#183
08.09.2026
—
14.01.2027
Het Theaterfestival besteedde extra aandacht aan de figuur en het werk van theatermaker Tone Brulin. Op dit ogenblik is hij bezig aan een groot grafisch werk voor het Anderlechtse metrostation Bizet. Etcetera publiceert de eerste foto’s. Een beschouwing van Paul De Bruyne.
Antwerpen is een aardige middelkleine stad. Geen nest en ook geen grootstad. Met haar slordig half miljoen inwoners is ze net groot genoeg om duizend verschillende hoekjes te verbergen en net klein genoeg om ‘jouw stad’ te worden. Aardig is Antwerpen vooral omdat de plek ontsnapt aan het sluipende provincialisme door twee bijzondere kenmerken. Er is de haven waar je het zout uit de zee riekt. De internationale toets die er van uitgaat is onmiskenbaar en aangenaam. De wijde wereld ligt vlak om de hoek, ruikbaar en hoorbaar in het water. De tweede permanente behoeder voor een gesloten stadsbeeld is de ultraorthodoxe joodse gemeenschap in Antwerpen. Naar verluidt de tweede grootste van de wereld. Vooral de mannetjes in zwarte pakken, witte kniekousen en zwarte hoeden met lange tressen haar daarvanonderuit kunnen je elke dag een cultuurschok geven. De vanzelfsprekendheid waarmee een totaal ander cultureel patroon zich aanwezig toont doet nadenken over de eigen levenspremissen, -doelen en -stijl. Antwerpen is een aardige middelkleine stad waar bovendien een sterk uitgaansleven bloeit. Er schijnt zoiets te bestaan als een profiel van ‘de’ Antwerpenaar en daarin scoren de woorden ‘extrovert, chauvinistisch en levensgenieter’ hoog. In zo’n stad moet het toch goed gaan met het theater?
Wie is de nieuwe Raad van Advies en wat zijn haar doelstellingen? Pol De Bruyne wou de individuele leden voor een interview strikken, maar botste op de geheimhouding van het advies. Tussen de vingers door liet voorzitter Piet Jaspaert zich het volgende ontvallen.
Het werk van het Epigonentheater verwijst naar surrealistische vormen en thema’s, maar vooralsnog heeft de groep geen Chien Andalou gemaakt. Zijn er nog pijlen te snijden van het surrealistische hout? Bart Patoor en Paul De Bruyne hakken een boompje.
In het theater is Vlaanderen een multiraciale gemeenschap geworden. De tweede generatie immigranten geeft aanleiding tot gerichte theatrale produktie. Over de moord van een Limburgse jongen door een Turkse arbeider leest u in De lege cel van René Swartenbroeckx. Paul De Bruyne leidt in.
Gij zweert en belooft, voor God en voor de mensen, met niemand in betrekking te komen tot na uw verklaring; geen gehoor te geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; uw beslissing te nemen volgens de bezwaren en de middelen van de verdediging, naar uw geweten en uw innige overtuiging, met de onpartijdigheid en de Vastberadenheid die een rechtschapen en vrij mens betamen. Artikel 312 van het Wetboek van Strafvordering geciteerd tijdens de dag over theaterkritiek in Gent ter omschrijving van de taak van de recensent.
In Etcetera 4 berichtten we over de drastische bezuinigingen in de theatersector. Gezelschappen leveren 20 % en meer in. Anderen krijgen 2 % toe. Hoe lagen de criteria, vroegen Paul de Bruyne en Luk Van den Dries aan minister Poma.
Slechts in juli werd het duidelijk hoeveel de Vlaamse beroepstheatergezelschappen te besteden kregen voor het seizoen 1983-84. De Vlaamse executieve besloot toen een warrige en schemerige discussie binnen en buiten decreet de Raad omtrent het geld van de Vlaamse overheid voor de toneelkunst. Hoeveel geld er beschikbaar is, valt het best te lezen in een tabel die door de Vlaamse Vereniging van Theaterdirecteurs (VVTD) werd opgesteld.
De Eindhovense toneelgroep Proloog vond voor Nederland het vormingstoneel uit. Gemeden door de connaisseurs maar als koekebrood gevreten door massa’s niet-theatergangers. En nu dus wegbezuinigd. Een reden tot opluchting, of spijt? Paul De Bruyne sprak met ex-artistiek leider Rik Hancké over democratie in de kunst, de neergang van de sociale beweging en het artistieke failliet van Proloog.
En nu wordt de crisis dus zichtbaar als de mist in september. De kou is reeds voelbaar en het vriesweer is op komst. Het geharrewar rond het krimpende geld van de overheid voor toneel heeft weliswaar nog niet geleid tot een diepgaande discussie over het toneelbeleid, maar het embryo van het debat spookt wel al rond in vakbondslokalen, magazines, studiedagen, ministeriële kabinetten, Vlaamse Raden en televisie-omroepen. Als opstart van het gesprek volgen hier de vragen die her en der te beluisteren zijn, vergezeld van een paar kritische kanttekeningen. Het echte debat volgt wel als de nood nog hoger is, de eerste ontslagen voorbij en de zinkende gezelschappen nabij.
Wij, de Belgen, waren dus geen boerkes en konden wat film betreft op internationaal niveau meepraten. Het enige probleem was dat twee centimeters buiten het festivalgebouw geen kip daarvan op de hoogte was! (Robbe De Hert, “Het drinkend hert bij zonsondergang”)
Toneelschrijver en regisseur, soms ook acteur en decorontwerper, Tone Brulin is de eeuwige ‘outcast’ van het Vlaamse theater. Oprichter van Theater op Zolder (het eerste Vlaamse Kamertheater), mede-oprichter van het Laboratoire Vicinal, leider van The Otrabanda Company (USA) en van het derdewereldtheater Tiedrie, Brulin blijft bezig in de marge, met theater dat getuigt van een uitgezuiverde en universele beelding. Een gesprek over autoritaire pedagogen, verpletterend wereldleed, wegwerpacteurs en een boeddhistisch geïnspireerde visie op het theater.
Het kan nauwelijks een verrassing heten dat Tone Brulins toneeljaar 1982 in januari begint. De eerste twee maanden regisseert hij in Amsterdam Powema di Rutu van de Surinaamse schrijver Edgar Cairo. “Cairo had me gevraagd de regie te doen maar hij had alles al bedacht. Stelde ik een of andere beweging voor, zei Cairo, ‘dat doe ik niet, dat is tegen mijn neger zijn’. (Lacht). Op zich vond ik dat niet erg, maar alle mensen uit die produktie, de twee muzikanten en de twee acteurs, hadden zo’n groot ego dat zij onderling ruzie maakten. Al vlug kwam de vraag wie de echte neger was en verwijten als ‘jij bent geen neger, jij bent helemaal wit van binnen’. Ik kon die toestand helemaal niet de baas. Eigenlijk heb ik dus niets gedaan.” Ondanks de ruzies en de nonactiviteit van de regisseur was Powema di Rutu een indringend tropisch spektakel, een warme adem in Amsterdam Hartje Winter.
Het ligt voor de hand dat een groep die zijn brood wil verdienen met toneel zonder subsidie te krijgen en uitdrukkelijk kiest voor volkstoneel bij Romeo and Juliet moet uitkomen: geen enkel ander toneelstuk van Shakespeare – of van gelijk wie trouwens – heeft zo’n populaire roep; het is een titel die volk trekt. Maar wie de geschiedenis van De Witte Kraai volgt weet dat Bogaerts het stuk zo zal trachten om te vormen dat de voorstelling precies zegt wat Bogaerts te vertellen heeft. Ook Romeo en Juliette moet een ironisch-afstandelijke knauw zijn naar de bestaande rituelen en dodelijk vervelende verhoudingen tussen mensen. Een dergelijke intentionaliteit is bij momenten te merken. Maar grosso modo valt Bogaerts achter een kritische voorstelling terug: deze produktie is grappig en niet veel meer.