© Yaqine Hamzaoui

Leestijd 7 — 10 minuten

Schweinerei – Lieselot Siddiki

Something is rotten in this age of hope

Lieselot Siddiki kruist in Schweinerei het mooie met het misselijke. Punk, trash en het abjecte vermengt ze met intieme fragiliteit. Haar maximalistische privéuniversum groeit zo uit tot een beeld van een bourgeois Europa dat zwelgt in zijn eigen decadentie.

In Schweinerei neemt Lieselot Siddiki haar publiek letterlijk mee in haar verbeeldingswereld vol moois en misselijks. Ze zet daarmee de toon verder uit eerdere projecten zoals The Truthful en ook haar 4×4-avond in viernulvier. Punk en trash-elementen, gecombineerd met bitterzoete fragiliteit, intimiteit en iets abjects, overdadig: het is Siddiki’s manier om uiting te geven aan leven in Europa anno 2026. Niet enkel die stilistische kenmerken, ook de directe uitnodiging van Siddiki om mee te stappen in haar artistieke universum keert terug. Bij het binnenkomen staat ze ons samen met een donkere versie van een pulcinella-achtige figuur op te wachten. Ze verwelkomen het publiek en geven het een eclectisch programmaboekje en een kotszakje. 

“Siddiki, in een zwarte jurk als een soort prinses der nachtmerries, leidt de avond in met een verhaal over haar kindertijd waarin ze met poppen speelde en haar voorliefde voor varkens.”

Op scène: een pianoforte – zogezegd een precieze kopie van die waarop Mozart componeerde – een staander met verschillende poppenhoofden met verschillende pruiken, een draaiende tafel met stoelen (zoals een speeltuig) met in het midden een paal met een microgolf op, een groot varken uit melkachtig kunststof, en nog twee levensgrote poppen, dezelfde pulcinellafiguren als diegene die het publiek begroette. 

Siddiki, in een zwarte jurk als een soort prinses der nachtmerries, leidt de avond in met een verhaal over haar kindertijd waarin ze met poppen speelde en haar voorliefde voor varkens. Ze legt ze als maker zelf de brug tussen de reële situatie in de zaal en de verbeelding waaruit de voorstelling opgebouwd zal worden. Het varken op scène opent zich – een mooi staaltje techniek, dat inderdaad doet denken aan Panamarenko, zoals Siddiki zelf aangeeft – en daaruit komen twee gelijkaardige figuren (Lucie Plasschaert en Lucas van der Vegt) tevoorschijn, die spreken over screenshots, misselijkheid, Cleopatra en pijn. Ze doen dat met een intonatie die je zou verwachten van een wezen dat tussen een pop en mens zweeft: niet psychologiserend, zonder al te veel inleving. Ze hebben allebei iets androgyn, non-binair. Prikkelend en grappig, ook al voel je dat deze verbeelding kinderlijk is in haar vrijheid, maar daarom niet in haar duistere wereldbeeld. 

“Plasschaert zwelgt in allerlei substanties, waaronder de ‘cake’ die Marie Antoinette befaamd aanraadde aan het arme, uitgehongerde volk, telkens weer tot braken en ontreddering toe.”

De situatie tussen de twee spelers-poppen ontvouwt zich verder tot de ene zich als het ‘gekke’ wunderkind Mozart achter de piano zet en een feilloze versie van Mozarts pianoconcerto 25 speelt, begeleid door een orkest dat door hoornluidsprekers weerklinkt. Ondertussen zwelgt Plasschaert in allerlei substanties, waaronder de ‘cake’ die Marie Antoinette befaamd aanraadde aan het arme, uitgehongerde volk (zoals Theo Franken onlangs pintjes aan het zwembad aanraadde tijdens een hittegolf), telkens weer tot braken en ontreddering toe. Het is een letterlijk, maar daarom niet minder treffend beeld van het failliet van de Europese bourgeoisie: de decadentie van koningshuizen en de upper class, terwijl hofmuzikanten vrolijk verder spelen. Of misschien ook: een bepaalde klassieke schoonheid (Mozart) die wrang begint te klinken wanneer de klasse die haar ondersteunde en een bepaald wereldbeeld uitdroeg, in verval komt. 

Wat begint als een privéwereld, een individuele verbeelding, een esthetische, artistieke wereld die geopend wordt, gaat zo over in een beeld van een bourgeois Europa dat zwelgt in de eigen decadentie – van David Lynch’ Crazy Clown Time, naar Albert Serra’s Liberté naar die ene scène in Songs from the Second Floor waarin de clerus en machtigen der aarde in een chique bar allen moeten overgeven na het offeren van een jong meisje. Een gedachte die me tijdens die voorstelling te binnen sprong, was dat het deels ook die bourgeois samenleving was die in Europa een specifieke ruimte en fondsen voor kunst creëerde en dat deels nog steeds doet. Overleven de kunsten waarvan Mozart een soort embleem is, het verval van de hun ondersteunende klasse? Of wordt de spagaat tussen kunstenaars enerzijds en mecenassen en rechtsere overheden anderzijds stilaan onhoudbaar? Is kijken naar kunst het eten van de spreekwoordelijke cake? 

“Overleven de kunsten waarvan Mozart een soort embleem is, het verval van de hun ondersteunende klasse? Of wordt de spagaat tussen kunstenaars enerzijds en mecenassen en rechtsere overheden anderzijds stilaan onhoudbaar? Is kijken naar kunst het eten van de spreekwoordelijke cake?”

Het kotsen is niet enkel een uitdrukking van overdaad en verval. Plasschaert vervelt naar een kwetsbaarder figuur en zet een krachtige, ‘misselijkmakende’ passage neer over hoe iemand zichzelf tot braken aanzet als een poging tot zelfcontrole van de grenzen van het eigen lichaam. In de programmabrochure staat deze tekst (van Leonora Carrington) opgenomen. Een zin die niet in de voorstelling terechtkwam, maar wel op het blad staat, is dat het braken een reactie is op verlies. Deze stap is essentieel, net als Plasschaerts mooie en indrukwekkende versie Sinead O’Connors ‘Drink Before the War’, gezongen vanop de rug van het varken. Ook hier gaat een bepaalde schoonheid gepaard met een ruwe inhoud: you live in a shell / you create your own hell / you dig your own grave. Maar ook: gotta break it down, start again. 

Schweinerei wil zo ook meer zijn dan de combinatie van een persoonlijke verbeelding en fantasiewereld en een kritiek op een bourgeois Europa dat doet alsof alles business as usual is, terwijl eindtijdfascisten zich in de handen wringen. De voorstelling schuift ‘gezwijn’ als vorm van maximalisme naar voren als een reactie op verlies en een zoektocht naar iets nieuws. In de programmatekst wordt verwezen naar de Duitse toneelschrijver en theatermaker Heiner Müller. Meer nog dan een aantal zinnen die links of rechts geciteerd worden, doet Schweinerei ook als vorm denken aan Müller, die in taal het viscerale opzocht en ook niet vies was van een tijger en veel bloed op scène. Something is rotten in this age of hope, schreef Müller, en Siddiki lijkt die analyse te delen. Alleen lijkt ze een stap verder te willen zetten, en uit het rotten ook weer iets nieuws te willen laten kiemen. Die geste is begrijpelijk en tegelijk wat tegenstrijdig. Na zoveel failliet lijkt het haast onmogelijk dat de cyclus van geweld doorbroken wordt. Of toch? 

“Meer nog dan een aantal zinnen die links of rechts geciteerd worden, doet Schweinerei ook als vorm denken aan Müller, die in taal het viscerale opzocht en ook niet vies was van een tijger en veel bloed op scène. Something is rotten in this age of hope, schreef Müller, en Siddiki lijkt die analyse te delen.”

Doorheen de hele voorstelling speelt een spanning tussen iets zacht, intiems en het ranzige, misselijkmakende. De zorg en aandacht waarmee het publiek wordt begeleid doorheen de voorstelling clasht met de ruwheid die gezocht wordt in de scènes. Zowel Siddiki, van der Vegt als Plasschaert blijven ondanks alles iets lieflijk en genereus behouden (zoals ook het ‘bisnummer’ aan het einde aantoont). Wat er gebeurt op scène is op een bepaald moment zo groot, is potentieel zo’n groot gebaar in de beweging van het intiem-persoonlijke naar het grotesk-maatschappelijke dat je haast verwacht dat de voorstelling uit haar voegen barst. 

Dat gebeurt niet, de ontsporing blijft ‘contained’ en de confrontatie blijft uit. Als je dat als bewuste keuze leest, is het ofwel een gebrek aan lef, wat ik me moeilijk kan voorstellen, ofwel betekent het iets anders. Namelijk dat zelfs lieve, genereuze mensen vanbinnen over hun nek gaan in deze wereld die je soms niet anders dan uitkotsen kan? Dat het bijna wonderlijk is dat zo’n generositeit als maker/speler kan samengaan met zo’n grauw wereldbeeld? Dat het intiem houden van deze beelden het spektakel ontwijkt? Dat ze het publiek niet wil plat slaan met defaitisme, maar net het gezwijn tot iets van een gemeenschap onder druk wil maken? Het zijn alvast spannende problemen voor kunstenaars vandaag, en Siddiki heeft zowel de inhoudelijke als vormelijke tools in handen om ze te lijf te gaan. 

Ik houd mijn kotszakje nog even bij, voor als de cognitieve dissonantie weer te groot wordt, of ik de krant lees met een flat white in de hand. 


De speeldata van deze voorstelling vind je hier.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Kristof van Baarle

Kristof van Baarle is docent en opleidingsvoorzitter bij KASK Drama en dramaturg voor onder andere Kris Verdonck / A Two Dogs Company en Michiel Vandevelde.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!