© Michiel Hendryckx (1989)

Leestijd 5 — 8 minuten

Achiel De Baere ‘Revisited’

Erik De Volder / Toneelgroep Ceremonia

Mijmerend. Kan je op een andere manier naar Achiel De Baere van Erik De Volder kijken, twintig jaar later? Want een recensie schrijven is niet echt relevant, zoals je ook een roman van Hugo Claus die je na zoveel jaar herleest niet meer ‘recenseert’. Je kan er hoogstens niet over schrijven, als het echt gênant zou geworden zijn. Maar gênant is het niet, dus zoek je naar een andere vorm, een andere beschouwing. Mijmeringen dus, pogingen om niet helemaal sentimenteel te worden. Want deze ‘Achiel De Baere’ – de banale duivenmelker – roept weinig meer op dan sentiment. Hoewel.

1 Spontaan denk ik aan ‘repertoire’, omdat dat hét buzz-woord is in deze tijden van theaterpolitiek, in deze tijden van overacting in het kunstenbeleid. Erik De Volder heeft een oude productie uit zijn kist met kostbare theaterjuwelen gehaald, zoals je zelf bij een bezoek aan je moeder op zolder naar de kist met verkleedkleren zou gaan kijken. Maar zoiets doe je natuurlijk nooit, behalve misschien in clichématige jeugdromans. Erik De Volder is geen Mark De Bel, er gaat niets glinsteren in zijn oude kist op zolder, er zit geen diamant in, geen landkaart waarmee je naar het andere eind van de wereld gebeamd wordt. Achiel De Baere glinstert niet meer, het is geen betoverende voorstelling, net zo min als twintig jaar geleden. Het is nog steeds een ode aan de onversierde ‘gewoonheid’ – wachten tot de duiven vallen, vrijen met een ontrouw lief, ziek zijn en zwelgen in zelfbeklag. Als dit ‘repertoire’ is, dan is het repertoire dat achter de gevels van eenzame bejaarden verzameld is, en niet de canon van sublieme karakterschetsen uit pakweg de kortverhalen van Anton Tsjechov. Het Gent van Achiel De Baere is evenmin het Brooklyn van Paul Auster. Er zijn weinig goede redenen om dit tot erfgoed uit te roepen. Maar dat hoeft geen waardeoordeel te zijn.

2 Twintig jaar geleden zag ik Achiel De Baere in hetzelfde Gentse Nieuwpoorttheater als nu. Theater dat zonder veel commentaar de simpelste dingen des levens beschreef, dat was uitzonderlijk. Ondertussen zijn we eraan gewend geraakt, hebben sommigen zich zelfs geërgerd aan de valse romantiek die dit soort proletarische elegieën oproept. Maar of Achiel De Baere zo’n elegie was of is, is twijfelachtig. Er wordt niets opgetild naar een zogenaamd ‘hoger niveau’, er wordt geen heldensaga geconstrueerd uit het leven van een dompelaar. Wat nu de meeste indruk maakt, in zijn radicale vorm, is de proloog die Erik De Volder zelf voorleest, tegen de achtergrond van een zwarte scène. Tientallen bladzijden, soms slechts met enkele regels, uit de dagboeken van de ‘echte’ Achilles De B. die hij aantrof op een rommelmarkt – van 1 januari tot 27 april 1973, de dag dat hij de ‘heilige sacramenten der stervenden’ krijgt. Hij sterft op 9 mei. Elke dag begint Achiel met de zin: ‘Niet bij Rachel geweest.’ Soms is dat zelfs de enige zin die hij noteert. En veel meer dan klaagzangen over zijn ziekte – pijn in het hoofd, pijn in de rug, de schouders, tandpijn… – bevatten die fragmenten niet. Behalve wat mededelingen over zijn kapotte fiets, over duiven, over een brandje in zijn schouw. Alles wat volgt zal zonder twijfel spannender zijn, de verwachtingen zijn tot het absolute minimum herleid. Op één scène na, het bezoek van Achiel aan een bordeel met oriëntaalse inrichting, blijven de figuren in deze tranche de vie herkenbaar. Anders dan in zijn latere werk schildert De Volder geen maskers op hun gezicht. Dat zou ook ongepast zijn, want er is eigenlijk niets om uit te vergroten: geen kindermisbruik, geen geheimen uit de collaboratie, geen oedipale ontsporingen. Kijkend vanuit de ensoriaanse taferelen in voorstellingen als Diep in het bos, heb ik de indruk dat De Volder hier een vingeroefening maakt. Hoe scherp kan hij de dompelaar in beeld brengen, hoeveel en vooral hoe weinig opsmuk heeft hij nodig. De maskers in de voorstellingen na Achiel De Baere verwijzen altijd naar veel pijnlijker mysteries en trauma’s. Wat niet wil zeggen dat Achiel niet even hard lijdt, zijn pijn is even onvergelijkbaar, maar hij heeft (nog) geen masker nodig om dat lijden, voor ons, toeschouwers, harder te maken, onmenselijker als het ware. Wij treuren ook om het lief dat ons verliet, ook na vele jaren, wij krimpen ook ineen als onze ingewanden verzuren, het blijft allemaal al te menselijk.

3 In een mooi gesprek op de radio suggereerden toneelspelers Bob De Moor (Achiel) en Ingrid De Vos (Rachel) – Dirk Buyse is de derde acteur – dat het belangrijkste verschil met toen, twintig jaar geleden, hun eigen leeftijd is. Nu zijn de spelers even oud als hun personage. Ze twijfelden eraan of dat wel een voordeel was. Niet dat ze zichtbaar last hebben om zich even energiek over de scène te bewegen: ze klimmen nog altijd gezwind over de houten schutting die als achterwand dient, en Achiel zoekt nog altijd het wankele evenwicht op de stok, vereenzelvigd met zijn duif. Maar het gaat bij deze (bijna-)zestigers nu wel over leeftijdsgenoten, over de keerzijde van hun eigen, al dan niet te relativeren, levenscomfort. Dat is riskant, omdat de naturalistische valkuil wijd open ligt. Maar de extreme economie van De Volders tekst én van zijn theatrale middelen – amper een rekwisiet – voorkomt een simpele afbeelding, dit aftakelingsproces vertoont nergens de neiging om charmant te ogen. Geen vertedering, geen medelijden: ik registreer, toch wat mijn levenservaring betreft, een verhaal dat nooit te dicht op mijn huid zit, dat, paradoxaal genoeg, nooit té herkenbaar wordt in zijn schaarsheid aan anekdotes.

4 Dat een toneelproductie na twintig jaar, in een identieke enscenering en met dezelfde acteurs hernomen wordt, is zeer uitzonderlijk. Het geeft mij wel de kans om even de zogenaamde vluchtigheid van het theater als artistiek medium in vraag te stellen. Misschien is het theater, wanneer het consequent vormen van vertelling onderzoekt, niet eens zo vluchtig. Misschien loopt theater altijd voorop, móét het ook altijd voorop lopen in zijn welbegrepen experimenteerdrift. Alle verhalen die, zoals dat vandaag heet, op ‘publieksvriendelijke’ wijze verteld worden – de betere tv-series in de eerste plaats – zijn schatplichtig aan dit ‘marginale’ onderzoek. Dat vergeten de theaterpopulisten al te vaak. Dan kan je na twintig jaar vaststellen dat een stuk als Achiel De Baere niet verouderd is, op enkele vormelijke keuzes zoals de steeds herhaalde donkerslag na. Sinds Achiel De Baere grepen vele theatermakers – Arne Sierens in de eerste plaats – naar al dan niet fictieve biografieën van de ‘gewone man’. We zijn dit soort miserabilisme (iets te) gewoon geworden en dus passeert zo’n voorstelling nogal gemakkelijk. Op Theater aan Zee, afgelopen zomer, was een autobiografische voorstelling van Pippo Delbono te zien, die ook zo’n twintig jaar geleden gemaakt was. Ik wist dit eerst niet en keek verbaasd naar de naïeve manier waarop deze bizarre poseur allerlei metatheatrale grapjes uithaalde – ‘Heeft iemand mijn Pinocchiopopje gezien?’ – tot ik mij realiseerde welke veranderingen de theatrale tekentaal de voorbije twintig jaar heeft ondergaan. Misschien heeft Achiel De Baere niet het profetische van Il Tempo degli Assassini, de voorstelling van Pippo Delbono, maar het heeft zeker de blik op de ‘gewone man’ – als vertelstof op een scène – opengetrokken. Er werden geen potten gebroken, maar het was een fijne theateravond, in datzelfde Nieuwpoorttheater, twintig jaar later. Zelf ben ik natuurlijk ook twintig jaar ouder geworden, maar dat is een ander verhaal.

Klaas Tindemans
Klaas Tindemans schreef eerder over Achiel De Baere in Etcetera 23, 1988

Achiel De Baere is van 19 tot 27 juli te zien in Minard (Gent). Info: www.toneelgroep-ceremonia.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#116

01.04.2009

31.05.2009

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!