Leestijd 4 — 7 minuten

Acteren in Vlaanderen

Vragen omtrent het metier

De acteur en de toneelopleiding zijn twee verwanten. In een eerste deel van een langer dossier bekijkt Johan Thielemans het acteerlandschap in Vlaanderen en volgt twee totaal verschillende acteerpraktijken doorheen hun goede en kwade dagen. Johan Coppens had enkele gesprekken met leerlingacteurs in New York. Luk Van den Dries opent de reeks met een aantal vragen en bedenkingen omtrent de opleiding. Het métier van de acteur staat ter discussie.

De acteur en de opleiding. Het is een onderwerp dat al lang op de agenda staat, maar het is zo’n rijk gestoffeerd gebied dat het een tijdje braakliggend bleef. In deze en volgende Etcetera’s zetten we enkele aarzelende stappen, betasten we het onderwerp aan alle kanten, niet met de pretentie het terrein voorgoed te ontginnen, eerder vanuit de nieuwsgierigheid van de archeoloog die behoedzaam de taal van elk fragment onderzoekt. Meer dan ooit staan we voor een diversificatie in het acteerlandschap, ontbreekt elke consensus omtrent de ‘ideale acteur’. In die situatie willen we de verschillende visies en de praktijk die eronder zit zichtbaar maken en een discussie mogelijk maken tussen de verschillende methodes. Vanuit de bekommernis dat de opleiding mee de basis legt voor de evolutie van het toneelgebeuren. Vanuit het besef dat de acteur, ondanks alles, nog steeds het middelpunt is in het theatraal proces: hij is het cement dat de voorstelling samenhoudt, het vlees van het theater, de schilder én zijn doek. Wie is de schilder, met welk materiaal werkt hij, en welk doek levert het op ?

Als proloog tot het vervolgverhaal, een essay van Johan Thielemans, Het gebrekkige instrument. Vooraf nog enkele bedenkingen, vragen, stellingen.

1. Nog niet zo lang geleden sprak men van acteurs in termen van een vast ’emploi’ (b.v. de jeune premier). Op het toneel werd er gegalmd door steracteurs en -actrices die mekaar van het voorplan wegduwden. Sindsdien is het acteren enorm geëvolueerd. Stanislavski, Brecht, Grotowski, bij ons Herman Teirlinck hebben theorieën geformuleerd die de verhouding acteur-personage-publiek compleet herdachten in functie van een eigen visie op theater. Wat blijft daar vandaag van over? Stanislavski is vaak verwaterd tot een oubollig to-neelrealisme, zo vals en doorzichtig. Brecht is totaal onbestaande en van Grotowski heeft men een grotere fysieke behendigheid overgehouden. Is er nog een overheersend model?

2. Het model van de Amerikaanse ‘performer’, tot de tanden gewapend met techniek, wordt meer en meer in vraag gesteld. Men verwacht van een acteur in de eerste plaats een grote persoonlijkheid, iemand die er is op de scène, met de specificiteit van zijn lichaam, zijn stem. Techniek dient louter het wegschrapen van belemmeringen.

3. “Er zijn honderd manieren om over acteren te praten, maar wat mij bij de acteur het meest interesseert, is de manier waarop hij er in slaagt een man, een vrouw, een wereld te hercreëren met behulp van zijn verbeelding. Film en televisie hebben ons gewoon gemaakt aan een zogenaamd non-acteren, aan een acteerkunst in verval eigenlijk; ze hebben ons geleerd met niets tevreden te zijn, en de echte acteerkunst te vergeten, dat is de kunst van de metafoor.” “Het soepelste bij de acteur moet zijn verbeelding zijn, en wat ik de gave der gaven zou noemen, de gave der gulheid.” (Ariane Mnouchkine)

4. De beste leerschool is de scène zelf. In de huidige situatie krijgen vele acteurs en actrices niet de kans zich in het werk te scholen. Gezelschappen nemen geen nieuwe krachten meer aan (tenzij op schandelijke arbeidsvoorwaarden) waardoor ook het leren van ouwe rotten in het vak wegvalt. Ik denk dat op termijn enkel de uitwisseling van traditie en nieuwe acteer-technieken produktief kan werken.

5. Beroepsacteurs worden door een zelfbewust en hard werkend alternatief circuit beschouwd als mensen waar geen scène mee te bezeilen valt, omdat ze altijd terugvallen op een aantal acteertics en voorgevormde oplossingen. De vernieuwing in het theater speelt zich grotendeels af buiten de decreetgezelschappen, zelfs buiten de door beroepskaarten beschermde toneelsector.

6. Opleiding, voor welk soort theater ? Moet er in de acteeropleiding een minimumprogramma geboden worden waarin de acteur geleerd wordt zijn creativiteit te gebruiken, zelf naar oplossingen te zoeken zodat hij zich kan aanpassen aan wisselende omstandigheden, of moet er opgeleid worden vanuit een duidelijke visie op theater en naar een bepaalde praktijk toe?

L’Ecole Superieure d’Art Dramatique de Strasbourg (1954), nog altijd door velen beschouwd als modelschool, biedt een gedifferentieerde opleiding. Regie-, decor- en acteeropleiding grijpen in elkaar; er wordt in kleine groepjes per drie maanden aan projecten gewerkt onder leiding van zeer diverse gastregisseurs; er worden ateliers gegeven rond verschillende thema’s en technieken; en een laatste, niet onbelangrijk gegeven, is dat de school verbonden is aan een theater (TNS) waardoor de band met de praktijk altijd verzekerd is.

In Amerika, maar ook elders, bestaat een heel netwerk van privé-lesgevers die elk volgens een eigen methode werken. Studenten volgen, tussen verschillende audities door, les bij die of die beroemdheid, proberen binnen te geraken bij de docenten die het best in de markt liggen: een vrije-marktsituatie die verschrikkelijk veel geld kost. Het voordeel van dit systeem is dat men zich steeds verder kan blijven scholen, naar eigen behoefte.

De Vlaamse leerling-acteur heeft de keuze tussen drie Conservatoria en de Studio. In de marge zijn er enkele privé-initiatieven en kortere cursussen. Maar is er ‘werkelijk sprake van keuze? Enkel de vier voornoemde instellingen geven toegang tot het beroep. Maar zijn die voldoende gediversifieerd om het mogelijk te maken voor een opleiding te kiezen. Zijn de eeuwenoude conservatoria er in geslaagd hun rigide programma aan te passen aan de huidige behoeften? Waar liggen de klemtonen en verschillen? Houdt het systeem zich o.m. niet via de opleiding in stand? Door wie wordt opgeleid naar welke praktijk? Hoe zijn de financies? Wat wordt er van de studenten? Veel vragen. Veel stof tot discussie.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#11

19850615

19850914

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!