Leestijd 3 — 6 minuten

Alchemie in een keurslijf

Indien ik mijn – uiteraard erg subjectieve – indrukken omtrent Alchemie moet verwoorden, dan lijkt “een onaangenaam gevoel van onvrijheid” mij de meest passende omschrijving. Festivaldirecteur Michiel Uytterhoeven had aan de negen door hem uitgekozen kunstenaars een dubbele opdracht gegeven: 1. doe iets met het Arenberggebouw en 2. gezien dit gebouw voorheen de universitaire afdeling scheikunde herbergde, doe iets met het thema “alchemie”. De eerste opdracht schrijft zich rechtstreeks in in een politieke operatie: het Stuc probeert al een tijdje de universitaire overheid warm te maken om dit gebouw tot universitair cultureel centrum om te vormen. Dit complex creatief in de kijker brengen kon hier misschien een duw aan geven. De tweede opdracht lijkt mij een artificieel uitvloeisel van de eerste. Hoe politiek “juist” deze uitgangsidee ook kan zijn, artistiek werkt zoiets als een keurslijf, als een geforceerde poging om de creaties van negen uiteenlopende kunstenaars onder één noemer te brengen; het resultaat weerspiegelde dit onvrij vertrekpunt. Sommigen (cfr. Inès Verhoye) probeerden krampachtig een invulling aan het alchemiethema te geven; anderen (cfr. Alain Platel) bekommerden zich daar geenszins om…

Maar dit gevoel van opgesloten zijn betrof ook de wijze waarop de toeschouwer in dit project werd gehanteerd. In plaats van het publiek zich vrij in dit boeiende gebouw te laten bewegen, zodat het zelf kon kiezen waar en naar wat het hoelang kon kijken, werd het als een troepje kleuters bij de hand genomen: Rosette De Herdts beelden in de laboratoriumzaal waren mooi geweest en passage, ze verloren hun kracht omdat er “een opvoering” van werd gemaakt; bij Inès Verhoyes performance wou ik liefst snel weg, in Walter Verdins videogang was ik graag wat langer gebleven en bij Bob Verschuerens planteninstallatie had ik misschien gewoon even op een bank willen zitten. Toen mij als toeschouwer ten slotte nog een soepmaaltijd, samen met artiesten en medewerkers, aangeboden werd, ben ik hard weggelopen: het was een onder-onsje waar ik niet bij hoorde. Eten met mensen vraagt – voor mij althans – een zekere intimiteit, die ik door de rondgang in het gebouw noch in de kwaliteit van het getoonde, noch in de wijze van samenzijn met mijn medetoeschouwers had kunnen vinden.

Maar, dit schrijvende, besef ik, dat mijn alchemie-malaise in feite het kader van deze voorstelling alléén te buiten gaat. Meermaals tijdens dit Klapstuk had ik de indruk een buitenstaander te zijn in een festival dat nog steeds zijn sociologische verankering vindt in het Leuvense studentenpubliek. De vraag is of daar niet het schoentje knelt. Of een festival dat in essentie zijn wortels in een gesloten gemeenschap heeft, ook kan uitgroeien tot een onafhankelijk internationaal dans-gebeuren, hoezeer dat ook de wens van de organisatoren is. Door het “verloop” van zijn toeschouwers-potentieel is een studentencultuur per definitie vluchtig. Amateurisme (in positieve zin), voluntariaat en dienstverlening zijn er de peilers van. Staat dat alles niet lijnrecht tegenover de eigenzinnigheid, de professionele “hardheid”, de artistieke motivering-als-enig-uitgangspunt, die een volwassen cultuur nodig heeft? Ik kan mij de frustraties van Michel Uytterhoeven levendig inbeelden, die de door hem verzamelde know how niet kan doorgeven en consolideren in een vaste ploeg die mét hem de weg aflegt, maar die steeds een beroep moet doen op de (weliswaar zeer geëngageerde) inzet van telkens weer andere vrijwilligers. Zijn frustraties ook, bij het feit dat hij een deel van zijn publiek – eens afgestudeerd – weer verliest en het opbouwwerk opnieuw moet beginnen…

De euforie omtrent de “grote dansboom” is voorbij. Contradicties die toen minder belang hadden, komen nu opnieuw aan de oppervlakte. Stelt zich daarom voor Klapstuk vandaag niet de vraag naar een keuze tussen: een festival dat getekend wordt door het fluctuerende wel en wee van een studentengemeenschap (waar op zich niets tegen is), of een festival dat uit deze naar professionele normen hinderlijke geborgenheid en uit de zachte betutteling die daaruit voortvloeit, uitbreekt en in volle autonomie die vormen en structuren kan kiezen die het artistiek nodig heeft?

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

column
Leestijd 3 — 6 minuten

#20

15.12.1987

14.03.1988

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!