Nu is het nog rustig – hetpaleis, Theater Artemis & Het Zuidelijk Toneel/Jetse Batelaan
Speedwatchen in de theaterzaal
Natalie Gielen
“Ik denk dat theater een soort antropologie is: het stelt vragen over menselijk gedrag.”
Jan Lauwers (Needcompany) in een interview met Jan Middendorp, De fascinatie van het perverse medium in Nieuw!poort, 4de jg., nr. 15, sept.-dec. 1987.
“Theater maken is een politiek en filosofisch standpunt innemen in deze maatschappij.”
Eddy Vereycken in een interview met Karel Van Keymeulen, “Menuet” naar L.P. Boon: inertie, stilte, letargie in De Gentenaar, 24 september 1987.
“Het is heel belangrijk om de gelegenheid te krijgen een aantal dingen te realiseren als je jong bent en onbezonnen. Het is nodig dat er producenten, theaters zijn die zeggen: ze zijn nog jong, laat ze hun gang maar gaan, da’s de toekomst… zoals ouders dat zouden zeggen.”
René Van Gijsegem in een interview met Jan Middendorp, “Ik kan theater niet zien als iets onechts” in Nieuw!poort, 4de jg., nr. 15, sept.-dec. 1987.
“In haar eerste rol sinds zij de belangrijkste Nederlandse toneelprijs heeft gewonnen, laat de Vlaamse actrice Viviane De Muynck zien dat zijzelf steeds meer een gang naar de schouwburg waard is.”
Hans Oranje, De Muynck als godin en lellebel (recensie van Eenoog koning van Carlos Fuentes) in het Nederlandse dagblad Trouw, 10 oktober 1987.
“Het is allemaal een kwestie van liefde. Als je voor iets liefde hebt, dan weegt niks je zwaar, anders verzeil je in routine. Er zijn acteurs die niet meer denken op de scène. Grote fout, je kan een zin op de scène correct zeggen, maar zonder dat je hem gedacht hebt. Dat is routine. Maar je kan die zin ook zeggen terwijl je denkt wat je zegt, dat je zelf hoort wat je zegt, hoe je het zegt, met welke intentie je het zegt, en dit is noodzakelijk.”
Luc Philips in een interview met Guido van Meir, “Pas op, je vindt onder acteurs veel charlatans, hoor. Van die wonderdoktoors. Allemaal flauwekul” in Humo, 4 oktober 1987.
“Ik heb het gevoel dat God een eeuw geleden de kunst verlaten heeft. Alle grote kunst is niet direkt katoliek maar toch hogelijk spiritueel. Veel van de moderne muziek is alleen maar modern en niet meer beluisterbaar. Moderne schilderkunst is dat evengoed. Je zou het al te optimistisch kunnen bekijken als een vervulling van de Zen: alles is gelijk en in evenwicht en dat alles evenveel aandacht en devotie verdient of anders dat niets dat nog verdient en dat het allemaal shit is. Het is allemaal teoretisch en het heeft geen relatie met God. God staat voor de mensheid, voor liefde, voor alles. Ik ben helemaal niet gelovig, eerder een panteïst. Maar Morris Graves en Benjamin Britten en Merce Cunningham zijn in hun werk volkomen goddelijk, genereus en mooi. Ook omdat het ons in verbinding brengt met iets waar wij niet direkt vat op hebben. Ik noem het God, maar je kan het evengoed het Hogere, het Betere noemen, het transcendeert ons, doet ons boven onszelf uitstijgen.
Ik heb een lege studio en dansers. Als ik er dan van uitga dat er niets is, dan moet ik het zeker niet proberen te verbeelden. Je werkt toch vanuit het verlangen om iets mooiers, beters en spirituelers te maken dan wat je zelf bent. En als we niets te vertellen hebben, blijven we beter weg van de scène. Het is toch prettig: we hebben de dingen die we kennen: armen, benen en we kombineren die tot iets dat ons overstijgt, de sprong in het onbekende.”
Mark Morris in een interview met Gerrit Six, Men danste voor de goden. Dat is dansen in Knack, 16 september 1987.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.