© Colette Goossens (l) & Daphné Termote (r)

Leestijd 11 — 14 minuten

‘Als je afstudeert als theatermaker, is er een gat’

Het heeft iets historisch. Met een Toneelscholenfestival nemen masterstudenten drama van de vier Vlaamse toneelopleidingen tot 29 augustus zelf het heft in handen om hun afstudeerwerk publiek te delen. Zonder selectie. Als een oproep tot solidariteit, ook aan het veld zelf. ‘Theater draait niet om ego en competitie, maar om verbinding’, zo praten Colette Goossens (KASK) en Daphné Termote (Conservatorium) vrijuit over het gat tussen opleiding en werkveld, én over de problemen aan beide kanten. ‘Corona’ valt amper.  

Toneelstudentjes die zelf eens hun eigen festival gaan organiseren? Sommige professionals reageerden eerder sceptisch op de eerste berichten over het Toneelscholenfestival. Dat wilden ze nog wel eens zien, zeker na dit bizarre jaar. Maar kijk: op toneelscholenfestival.be staan vandaag 20 creaties die deze weken één of twee keer te zien zijn in vooral kleinere zalen in Antwerpen, van V36 en Link Oever tot De Nwe Tijd en het Middelheimpark. Het gaat om 60% van alle masterproeven die dit jaar gerealiseerd zijn aan de dramaopleidingen LUCA Drama (Leuven), KASK (Gent), RITCS (Brussel) en het Conservatorium (Antwerpen).

Uit elke school sloegen in totaal negen studenten enkele maanden de handen in elkaar voor de organisatie van het festival, naast het afwerken van hun eigen masterproef. Daphné Termote, master kleinkunst, presenteert op het festival met Patricia Kargbo haar ‘tragisch-komische theatervoorstelling Dans, protestpolka over de mogelijke verbinding tussen twee mensen. Colette Goossens was deze maand ook al op Theater Aan Zee te zien met Mijn broer: The Walrus, een ontregelende solo over haar rouwproces na het overlijden van haar broer.

‘Velen in ons organiserend team hebben voor het festival dingen op school moeten opgeven en zijn zelfs niet toegekomen aan hun masterscriptie’, schetst Goossens. ‘Ook het loontje dat we voor onszelf als organisatoren begroot hadden, is uiteindelijk niet haalbaar gebleken. Ons principe was: eerst de spelers, de technici en de medewerkers fair vergoeden en een warme maaltijd bieden op hun speeldag. Dat is ook gelukt en daar zijn we heel trots op: we werken zonder KVR’s. Maar zelf zullen we het uiteindelijk allemaal vrijwillig moeten doen.’

De spirit van het Toneelscholenfestival is die van een off-festival, een unicum in Vlaanderen: iedereen die wou, kon mee op de affiche. Geen programmeur wikte en beschikte, wel de artiesten zelf. ‘Elke master drama heeft de kans gekregen om op het festival te staan, los van smaak of inhoud‘, benadrukt Termote. ‘Wij hadden ook voor alles een oplossing klaar: van mensen die met acht boxen in een open veld wilden staan, tot iemand die een grote kelder zocht. Dat zij uiteindelijk toch niet in het programma staan, was hun eigen keuze. Sommigen moesten afzeggen omdat hun ploeg niet beschikbaar was, anderen bleken toch niet zo trots op wat ze gemaakt hebben. Maar wij hebben tegen niemand gezegd: sorry, dat gaat niet lukken.’

Het resultaat vormt veeleer een weidse waaier aan vormen en inspiraties dan het strakke visitekaartje van een nieuwe generatie. ‘Dat is juist zo mooi aan dit programma’, vindt Termote. ‘De ene doet een repertoirevoorstelling op basis van Schnitzler, de ander komt met een zelfgeschreven tekst of net een heel abstracte bewegingscreatie zonder taal. Dat maakt het ook zo anders dan andere festivals. Er zit geen filter van een programmator op. Wat wij tonen, is gewoon het theater van nu, omdat wij het maken. Dit is onze generatie. Of we het nu willen of niet, wij zijn de toekomst. Dat is wat dit programma presenteert.’

Hoe was het om dat allemaal te organiseren? Hoe staan jullie er bij de start voor?

Termote: ‘We zijn pas in maart-april begonnen, dat is natuurlijk veel te laat. Daardoor zit je nu met kwesties die voor je gemoedsrust allang rond hadden moeten zijn. Uiteindelijk hebben we het wel onder controle, maar welke onvoorziene verrassingen zullen nog uit de lucht vallen, wat zijn we misschien uit het oog verloren? Superspannend allemaal.’

Goossens: ‘Niemand van ons heeft ooit al eens een festival georganiseerd op deze schaal. We zijn er ook helemaal niet voor opgeleid. Neem een begroting opmaken: dat is al een uitdaging voor je eigen voorstelling, laat staan voor een festival met zulke grote bedragen en zoveel meer mensen en obstakels.’

Termote: ‘Zo hebben we alles al doende moeten uitzoeken. Shit, Sabam! Shit, verzekeringen voor vrijwilligers! Al die dingen zie je niet als je zelf op een festival komt, maar ze moeten wel geregeld worden. Om alles qua opbouw en afbraak realistisch te houden hebben we die 20 voorstellingen ook moeten spreiden over heel verschillende locaties én over twee weken. Wat zal die lange boog geven? Zal het festival genoeg leven? Zakken mensen wel af naar het festivalcentrum in hetpaleis? Het blijft een eerste editie, veel zal zich gewoon moeten uitwijzen.’

Waarom was dit Toneelscholenfestival zo belangrijk voor jullie?

Goossens: ‘Op school blijf je toch heel hard in een bubbel zitten, in een bepaald denken over kunst en maatschappij. Zodra je dat doorprikt en in contact komt met makers van andere scholen, wordt het veel spannender. Hoe kijken we naar elkaars werk? Welke discussies komen er dan los? Alleen al door dit festival te organiseren is mijn visie op theater zoveel breder geworden. Net omdat je de hele tijd samen moet dealen met zoveel kloterij, groei je heel dicht naar elkaar.’

Termote: ‘Voor ons was het ook belangrijk dat dit helemaal los van school zou gebeuren. En zo tref je nu op de lijst van verkochte tickets ineens namen aan die je helemaal niet kent. Eindelijk kan je gewoon voor publiek spelen, in plaats van voor medestudenten en docenten. En dat zonder enige druk van een jurybeoordeling! Ik vind dat heel bevrijdend.’

Wat mag dat publiek precies verwachten? Een gecureerd festival garandeert een zekere kwaliteitsbewaking. Die garantie krijgt de bezoeker hier niet?

Termote: ‘Toch wel. Elke maker op ons festival zal in zijn kracht staan. Van welke school we ook komen, we zijn niet voor niets masters. Wij hebben hier allemaal minstens vier jaar voor gestudeerd. Dan geloof ik dat iedereen wel iets te vertellen moet hebben dat het waard is om gezien te worden.’

Goossens: ‘Zo merk ik in veel masterproeven bijvoorbeeld een groot je m’en foutisme, gerijpt na een lange zoektocht naar hoe je als maker kwaliteitsvol kan omgaan met je materiaal. Ook zelf had ik geen zin meer om maskers op te zetten en mensen te pleasen.’

Is die keuze om niet te selecteren een statement naar andere jongemakersfestivals?

Termote: ‘We wilden vooral een alternatief bieden voor onze eigen concurrentiestrijd om bij dat beperkte kransje makers te raken die geselecteerd worden voor festival x of y om daar dan de prijs weg te kapen. En de rest dan? De rest bestaat niet, ook al hebben we allemaal hard gewerkt aan die masterproef. Waarom al die jonge makers dan geen kans geven om te groeien door hun werk te hernemen buiten school? Dat is een ontwikkeling waar je recht op hebt, terwijl het veld die nu niet aan iedereen biedt.’

Goossens: ‘Op zich is het natuurlijk waardevol dat festivals een selectie maken, dat is nu eenmaal the game. Je kan daar niet van weglopen. Maar iedereen verdient het wel om in normale omstandigheden je werk te tonen en kennis te maken met het werkveld: “dit is mijn creatie, kom maar eens kijken!”. En zo kan er misschien een dialoog ontstaan die duurzamer is dan gewoon afstuderen en in een onzeker werkveld terechtkomen. Voor één keer gaat het niet om de survival of the fittest, maar primeert laagdrempeligheid.’

Zit er dan zoveel druk op jezelf lanceren na het afstuderen?

Termote: ‘Ja, als jonge afstuderende mens moet je al je hoop zetten op bepaalde mensen en programmatoren die de macht hebben om te bepalen of jij al dan niet je werk zal kunnen doen. Je nodigt hen uit om naar je masterproef te komen kijken, maar dan blijken ze al andere dingen te doen te hebben. Fair enough, maar zo’n pietluttigheid bepaalt wel of veel andere mensen je werk wel of niet zullen leren kennen. Kan dat allemaal wel beslist worden door zo weinig mensen? Dat is het systeem waaraan we nu onderhevig zijn.’

Goossens: ‘Zelf heb ik wel het geluk gehad om geselecteerd te worden voor Theater Aan Zee, maar uit die selectie spreekt sowieso een bepaalde smaak. En dat is natuurlijk het volste recht van een programmator, die ook moet werken binnen allerlei financiële beperkingen. Alleen zou je willen dat wij daar niet zo afhankelijk van moeten zijn. Eigenlijk zouden zulke festivals, en bij uitbreiding het hele veld, minstens een eerste platform moeten garanderen aan iedereen met professionele ambities.’

Termote: ‘Tegelijk lijkt de reputatie van elke school meteen een stempel op te leveren over wie jij als maker bent of wat je kan. Dat vind ik niet serieus: die vooroordelen zijn echt niet gebaseerd op wie er afstudeert. Ook dat willen we met ons festival bijsturen: kom eerst zelf eens kijken.’’

In jullie open brief bij het festival schrijven jullie: ‘Wij hebben besloten dat in 2021 collectiviteit meer dan ooit belangrijker is dan rivaliteit’. Hoezo?

Termote: ‘Sommige jonge makers hebben de gave om te netwerken, om zichzelf te laten zien, om de beste stage te versieren, om vrienden te maken. Een goeie babbelaar zijn is bijna een voorwaarde geworden om gelanceerd te raken. Alleen is de één daar een beter in dan de ander. Bij ons hoeft dat niet om geprogrammeerd te raken.’

Goossens: ‘Hetzelfde geldt voor subsidiedossiers schrijven. Je kan nog de prachtigste voorstellingen maken, als je niet goed bent met woorden om jezelf te verkopen, start je al vanuit een ongelijke positie. Nochtans lijkt dat een constante te worden in onze toekomst: om de zoveel maanden bij producenten en programmatoren een rist sollicitatiegesprekken gaan afleggen onder het mom van “eens een koffie drinken”. Zelfs de Koer van TAZ dreigt één groot verkoopsbureau te worden.’

Termote: ‘Steeds weer moet je de beste versie van jezelf spelen, maar wie is dat dan? Moet ik dan luid doen of net stil? Van dat soort keuzes lijkt je hele toekomst af te hangen.’

Goossens: ‘Alles wordt altijd zo individueel benaderd dat je net gedwongen wordt om een ego aan te kweken. Daar draait de kunst toch niet om? Het draait om samen nieuwe verbindingen aangaan.’

Kan je competitie en selectie ooit uitschakelen?

Termote: ‘Het probleem is veeleer de geldende visie op “er geraken”. Wat is “er” dan? Ik ben nu bezig in Rusteloosheid van Ignaas Devisch, een pleidooi voor een mateloos leven. We zijn altijd bezig met de jacht, maar nooit tevreden met wat we vangen. Ook als jonge maker hoor je voortdurend: “zorg maar dat je er geraakt”. Maar er bestaat niet zoiets als “er zijn”.’

Goossens: ‘Dat wordt steeds verkocht als iets duurzaam, als “het gemaakt hebben”. Terwijl het gepresenteerd zou moeten worden als blijven groeien, als leren luisteren naar elkaar, als beter leren spelen en omgaan met anderen. Dáár draait het om.’

Termote: “Dat kreeg ik ook op mijn jury te horen: “ik zie iemand die nog aan het leren is, niet iemand die er al is.” So what? Moet ik dan nu al mijn meesterwerk maken? Ga ik dat ooit maken? Ook in de muziek blijft er steeds die stress om al bij je debuut uit te stralen wie je bent, wat je stempel is. Maar ik heb zovéél facetten. Ik maak graag die en die muziek én ik speel graag theater in die en die stijl. Ik leef pas als ik elke dag van gedacht kan veranderen. Maar zelfs op school had ik niet het gevoel dat ik vier jaar mocht experimenteren. Wel dat ik continu moest laten zien “dat ik het waard ben”.’

Goossens: ‘Zelf ben ik heel blij over wat ik aan KASK allemaal heb kunnen uitproberen. Ik hoop alleen dat dat nog even kan blijven duren. Het probleem is dat er in het werkveld zoveel nadruk ligt op het eindproduct. Dat begint zelfs al op school: vier jaar lang romantiseert men het proces, tot dat bij je eindwerk ineens helemaal wegvalt. Mochten we dat proces meer aandacht kunnen geven, zouden we als sector zo hard kunnen groeien!’

Johan Simons heeft ooit gezegd: geef jonge makers de eerste vijf jaar géén steun, dan selecteert het echte talent zichzelf wel uit.

Termote: ‘Dat is precies de instelling die ik zo haat. Ik vrees dat het omgekeerde waar is: er gaat net veel talent verloren aan te moeilijke omstandigheden. Zo is er iemand uit onze opleiding die echt veel in haar mars heeft, maar die nu beslist heeft om iets anders te gaan doen, omdat ze gewoon geen deel wil uitmaken van de strijd die het theaterwereldje is.’

Goossens: ‘En dan vragen we ons af waarom het theater echt niet divers is? Dat begint al bij oudere generaties die zeggen: “Als je het echt wil, kom je er wel.” Maar geldt dat vandaag nog altijd? We maken in theater crisis op crisis mee, ondernemen is gewoon veel moeilijker geworden. Zelfs als je geselecteerd wordt voor een festival, is het niet zo dat de bal dan automatisch aan het rollen gaat. Dat is gewoon bullshit, dat TAZ dé opening is naar het werkveld. Ook nu moet ik daar vooral zelf voor blijven werken, de onzekerheid blijft. Dát is de echte druk. Moet je dan op alles meteen ‘ja’ zeggen, omdat je “een kans krijgt”? Ik sta nu al op springen. Dan moeten we ons afvragen: hoeveel waarde hechten wij als afstuderende makers aan zulke selecties? In hoeverre bepalen we die hiërarchie zelf mee?’

Termote: ‘Dat is waar. Op TAZ kunnen spelen lijkt “living the dream”, iets wat iedereen wil. Maar in de praktijk gebeurt het in omstandigheden die er helemaal niet naar zijn om het voor iedereen te willen. Ook dat was voor ons een reden om zelf dit festival te beginnen.’

Goossens: ‘Ik kan dat simpelweg niet betalen, om voor niets voorstellingen te blijven maken tot iemand mij eens zal opmerken.’

Eigenlijk zeggen jullie: er is veel meer ongelijkheid dan het werkveld in rekening neemt?

Termote: ‘Voor mij was dat de aha-erlebnis van het jaar: je kansen van thuis uit bepalen mee wie het haalt en wie niet. Zelf moet ik nu een andere job gaan zoeken om rond te blijven komen. Dan ben je al veel minder vrij dan anderen die nog een extra jaar gesteund worden door hun ouders om nog wat te onderzoeken! Dat wil zeggen dat kunstenaar zijn op een bepaalde manier toch een elite-ding is. Je moet het maar kunnen. Allemaal uit de goot komen kruipen en met een appel een voorstelling maken? Zo werkt het niet.’

Goossens: ‘Dat zag je ook bij ons op school: er blijken heel weinig oplossingen te zijn voor wie het niet kan betalen. Die profielen vallen veel sneller uit. Een theaterschool is op zichzelf al zo’n intensief traject, maar als je daarnaast nog lange uren in de horeca moet draaien, dan zuigt dat vanzelf de zin uit mensen.’

Termote: ‘De overheid mag dan wel geld toestoppen voor wie niet op zijn ouders kan terugvallen, maar dat stopt zodra je afstudeert. Neem de beroepsinschakelingstijd. Na je studie moet je je direct inschrijven als werkzoekende, maar dan duurt het een jaar voor je aanspraak kan maken op een werkloosheidsuitkering. Dat wil zeggen dat ik nu werk moet gaan doen waarvoor ik niet ben opgeleid, want het werkt in theater gewoon niet zo dat je even gaat solliciteren voor een job.’

Goossens: ‘Steeds weer wordt van ons verwacht dat we supermensen zijn. Of je moet je trauma’s of je kwetsbare situatie uitsmeren op scène, dat helpt blijkbaar ook. Daar heb ik het moeilijk mee. Iedereen moet het recht hebben om zijn persoonlijke situatie en zijn werk te scheiden.’

Wat zouden jullie dan voorstellen voor meer inclusieve scholen of een vlottere toegang tot het werkveld? Wie is daar verantwoordelijk voor?

Termote: ‘Het leven is natuurlijk niet gratis, maar in een ideale wereld zouden afstuderende makers dankzij een maandloon een half jaar langer kunnen blijven onderzoeken.’

Goossens: ‘Dat is wat de Montignards bij Monty kunnen doen, maar dat is natuurlijk maar voor een beperkte groep. En zal dat blijven bestaan? Soms word ik heel verdrietig van hoe weinig de gevestigde compagnies zich verantwoordelijk lijken te voelen voor instromers. Aan hen wil ik een oproep doen: werk veel meer met jonge makers, ga voor een grotere mix in generaties en laat zo je eigen visie steeds weer uitdagen. Voor die “oudere garde” is het vandaag ook niet evident, maar wel makkelijker om anderen kansen te geven.’

Termote: ‘Tegelijk bots je daar op een structureel probleem: er zit gewoon te weinig geld in de cultuursector. En dan moeten we opletten dat die oudere garde niet zomaar vervangen wordt door jongere mensen, omdat zij goedkoper zijn. Het dreigt snel “of of” te worden, in plaats van “en en”.’

Goossens: ‘Uiteindelijk begint alles bij de overheid, ja. Die moet inzien dat de kunsten iets anders zijn dan Coca-Cola. Onze economie is niet: meer vraag, meer aanbod. Het werkt net omgekeerd: hoe meer aanbod er is, hoe meer vraag er zal zijn.’

Jullie ervaren dus te weinig steun vanuit het veld, maar voor het festival zelf blijken er toch best veel partners op jullie site te staan. Wat hebben zij bijgedragen?

Goossens: ‘De stadstheaters, de Leuvense huizen en onze vier scholen hebben financiële steun geboden. En ook de Vlaamse Gemeenschap zal nog een bedrag overmaken. Enkele kleinere huizen stellen hun zaal ter beschikking en hetpaleis heeft zich sterk geëngageerd door twee weken hun bar open te houden als festivalcentrum. Toch blijf ik een beetje teleurgesteld in wat we uiteindelijk maar hebben kunnen ophalen: in vergelijking met andere festivals blijft dat een mini-budget. Zelfs als je bij sommige huizen gewoon vraagt om ons initiatief even te delen, blijkt dat moeilijk te liggen. Alsof men niets wil promoten dat nog de mist kan ingaan. Terwijl wij van onze kant ons wel overal heel hard hebben moeten verdedigen.’

Termote: ‘Dat is logisch, we hebben ook nog niets bewezen. Er staat niets op onze cv dat garandeert dat we een festival kunnen organiseren. Net daarom vallen veel mensen nu uit de lucht dat het ons toch gelukt is en dat we toch best goed georganiseerd blijken.’

Zien jullie dit toneelscholenfestival als het begin van een traditie? Komt er ook een volgende editie? Of is dat dan maar aan de volgende lichting masterstudenten?

Termote: ‘De bedoeling is dat wij het volgend jaar opnieuw doen, maar dan in een andere stad, omdat we telkens willen verhuizen. Aan die tweede editie zouden we dan al vanaf oktober beginnen voor te bereiden, minder last minute.’

Goossens: ‘En dan denken we van elke school gewoon één of twee nieuwe masters bij ons team te vragen, omdat we het niemand toewensen om alles opnieuw van nul te moeten gaan uitzoeken. Alleen als wij onze opgebouwde expertise verder investeren in dienst van een volgende lichting, kan dit Toneelscholenfestival iets duurzaams worden.’

Termote: ‘Zo zijn we ook bezig aan een draaiboek met alles wat we geleerd hebben. Die systemen zijn er nu: een excel met contactgegevens, een perslijst, een globale begroting, een planning met allerlei to do’s.’

Goossens: ‘Maar laat ons eerst maar zien hoe deze eerste editie loopt. Iedereen welkom!’

 

Programma en tickets: www.toneelscholenfestival.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 11 — 14 minuten

#164

01.06.2021

02.09.2021

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!