© David Helbich

Leestijd 7 — 10 minuten

Palace Of Justice – Sébastien Hendrickx / KWP

Justitie aangeklaagd

Het Brusselse Justitiepaleis is een gebouw dat tot de verbeelding spreekt: het is de kolossale kroon van de Galgenberg  die nagenoeg overal de skyline van de stad tooit. Door haar schijnbaar oneindig durende verbouwing heeft het architecturale icoon een zowaar nog iconischer status verkregen. Als simultaan paleis en ruïne straalt ze een beeld uit dat even krachtig als kluchtig is. Vanuit die ambiguïteit vertrekt theatermaker-activist Sébastien Hendrickx voor zijn Palace of Justice. Samen met acteurs Mats Vandroogenbroeck and Yolanda Mpele klaagt hij ons logge rechtssysteem aan, met het monsterlijke maar afbrokkelende Justitiepaleis als metafoor.

Hendrickx’ fascinatie voor het gebouw begon in 2008. Na een vreedzame betoging werd hij een paar uur in de gevangenis opgesloten. Sindsdien werd de maker er frequent bezoeker. Vanaf 2016 begint Hendrickx zijn zogenaamde ‘Silent Walks’ doorheen het gebouw effectief te documenteren, te registreren.

De ettelijke uren die hij in het Justitiepaleis spendeerde, worden gecondenseerd tot korte geluidsfragmenten (sound design: David Helbich) en deze luiden het begin van de voorstelling in. Terwijl de scène zich in het donker hult, rijzen in de achtergrond allerhande geluiden op. Een vaag helikoptergeluid – of is het een drilboor? – wordt steeds scherper. Naaldhakken echoën; een lift stopt op de ‘rez-de-chaussée’; een ambtenaar (?) tokkelt, klikt en zucht, en klikt weer verder.

Ondertussen gaat een zacht licht aan. Langzaamaan onthult de scenografie zich. Het podium oogt bijna buitenproportioneel groot voor de twee objecten dat het bevat: langs links en langs rechts staan een werktafel en een MEWAF-kantoorkastje er als verloren bij, net zoals men ook in de Salle des Pas Perdus – de ontvangsthal van het gerechtsgebouw – noodgedwongen een beetje verloren loopt.

Tijdens de beginscène wordt met een minimum aan middelen een maximum aan beelden geproduceerd. Doorheen de herkenbare ‘kleur’ van het afgespeelde geluid — een uniform geroezemoes gemengd met de scherpe galm van voetstappen — vorm je je als toeschouwer onmiddellijk een beeld van de dikke stenen muren en de enorme ruimte waarin dergelijke echo’s worden weerkaatst. Wat ik hoor en wat ik zie prikkelt met andere woorden synesthetische associaties. Ondanks dat deze voorstelling zich op een podium ver van onze hoofdstad afspeelt, voelt het toch alsof de ruimtelijkheid van het Paleis zich rondom de zaal plooit. Een voice-over, die de geschiedenis en de afmetingen van de Salle des Pas Perdus uit de doeken doet, en de twee acteurs, die elk om beurt in verschillende gedaanten de scène betreden, maken deze ruimte meer en meer concreet.

“Ondanks dat deze voorstelling zich op een podium ver van onze hoofdstad afspeelt, voelt het toch alsof de ruimtelijkheid van het Paleis zich rondom de zaal plooit.”

De veelheid aan aangevoerde personages verbeeldt het komen-en-gaan van allerhande passanten die de Salle veronderstelt. In de centrale hal ontmoeten bouwvakkers en conciërges, werknemers en bezoekers, politie en louche zakenmannen elkaar. Acteurs Mpele en Vandroogenbroeck zijn shapeshifters die zonder moeite van rol wisselen.

Een viertal van deze passanten schopt het vervolgens, onder begeleiding van enkele scherpe observaties van de voice-over, tot hoofdpersonages. Zo is er mr. Delavallade, een tuinbouwer in de rand van Nijvel. De boer, die hier duidelijk buiten zijn comfort zone treedt, klaagt de burgemeester aan omdat een bende stadsduiven zijn zonnebloemen heeft verwoest. Er is ook mevr. Ngomo, de rechter die hem verdedigt. Stagiair Joachim Vandaele – een nepo-baby met een vader en grootvader in de advocatuur — staat haar bij. Liever dan in het ‘saaie’ rechtssysteem was deze echter laatste in de meer sensationele journalistiek beland. Tenslotte is er ook juffrouw Oumarou, die de dossiers doorheen het hele gebouw van plek naar plek loodst. Voor haar chronisch droge ogen heeft ze steevast in haar trolley ook oogdruppeltjes bij.

© David Helbich

De introductie van deze personages wordt opgedeeld in verschillende scènes. Tussenin horen we steeds de voice-over, die vertelt, becommentarieert, uitlegt en aanvult. Zowel de teksten van de personages als die van de vertelstem zitten vol van weetjes, faits-divers over het gebouw en het gerechtelijke systeem. Maar in enkele terloopse opmerkingen zijn vooral Brussel en België kop van jut. Zo wordt er gelachen met het feit dat geen Vlaamse, maar Waalse stenen van het Paleis naar beneden vallen. Ook moet er dringend toiletpapier worden besteld — het Justitiepaleis zat onlangs zonder, waarover in de media schampend werd bericht. Natuurlijk wordt ook vermeld hoe de stellingen rondom het Paleis al zo lang over tijd zijn dat ze stellingen voor deze stellingen moesten bouwen.

“De voorstelling bevestigt een beeld van Brussel waarin alles er kommer en kwel is. Als bewoner van onze hoofdstad voelen ze als gratuite binnenkoppers.”

Iets in mij wringt. De opmerkingen bevestigen een beeld van Brussel waarin alles er kommer en kwel is. Als bewoner van onze hoofdstad voelen ze als gratuite binnenkoppers. De aanhoudende toevoer van personages en daarbovenop een vrij plotse introductie van projecties achteraan op scène, ondersteund door steeds dramatischer wordend licht en geluid, doen de theatraliteit van de voorstelling gaandeweg merkbaar stijgen. De zuiverheid uit de beginscène brokkelt hierdoor langzaamaan af. Waar Hendrickx er initieel in slaagt om met heel weinig heel veel te zeggen, vertelt de tweede helft van Palace of Justice me met heel veel middelen steeds minder.

Ik licht hiervoor graag één scène in het bijzonder uit. Op een bepaald moment geeft rechter Ngomo aan haar stagiair Vandaele de opdracht om voor de ‘saaie cas pigeon’ van Mr. Delavallade te pleiten alsof hij een dubbele moordenaar zou verdedigen. Het recht, zegt ze, is immers niet ‘saai’: het recht is slechts het recht. Ze bestaat niet uit emoties: hoogstens uit te kraken codes. ‘Doe alsof het theater is,’ maant ze hem – in een poging om de derde muur te doorbreken? – aan.

Joachim Vandaele doet wat hem wordt gevraagd; de rechter reageert enthousiast. Raar, want in mijn ogen werd zijn betoog niet afgemaakt. Het is me niet duidelijk wat hier dan over het recht, noch over theater wordt gezegd.

Net op dat moment doemt in de achtergrond het lawaai van een betoging op. Een horde protestanten voelt steeds dreigender dichterbij te komen. Via projectie achteraan op scène krijgen we beelden van de covid-betogingen uit 2020 aan het Poelaertplein te zien. Lichten flikkeren fel, geluiden worden steeds onheilspellender. Het protest leidt uiteindelijk tot een ware ontploffing op scène. Rechter Ngomo blijft quasi levenloos op haar bureau achter.

Waren rechter Ngomo en stagiair Vandaele — alsook juffrouw Oumarou en mr. Delavallade — geen interessante wezens, dan hadden ze het niet tot personages van deze voorstelling geschopt. En toch… Toch voelt het alsof hun normaliteit, eenmaal op scène opgevoerd, niet volstond. Ze wordt pionnen ondergeschikt aan de fictie, aan de creatie van een artificieel spektakel, van een spanningsboog die er niet meer in slaagt de gerechtelijke realiteit aan te klagen.

Elk nodig inzicht in de werking van het rechtssysteem lijkt in het tweede deel van Palace of Justice te worden bedolven onder een teveel aan theatrale prikkels – tekst, beeld, geluid en oppervlakkige informatie. Zo komen we slechts te weten hoe de rechtszaken aflopen: we komen niet te weten op welke gronden ze werden bepleit. Daarenboven wordt een — in mijn ogen — te eenzijdig beeld van Brussel geschetst: ik vraag me af waarom de ambiguïteit van het Justitiepaleis als metafoor voor onze hoofdstad die aanvankelijk zo goed werkt, niet wordt doorgetrokken. Hoewel je in het materiaal de uitgebreide research van Hendrickx ergens wel voelt doorschemeren, blijft Palace of Justice als voorstelling inhoudelijk te oppervlakkig om een echte aanklacht te zijn.

Wanneer de voorstelling (een eerste keer) op zijn einde lijkt te komen, worden nog twee scènes aan het stuk gebreid, alsof er nog twee onderwerpen noodgedwongen dienden aangesneden te worden. In de eerste scène vindt juffrouw Oumarou een kamer vol honderden beschimmelde dozen. Wat gebeurt er met al deze zaken indien schimmels alle bewijsmateriaal aantasten? Worden deze dan zomaar geseponeerd? De slotscène toont een werkman en een rechter, vapend op een stelling/balkon. Na een de langdradigheid van de werken te hebben becommentarieerd, vraagt deze laatste zich in gedachten het volgende af: ‘Waren we beter af onder gerechtsgebouw?’

Als de rechtsstaat en het recht daar zo in het honderd draaien, zou het beter zijn als ze niet bestonden? Het is een belangrijke vraag — misschien wel de belangrijkste vraag van de hele voorstelling. Uitgesproken als laatste zin, is het de bedoeling dat ze bij toeschouwers nazindert. Helaas heeft de vraag daar, na alle veelheid van de voorstelling, iets te weinig gewicht om nog echt door te dringen.

Een antwoord op de vraag blijft ons alsnog schuldig. Het blijft voorlopig nog raden naar de ware waarde van het (ge)recht(gebouw). Maar misschien — hopelijk — lost het Justitiepaleis in 2030, als haar renovatie wordt afgerond en ze zich van haar stellingensluier ontdoet, de hele kwestie als vanzelf op.

De speeldata kan je hier vinden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#180

15.09.2025

—

14.12.2025

Tilde De Vylder

Tilde De Vylder is architecte en filosofe. Ze is ook mede-oprichter van atelier tilafolie en safe(r) space collectief LEDA.collective.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!