanden rond de dramaturg is de idee dat hun rol er vooral in bestaat om theorie en kennis binnen te brengen in een creatieproces. Alsof de andere artistieke medewerkers totaal onwetend zouden zijn, geen theoretische interesses zouden hebben, enkel zouden doen en niet denken. Peeters verwijst in And then it got legs nauwelijks naar theoretische bronnen. Het boek is een bundeling van korte, elegant gecomponeerde essays vol literaire citaten, herinneringen aan betekenisvolle momenten in voorbije werkprocessen, de bredere beschouwingen die deze oproepen rond manieren van samenwerken, en fragmenten uit teksten die Peeters eerder schreef in de marge van producties.

Onwetende meester

Dramaturgie is eerst en vooral een collectieve praktijk, al dan niet uitgevoerd in samenwerking met een dramaturg. Hoe kijk en luister je naar het werk-in-ontwikkeling? Hoe praat je erover, en hoe stuwt dat praten die ontwikkeling voort? Als je speels namen verzint voor elementen van het werk, wat is dan de mogelijke impact van dat benoemen? Welke vormen van experimenteel lezen kunnen de verbeelding stimuleren? Hoe richt je de studio in? De vier hoofdstukken van het boek weerspiegelen de chronologie van het dramaturgische werk. Vaak begint dat met het verzamelen en observeren van (1) materiaal (veel belangrijker dan ideeën); dat materiaal wordt vervolgens doorontwikkeld in (2) een proces; gaandeweg verschijnt een gedeeld (3) conceptueel landschap; naar het einde toe dringt het werk van (4) de compositie zich op. Hoewel veel verschillende producties aan bod komen, verwijst Peeters het vaakst naar Meg Stuarts solo Hunter (2014), waardoor het werkproces van die voorstelling als een rode draad door het boek loopt.

‘I’ve tried to avoid a teacher’s tone,’ schrijft Peeters in de inleiding, en daar is hij met glans in geslaagd. And then it got legs is geen how to-handboek voor aspirerende dramaturgen en choreografen. De nadruk ligt op: how did I, of liever, how did we? De toon is descriptief in plaats van prescriptief. Peeters’ pedagogie is van de Rancièriaanse snit: als een ‘onwetende meester’ deelt hij opgedane inzichten en vragen, laat hij transparant zien vanuit welke achtergrond en overtuigingen die ontstonden (Peeters groeide artistiek gezien op in de wereld van de experimentele dans en performance van de ‘noughties’), om de lezer vervolgens uit te nodigen er het hunne mee te doen. Een dramaturgische praktijk verdiept zich trouwens pas echt in concrete samenwerkingen: ‘I believe dramaturgy thrives on the quality and specificity of a collaboration, while established models or expertise are only of secondary importance. 

Succesdwang

Ondanks wat de ondertitel Notes on dance dramaturgy doet uitschijnen, is het boek niet erg disciplinegebonden. Net als met Jonathan Burrows’ klassieker A Choreographer’s Handbook (Routledge, 2010) gebeurde, bezit ook And then it got legs het potentieel om ook zijn weg vinden naar de studio’s van theater- en performancemakers, naast die van choreografen en dansdramaturgen. 

Hoe neem je als dramaturg én als maker de positie van het ‘niet-weten’ in? 

In de context van de Vlaams-Brusselse podiumkunsten, waar de waarde van de artistieke vernieuwing al decennialang die van de traditie overvleugelt, ontwerpt – zoals dramaturge Marianne Van Kerkhoven schreef – elke productie ‘haar eigen methode’. Hoe maak je van creatieprocessen telkens opnieuw laboratoria, waarin je alternatieve vormen van samenwerking en verbeelding kan trachten uit te vinden? Welke experimentele praktijken helpen om die processen ‘open’ te houden, zonder dat ze willekeurig en blind worden? Hoe behoed je het werk van het ‘sense-making’ voor de shortcut van het herkenbare, het al te leesbare en communicatieve? Hoe neem je als dramaturg én als maker de positie van het ‘niet-weten’ in? 

Na jaren van besparingsrondes in een steeds drukker bevolkt podiumkunstenveld, hangt er bijna een zweem van nostalgie rond And then it got legs. Neem bijvoorbeeld het essay over ‘symbolic waste’, dat het hoofdstuk over het proces afsluit. Peeters beschrijft daarin hoe voor Meg Stuart het occasionele verspillen van tijd en productiemiddelen paradoxaal genoeg een waardevol onderdeel kan zijn van een creatieproces. Soms doet de ploeg iets ‘just for today’ of ‘just for our private fun’. Iets uitproberen, falen, energie verspillen, vasthouden aan het niet-weten, zoeken zonder te willen vinden,… Zo’n experimentele, risicovolle attitude botst hard met een productiecontext die getekend is door precariteit, efficiëntie en succesdwang.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!