Carlos Tindemans FOTO JOHAN SIMOEN

Pol Arias

Leestijd 5 — 8 minuten

Afscheid van een vriend

Carlos Tindemans was een man met een bijzonder sterke persoonlijkheid. Iemand die standpunten durfde in te nemen en die een hekel had aan gemakkelijke compromissen. Daardoor dwong hij je partij te kiezen. Je was voor of tegen hem. Ik was voor.

Ik leerde hem kennen als docent aan het Rits. Dat was in de woelige jaren zestig en in de beginjaren van die nieuwe school. Toen waren er nog bijna evenveel lesgevers als studenten. In die eerste jaren zaten daar mensen bij die al een zekere naam hadden, zoals Tone Brulin, Alex van Royen, Ivo Michiels, Herwig Hensen of anderen die naam zouden maken, zoals Jaap Kruithof, Etienne Vermeersch en jawel, Carlos Tindemans. Hij was nog jong toen en viel in de allereerste plaats op door de gründlichkeit waarmee hij les gaf, wat toen uitzonderlijk was op die school, en vooral door de minutenlange ingewikkelde volzinnen die hij hanteerde. Hij gaf de cursus Grondbeginselen der Dramatische vormgeving, met als thema, ik citeer, ‘de verschijningsvormen van het drama, de evolutie van de thematiek, fenomenen zoals vormen en schema’s, verschillen tussen plaatsdrama en bewegingsdrama, economie en evenwichtsprobleem van de handeling, graden in de fictieve realiteit’. Dat was uitermate zware kost voor ons, temeer omdat we die lessen al in het eerste en tweede jaar kregen; hijzelf had ze ook liever in de laatste twee jaren gegeven. Bovendien stond ons hoofd niet zo naar de theoretische grondbeginselen en, zo leek het ons toen nog, die abstracte kant van het theater. Ik en verschillende van mijn kameraden waren in die contestatiejaren eerder te vinden voor Adorno en de Frankfurter Schule, voor de Situationisten (La misère en milieu étudiant) en vooral voor Walter Benjamin. Jaren later zou ik nog tevergeefs zijn graf gaan zoeken aan de Spaans-Franse grens waar Benjamin zelfmoord pleegde op de vlucht voor de nazi’s.

Alhoewel Carlos weinig van doen had met ideologieën – hij kwam daar openlijk voor uit -luisterde hij met opvallend geduld naar onze verzuchtingen en respecteerde onze meningen. Hij leerde ons vakbladen lezen als het toen gloednieuwe Theater Hente, The Drama Review, World theatre-Le théâtre dans le monde of het tijdschrift van het TNP waarin Roland Barthes schreef. Hij stimuleerde theaterbezoek over de grenzen, hij verruimde onze horizon. Hij situeerde het Vlaamse theater niet alleen in een historische maar ook in een internationale context. Hij trok onze ogen open en hielp ons kritisch te denken – wat nodig was in een tijd van grote veranderingen in het theater. Want na de komst van de kamertheaters doken fenomenen op zoals het politieke theater en cabaret, uit Amerika kwam het Living Theatre, uit Polen Grotowski, er waren de happenings met liefst zoveel mogelijk naakt. Carlos oordeelde daarover niet op morele gronden, integendeel, hij analyseerde al die nieuwe dingen. De manier waarop hij dat deed dwong respect af.

Op zondagnamiddag luisterde ik naar wat hij samen met Frans van Bladel en mijn latere baas Roland van Opbroecke over voorstellingen vertelde op het Derde Programma. Ik keek naar wat hij in het televisieprogramma van Annie Declerck zei over het Vlaams (-Belgisch) theater samen met Henning Rischbieter, Kenneth Tynan en Bernard Poirot-Delpeche, die hetzelfde deden over respectievelijk het Duitse, Engelse en Franse theater. Ik las zijn essays en boekbesprekingen in Streven, zijn recensies in De Standaard. Naar aanleiding van de publicatie van Acht Toneelstukken van Hugo Claus schreef hij in de editie van 25 februari 1967 (ik bewaar het knipsel als een relikwie): ‘Als ik hier zo sterk op Een bruid in de morgen insisteer, dan is het omdat dit stuk mij menselijk nog altijd het meest aanspreekt.’ Als erg jonge toeschouwer had ik vele jaren voordien de voorstelling ervan in de Brusselse KVS gezien; wekenlang was ik er ondersteboven van. Via die kritiek ontdekte ik achter de theoreticus en wetenschapper ook een man met een gevoeligheid die ik maar al te goed herkende. Tegelijkertijd leerde ik hem beter kennen in onze ‘commune’ in Elsene, waar hij regelmatig op bezoek kwam bij Eric De Kuyper. Die werkte toen aan een opmerkelijke thesis waarvan Carlos promotor was, over de desacralisatie van het theater.

Later zag ik hem beroepshalve niet alleen op voorstellingen maar ook op festivals zoals midden jaren zeventig in Novi Sad waar ik hem geanimeerd gesprekken zag voeren met Jan Kott. Bij vele belangrijke gebeurtenissen was hij gastspreker, zoals bij het Internationaal Theatercolloquium in de Zwarte Zaal in Gent waar ik hem, tot mijn intens plezier, iets te veel zag drinken, maar evengoed op het 25-jarig jubileum van het Théâtre de Poche, Théâtre Expérimental de Belgique, in Brussel waar ik getuige was hoe hij op een ontroerende manier vriendschap sloot met Allen Ginsberg. Telkens was hij present wanneer mensen een beroep op hem deden. Zo ging hij, op vraag van zijn ex-stu-dent Franz Marijnen, mee aan het roer staan van het Ro theater in Rotterdam. Hij ging Tone Brulinsteunen met zijn Tiedrie of Guido Minne met zijn VTI. Toen Gerard Mortieraantrad in de Munt was hij onmiddellijk bereid te schrijven in het gloednieuwe Opera-Magazine. Als jurylid op het Festival van Nancy zorgde hij ervoor dat de festivalprijs ging naar de voorstelling De macht der theaterlijke dwaasheden van Jan Fabre.

Maar ik, vrijzinnige, leerde hem, overtuigd katholiek maar allesbehalve reactionair, ook kennen en bewonderen in vinnige debatten en vergaderingen, misprijzend als hij was voor domheid of plat arrivisme. Partij kiezen voor hem betekende dat je in zijn kamp belandde en bezorgde je vijanden, zo scherp waren de tegenstellingen in het Vlaamse theater in die tijd. Geregeld mocht ik bij hem thuis op bezoek, in huize Musa Dagh, dat verrassend moderne huis in de Van Mirlostraat in Edegem. Daar werd vergaderd en werden plannen gesmeed rond de eettafel (nooit in de werkkamer) waar zijn echtgenote telkens koffie en lekkere cake had klaargezet (dank je, Greta). Daar werd gediscussieerd over hoe de toneelopleiding in ons land kon worden hernieuwd. Op de algemene vergaderingen achteraf in de Billardpalace aan het Astridplein in Antwerpen was Carlos samen met zijn geestesgenoot van T 68, Alex van Royen, telkens erbij.

Begin jaren negentig werden in diezelfde eetkamer, dit keer samen met Wim Van Gansbeke en Jef De Roeck, opnieuw plannen uitgedokterd ter oprichting van Thersites, Vlaamse Vereniging ter Bevordering van de Theaterkritiek. Stomverbaasd was ik toen bleek dat Carlos alles voorbereid had, niet alleen de statuten lagen klaar maar hij dacht zelfs aan een ledentijdschrift, aan briefpapier en een logo voor de vereniging. Het kwam er allemaal. Wisten wij veel dat hij intussen al tien jaar lang wereldwijd seminaries aan het geven was aan jonge theatercritici.

Toen ik anderhalf jaar geleden aanwezig was in Montreal, op het wereldcongres van de AICT/IATC (internationale vereniging van theatercritici), waren er tientallen mensen die me bezorgd kwamen vragen hoe het met hun erevoorzitter ging. Want slechts een goede twee jaar lang (van ’92 tot ’94) is het hem gegund geweest effectief voorzitter van die vereniging te zijn. Daarna kwam de ziekte. Een paar dagen voor de operatie kwam nog zijn telefoontje om te melden wat hem te wachten stond. Mijn mond viel dicht. Als kind had ik immers mijn moeder verloren aan een hersentumor. ‘Ben je er nog?’ vroeg hij. Zijn spraak was toen nog uitstekend. Op het hospitaalbed, na de operatie, was hij die grotendeels kwijt. Hij, de man van het woord, van de juiste en precieze taal. Hij die zo streng kon zijn. ‘Ik hou me niet bezig met morele herbewapening’, was ooit zijn opmerking bij een moment van andermans zwakte of twijfel. Mij deed het ook lachen, want zo was zijn ironische humor, daar hield ik van.

Na de mooie begrafenisplechtigheid in de kerk werd ik bij het buitenkomen onbeschoft aangevallen door een voormalig ambtenaar. Zonder dat ik zijn naam genoemd had in mijn radiobijdrage over Carlos Tindemans had hij zich in mijn verhaal over het T 68 project herkend als een van de tegenstanders ervan. Tot mijn verbazing bleef je inderdaad tot op de dag van zijn begrafenis vóór of tegen wat hij verdedigde. Ik ben fier en vereerd dat ik zijn vriend mocht zijn.

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

open brief
Leestijd 5 — 8 minuten

#85

15.02.2003

14.05.2003

Pol Arias

Pol Arias studeerde af als dramaturg en was een jaar verbonden aan de KNS. Jarenlang was hij theaterrecensent voor de openbare omroep. In 2007 ging hij met pensioen.