‘All Together Now’ (2008) © Wolfgang Silveri

Leestijd 6 — 9 minuten

All Together Now – Psychodrama op schaal 1:1

Meg Stuart/damaged goods

All Together Now is een songtitel uit The Yellow Submarine, de psychedelische animatiefilm rond de figuren van The Beatles uit de late jaren 1960. Het is ook de titel van een werk dat Meg Stuart met Damaged Goods creëerde voor het festival Steirischer Herbst in het Oostenrijkse Graz. De titel is wat ironisch. Al gaat het ook hier om het gevoel van samenhorigheid dat The Beatles met zoveel gloed aanprezen, Stuart wekt dat gevoel op een koele, studieuze manier op, niet om ons te vervullen van vreugde maar om alle tegenstrijdige strevingen in dat verlangen zichtbaar te maken. De tekst bij de voorstelling zegt het in zoveel woorden: ‘In All Together Now is een groepje mensen op zoek naar samenhorigheid in oude en nieuwe rituelen. Ze gaan door diepe crisissen, maar vieren ook feest.’ Niemand vertelt daar echter bij dat niet enkel de performers bij deze zoektocht betrokken zijn, maar evengoed of zelfs vooral het publiek.

Een licht herwerkte versie van dit stuk was recent in het Kaaitheater te zien. Die herwerking was een noodzaak, want het stuk is een soort locatieproject: het voert de toeschouwers langs een aantal plekken in een bestaand gebouw die zo aangepast werden dat ze de kijkers door hun gebruik, maat en aankleding licht desoriënteren. Om dat effect te bereiken werd in Graz gebruik gemaakt van een enorme hall. In het Kaaitheater werden enkele ingrepen uitgevoerd in de inkomhal en de foyer en werd de zaal helemaal ontruimd om podium en zaal nagenoeg een eenheid te laten vormen.

Daarin lijkt All Together Now op Highway 101, een project dat Stuart samen met theatermaker Stefan Pucher en videast Jorge Leon een kleine tien jaar geleden in diverse cultuurhuizen in Europa bracht, en daar telkens herwerkte op maat van de plek. Ook toen bevond het publiek zich nooit in de klassieke zaalsituatie, maar werd het op sleeptouw genomen door het hele gebouw. Een gevolg daarvan was dat je bij aanvang vaak moeilijk kon uitmaken wie performer was en wie publiek. De grens tussen de ruimte van de toeschouwers en die van de performers werd moedwillig vaag gehouden. Dat veroorzaakte een irritante gêne: de kijker werd er zich via zijn eigen wantrouwige blik van bewust hoezeer hij ook aan de onderzoekende blik van anderen overgeleverd was1. Plots werd de kwetsbaarheid van het pantser dat we dragen in een publieke situatie letterlijk aan den lijve voelbaar. Iedereen werd er zich heel precies van bewust dat je in kleine gebaren en handelingen en in je verschijning steeds allerlei dingen over je intimiteit onwillekeurig prijsgeeft. Dat is iets heel anders dan bewust je hart op tafel leggen. Dat effect werd in Highway 101 echter niet voluit uitgespeeld. Gaandeweg werd overduidelijk wie performer was en wie niet en keerden de normale verhoudingen tussen kijker en performer, maar ook de normale verhouding van de kijker met zichzelf, terug.

In dat opzicht gaat All Together Now een stap verder. Niet omdat je niet zou weten wie de performers zijn. Integendeel, dat is vanaf het eerste moment perfect duidelijk. Het publiek schaart zich bij aanvang van het stuk in de inkomhal van het theater rond een houten kuip vol modder, waar zes mannen en vrouwen met hun benen in zitten. Hun ogen zijn gesloten en ze houden elkaars handen vast, als in een diepe meditatie. Soms lossen ze elkaar maar al tastend nemen ze elkaar steeds weer vast. Dat gaat zo door tot het publiek verzocht wordt om samen te troepen in een piepklein, foeilelijk kamertje. Met zijn luster in hertengewei en zijn bloemetjespapier ademt het de benepen sfeer van een kleinburgerlijk interieur. Terwijl je een plaatsje zoekt in de eivolle ruimte weerklinkt een stem (Tim Etchells) die foetert over de nabijheid van mensen die stinken en zweten (in werkelijkheid sta je net niet zo dicht op elkaar dat het werkelijk hinderlijk wordt). Het register van de tekst staat echter mijlenver af van de sfeer van het kamertje. Het lijkt eerder alsof de stem een darkroom beschrijft. Die darkroom ga je daarna inderdaad in. Stommelend en onzeker schuifelt het publiek een totaal verduisterde foyer binnen waar in de verte een licht schijnt. Pas later merk je dat het om een videoboek in de handen van een van de performers gaat. Nadien duiken ook de andere performers één na één op met zo’n videoboek in de hand, dat ze je ter inzage aanbieden. Ten slotte word je door deze personages de grote zaal binnengeleid. Die is onherkenbaar. Alle zetels zijn verwijderd. Brede trappen smeden podium en zaal tot één ruimte aan elkaar. Een indrukwekkend lichtplafond hangt op de grens tussen beide. In het midden van de ruimte hangt een reusachtige papieren figuur die een mens voorstelt (the hanging man noemt Stuart die). Aan de inkom staat een bizarre totempaal opgebouwd uit kopjes en schoteltjes. Bevinden we ons hier in een rituele ruimte, het hol van een of andere sekte? Daar lijkt het gaandeweg inderdaad steeds meer op.

Op je gemak voel je je op dat ogenblik in elk geval niet meer. Op geen van deze plekken was het evident om je een houding te geven. Maar dat is klein bier bij de lange reeks situaties die volgen in de zaal. Telkens weer lijkt het erop dat de performers je uitnodigen voor een of ander verbroederingsritueel, al dan niet met een inleidende dans of ander vertoon. Zo wordt er bijvoorbeeld een erg lange slang van witte houten kubusjes op wieltjes, zo hoog als een kruk, opgerold. Daarop verrijst Sabile Rasiti in een sprookjeskostuum, een sneeuwwitje. Ze neemt de toeschouwers op sleeptouw voor een bezoek aan de verschillende hoeken van de zaal. Daarna beginnen de dansers allen samen aan een soort rijdans. Toch lijken ze het maar niet eens te worden over de richting die het uit moet, zodat de dans eindigt in veel trekken en sleuren. Je staat er wat verloren bij te kijken tot je plots uitgenodigd wordt om mee een grote cirkel te vormen. De performers jutten nu iedereen op om een gemeenschapsdans uit te voeren. Daarbij worden de zware symbolen – groet elkaar en groet de windrichtingen – niet geschuwd. Dat blijft echter allemaal vreselijk lang duren, zo lang dat haast iedere toeschouwer weer afhaakt en met verbazing, zelfs ergernis (of is het een soort schaamte dat je erin getuind bent?) kijkt naar het bizarre groepsgedoe.

Het is niet de laatste keer dat je er niet helemaal zeker van bent of de vertoning ernstig bedoeld is dan wel een loopje met je neemt. Stuart betrekt je heel het stuk lang bij situaties waarin je telkens moet bepalen of je meegaat dan wel aan de kant blijft staan. Die situaties zijn bijna een catalogus van alle remedies die onze samenleving verzonnen heeft om ons deficit aan ‘Gemütlichkeit’, aan spontaneïteit, aan moed om een praatje aan te knopen met onbekenden, op te lossen. Oplossingen om toch eens onze gevoelens ‘en plein public’ de vrije loop te kunnen laten, ook al hebben we daar geen vorm meer voor. Niet toevallig komt ze daarbij geregeld in het ‘format’ van de psychotherapeutische sessie, genre bio-energetica e tutti quanti, terecht.

De gemeenschapsdans is daar een eerste, maar zeker niet het meest krasse staaltje van. Even later wordt de slang van kubusjes ontrold tot een grote cirkel. Iedereen, spelers en publiek, wordt dan uitgenodigd om plaats te nemen in de kring om samen van één taart, met slechts één lepeltje, te eten. Hoogst bizar is dat: doe je mee of doe je niet mee? Vertrouw je het speeksel van je voorganger of niet? En welke rol speelt het feit dat ondertussen pakweg zestig mensen op je vingers kijken? Duivels wordt de voorstelling pas werkelijk wanneer iemand in de kring (Sara De Roo in Brussel) de stem verheft om te klagen over wat er aan de gang is. Die klamme handjes die we elkaar gaven, dat gemeenschapsgedoe, wat is dat toch voor flauwekul? We kwamen toch om een echte voorstelling te zien? Wat je niet weet: De Roo brengt een tekst van Etchells, maar met zo’n ‘naturel’ dat niet weinig toeschouwers met open ogen in de val trappen. Op sommige avonden was de onrust op dat moment trouwens al tot schrikbarende hoogte gestegen. Maar zie, na nog wat peripetieën – waaronder een wonderlijk moment als de grote kring opgesplitst wordt in vele kleine kringen voor een therapeutisch gesprek tussen toeschouwers over betekenisvolle momenten in hun leven – krijg je dan plots een paar echte dansen. Die zijn in alle opzichten het sprekende evenbeeld van de bucolische beelden van verbondenheid die pakweg een modernist als Matisse ons een kleine honderd jaar geleden al voorschilderde. Geraak daar maar eens wijs uit als kijker.

Misschien is dat al bij al niet zo moeilijk, maar enkel confronterend. Sommige spelletjes verstaan we, sommige beelden zien we, andere niet. We begrijpen pseudoreligie, we begrijpen het therapeutische, we begrijpen het diepzinnige gesprek, we begrijpen bucolische beelden. Situaties waarvan we aannemen dat ze appél doen op ons echte zelf. We begrijpen of aanvaarden echter moeilijk dat we daar, even goed als elders, eigenlijk ook maar theater aan het spelen zijn. Dat we acteur en publiek zijn van ons eigen psychodrama. Dat psychodrama heeft Stuart op handige manier voor ons ontrafeld. Met soms niet weinig ontreddering tot gevolg. Wie zijn we nu eigenlijk?

www.damagedgoods.be

1Er was overigens heel wat meer dan dat aan de hand. Zie mijn bijdrage in Etcetera 74, december 2000.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#116

01.04.2009

31.05.2009

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis. Hij richtte recensieplatform Pzazz op.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!