Leestijd 5 — 8 minuten

Altijd willen weten

Kroniek

Altijd Willen Weten is het afstudeerproject van Alexander Nieuwenhuis. Deze masterstudent Woordkunst aan het Herman Teirlinck Instituut voerde een onderzoek naar de begrippen ‘vakmanschap’ en ‘duurzaamheid’, dat zijn neerslag vond in zes openbare interviews plus een voorstelling. De reeks vond plaats op een onwerkelijke locatie: in het kerkje van Oosterweel, het enige wat is overgebleven van het ondergespoten polderdorp. Het gebouw bevindt zich in een klein bos dat een zestal meter in de grond verzonken ligt, pal naast een gigantisch industriepark. Nieuwenhuis trad er achtereenvolgens in gesprek met twee filosofen (André Klukhun en Jan-Hendrik Bakker), twee kokkinnen (Lut de Clerq en Mieke Vervecken-Pieters), twee handwerkers (Dre Wapenaar en Jeroen Besems), een theatermaker (Jan Joris Lamers), een imker (Laurent Ignoul) en ten slotte een bioloog (Gauthier Chappele). In de voorstelling worden deze conversaties verknipt en gecombineerd tot een nieuw geheel dat het ganse project mooi afzoomt. Altijd Willen Weten is de ontroerende zoektocht van een jonge maker naar een zinvolle invulling van het kunstenaarschap en van het als-mens-in-de-wereld-staan. In zijn visie zijn leven en werk, ethische en esthetische keuzes onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als Nieuwenhuis bij aanvang van zijn voorstelling zegt: ‘We gaan eraan beginnen’, dan slaat die zin niet enkel op het begin van de voorstelling, maar ook op het punt waar de kunstenaar zich vandaag in zijn leven bevindt: aan het eind van zijn opleiding en aan het begin van… ja, van wat precies?

Twee reizigers staan voor de open poort van de kerk en kijken naar binnen. Verwachtingen, zowel bij hen als bij het publiek op de geïmproviseerde tribune achterin. Samen hebben beide mannen een lange weg afgelegd: Freek Vielen begeleidde Nieuwenhuis tijdens zijn afstudeerjaar. Eenmaal binnen ontdoen de twee zich met een zucht van verlichting van hun enorme rugzakken. Het wordt snel duidelijk dat de reizigers niet op hun bestemming zijn aangekomen, maar op doorreis zijn. Na wat wetenswaardigheden over het project en een beknopt exposé over jeugdig enthousiasme, over hoe dat schijnbaar onvermijdelijk moet worden opgegeven in het proces van volwassenwording, voorspelt Nieuwenhuis dat Altijd Willen Weten zal eindigen met een ‘cliffhanger’. Die zal de manier betreffen waarop hij straks, door dezelfde poort waardoor hij zonet naar binnen kwam, deze ruimte opnieuw zal verlaten. De spanningsboog is daarmee ingezet. Omwille van de symbolentaal (de poort, de reizigers) en de bijzondere tijdscontext (het afstuderen) doet de voorstelling van bij het begin aan een passageritueel denken. Overgangsriten geven belangrijke momenten in een mensenleven vorm, zoals geboorte, volwassenheid, huwelijk, ouderdom, dood. De Franse antropoloog Arnold van Gennep onderscheidde drie fasen binnen deze rituelen: afscheiding, liminaliteit en re-integratie in de samenleving. Vooral de liminale fase, waarin het individu verwijlt op de drempel (‘limen’) tussen zijn oude en zijn nieuwe identiteit, is binnen deze context van belang. Nieuwenhuis grijpt zijn afstudeerproef aan om te reflecteren over de overgang van het studentenbestaan naar het beroepsleven.

Victor Turner verruimde de theorievorming omtrent van Genneps concept van liminaliteit. Hij omschreef het als ‘a realm of pure possibility’, een ongedefinieerde tussenruimte waar geijkte maatschappelijke rollen en structuren vervallen, andere identiteiten kunnen worden aangenomen, nieuwe perspectieven ontstaan. Altijd Willen Weten, de voorstelling, bestaat grotendeels uit een in scène gezet, fragmentair interview, waarin Nieuwenhuis voortdurend van de ene rol naar de andere verhuist. Na zes gesprekken lang te hebben geluisterd en vragen gesteld, bevindt hij zich nu zelf op de stoel van de geïnterviewde. De leerling speelt de meester. Negen op de tien keer beantwoordt hij de mooi aarzelende vragen van Vielen met letterlijk geciteerde uitspraken, opgetekend uit de monden van zijn gasten. We horen de theatermaker opnieuw doceren over de betekenis van repertoire, de meubelmaker zeggen dat hij ervoor gekozen heeft om in zijn atelier te wonen, we herkennen de waarschuwing van de bioloog voor de dreigende ecologische catastrofe. Al deze rollen omvatten verschillende opvattingen over traditie, maatschappelijk engagement, de verhouding tussen werk en leven, enzovoort. Samen vormen ze het veld van keuzemogelijkheden waartoe Nieuwenhuis – en elke toeschouwer voor zichzelf – zich kan verhouden: wat betekenen de woorden ‘werk’ en ‘carrière’ voor mij? Waar liggen mijn verwachtingen?

In Altijd Willen Weten is dat veld niet onbegrensd. Als de erg diverse gastsprekers iéts met elkaar gemeen hebben, dan is het dat ze stuk voor stuk authentieke vakmannen (en -vrouwen) zijn. Vakmanschap staat hier niet enkel voor overgeleverde vakkennis en na jarenlange ervaring verworven kunde, maar ook voor een welbepaald werkethos, dat gekenmerkt wordt door een grote onbaatzuchtigheid. In zijn recente studie The Craftsman (2008) omschrijft de Amerikaanse socioloog Richard Sennett vakmanschap als ‘an enduring, basic human impulse, the desire to do a job well for its own sake’. De ontwikkeling van hun vaardigheden is voor elk van de gasten vóór alles een doel op zichzelf, niet in de eerste plaats een middel om geld of aanzien te vergaren. Vakmanschap is in verdrukking geraakt binnen de huidige neoliberale maatschappij. Het blinde streven naar winst en succes staat in een omgekeerd evenredige verhouding tot het respect voor een product van arbeid – zowel van de kant van de producent als van die van de consument. Dit dominante commerciële model heeft ook ingang gevonden in het veld van de jonge kunstenaars. Al het werk dat voor ‘verfrissend’, ‘origineel’ of ‘nieuw’ kan doorgaan, wordt vlug-vlug geoogst en op een piëdestal geplaatst. Het tekort aan geduld en engagement van een kunstenlandschap tegenover het groeiproces van jonge makers en het gebrek aan noodzaak bij de kunstenaars zelf, dat lijken twee kanten van dezelfde medaille te zijn. Een afstudeerproject met vakmanschap als centraal onderzoeksthema leest als een reactie op deze situatie. Het ontwikkelen van vakmanschap houdt zich immers ver van de waan van de dag. Het is een werk van lange adem, een traag proces van voortbouwen op bestaande kennis, die aanpassen aan veranderde omstandigheden. Traditie hoeft daarbij niet als iets conservatiefs te worden gezien: niet als ‘de aanbidding van de asse, maar het doorgeven van het vuur’ (Gustav Mahler). Vakmanschap lijkt voor Nieuwenhuis hét model te zijn voor arbeid in het algemeen en voor kunstenaarschap in het bijzonder.

In Altijd Willen Weten wordt vakmanschap verbonden met duurzaamheid. Zowel in zijn verhouding tot de traditie als binnen zijn productieproces tracht de ambachtsman zo weinig mogelijk energie verloren te laten gaan. Een verademing is het om te zien dat de ecologische idealen niet bij mooie woorden blijven, maar concreet alle geledingen van het project doordringen, van het hergebruik van citaten uit de interviews tot de inrichting van de speelplek toe. Zo werken de geluidsinstallatie en de LED-verlichting op zonne-energie en werd het sobere, elegante decor van hoge houten wanden en krukjes grotendeels opgetrokken uit ter plekke gesprokkeld materiaal. De keuzes van de kunstenaar beperken zich niet tot wat zich tussen het spreekwoordelijke open- en dichtgaan van het doek afspeelt, maar strekken zich uit tot de eigen werkomstandigheden.

Naast de vraag hoe hij moet maken, is er nog een andere vraag die Nieuwenhuis zich stelt op de drempel tussen zijn studententijd en zijn beroepsleven als kunstenaar: of hij wel moet maken. Zijn er immers geen urgenter zaken om aan te pakken dan de ontwikkeling van zijn persoonlijke vakmanschap? Een mogelijke ecologische wereldramp bijvoorbeeld, of pakweg de groeiende kloof tussen Noord en Zuid? ‘Dat kan zo niet langer,’ zegt Nieuwenhuis doodserieus, ‘daar moeten we iets aan doen.’ De woorden klinken ondraaglijk naïef in onze oren, die aan cynisme gewend zijn geraakt. De jonge kunstenaar heeft er moeite mee het belang van zijn kunst voor zichzelf te verantwoorden en denkt eraan om politiek activist te worden. Ook die rol wordt vervolgens opgegeven. Op de tranerige tonen van de soundtrack van Into The Wild geeft de maker niet zonder enige zelfspot een toespraak waarin hij aankondigt zich alleen terug te trekken in de bergen. Weg van de kunst en weg van de politiek. Of Nieuwenhuis, eenmaal de drempel te hebben overgestoken, nu kunstenaar, wereldverbeteraar of bergzitter wordt, die vraag blijft open aan het eind van de voorstelling. Laat ons hopen op dat eerste. Altijd Willen Weten is een erg genereus en intelligent voorstel, de introspectie van een jonge maker met een open blik op de wereld: energie die niet verloren mag gaan!

Deze tekst werd geschreven in het kader van het Corpus Kunstkritiek van het Vlaams Theater Instituut.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#118

01.09.2009

30.11.2009

Sébastien Hendrickx

Sébastien Hendrickx is lid van de kleine redactie van Etcetera, schrijft over podiumkunsten en beeldende kunst, doceert in het KASK en en werkt als dramaturg en podiumkunstenaar.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!