Confessie – Raven Ruëll & Bruno Vanden Broucke
De kunstmarkt maakt de kunstenaar
Klaas Tindemans
‘Mount Olympus’, Troubleyn © Wonge Bergmann
Waarom zien we zo weinig dikke mensen in theater? Waarom zijn ze nooit meer dan een komische sidekick? Loeka Van Aelst breekt een lans voor fat dramaturgy, een aanpak die deze clichés doorbreekt en dikke acteurs de ruimte geeft om volwaardige, veelzijdige personages te spelen.
De helft van de volwassen bevolking in Vlaanderen is dik, ook ik. Als ik films of televisieseries kijk, weet ik dat ik me kan verwachten aan clichématige representaties van mijn lichaamstype: het dikke personage is vaak slechts een komische toevoeging of een zielige sidekick. Maar wanneer ik naar het theater ga, durf ik meer te verwachten. Theater biedt ons namelijk de unieke kans om voor langere tijd naar lichamen te kijken die fysiek in dezelfde ruimte aanwezig zijn en dat maakt de drempel groter om deze lichamen te bekritiseren. Deze fysieke nabijheid nodigt uit tot empathie en betrokkenheid, waardoor het minder gepast voelt om hun uiterlijk te beoordelen. En hoewel ik op het podium inderdaad minder stereotypen aantref, valt het me toch op dat de dikke helft van de volwassen bevolking in Vlaanderen daar nauwelijks gerepresenteerd wordt.
In de Verenigde Staten kwam aan het eind van de jaren zestig de fat acceptance movement op gang, een beweging die de vooroordelen over dikke personen aankaartte. De basis voor deze activistische beweging werd gelegd in 1967 tijdens een zogenaamde fat-in, waar honderden demonstranten samenkwamen in Central Park om te eten en dieetboeken te verbranden. Op dat moment werd ook een officiële organisatie onder de naam NAAFA (National Association to Advance Fat Acceptance) opgericht die zich tot op vandaag kant tegen de discriminatie van dikke mensen.
“Hoewel ik op het podium inderdaad minder stereotypen aantref, valt het me toch op dat de dikke helft van de volwassen bevolking in Vlaanderen daar nauwelijks gerepresenteerd wordt.”
Een aftakking van deze organisatie met de naam ‘The Fat Underground’ publiceerde in 1973 het Fat Liberation Manifesto over verschillende aspecten van fatphobia zoals seksisme, stereotypen in de culturele beeldvorming en tekortkomingen binnen de gezondheidszorg. Judy Freespirit en Aldebaran eisen met dit manifest bijvoorbeeld dat de dieetindustrie erkent dat hun producten niet op lange termijn getest zijn, en schadelijk kunnen zijn voor de publieke gezondheid. Daarnaast beweren ze dat deze industrie profiteert van negatieve stereotypen over dikke mensen, door te beloven dat men met de hulp van hun producten aan die bespotting kan ontsnappen.
Initiatieven van de NAAFA en The Fat Undergound zorgden ervoor dat de stem van dikke activisten steeds meer gehoord werd in de samenleving. De kledingindustrie begon bijvoorbeeld meer plussize kleding te produceren – al kunnen we ons de vraag stellen of dit effectief een overwinning is voor de beweging, of louter een kapitalistische overweging om een breder publiek te bereiken. In België en Nederland zien we ook meer initiatieven opkomen die zich inzetten tegen de discriminatie van dikke mensen, maar dat blijft nog steeds vrij beperkt. De Instagrampagina ‘Dik Voor Mekaar’ is momenteel het toonaangevende platform dat zich richt op het informeren, engageren en connecteren van dikke mensen uit België.
Om de fat acceptance movement beter te begrijpen, moeten we het even over taal hebben. Net als andere fat activist-auteurs, zoals Aubrey Gordon en Charlotte Cooper, gebruik ik het woord ‘dik’ met het doel om dit los te koppelen van negatieve connotaties. ‘Overgewicht’ en ‘obesitas’, de zogenaamde O-woorden, vermijden we daarentegen. Dikke activisten zijn het er namelijk over eens dat deze woorden vaak een (onjuist) medisch oordeel impliceren. Doorgaans worden ze gekoppeld aan een ongezonde levensstijl, terwijl dik en ongezond geen synoniemen zijn. In haar boek What We Don’t Talk About When We Talk About Fat kaart Aubrey Gordon dan ook aan dat dikke mensen vaak worden gezien als ‘gefaalde dunne mensen’, en dat ze voortdurend moeten opboksen tegen ongevraagde bezorgdheid.
“Dikke activisten vermijden woorden als ‘overgewicht’ en ‘obesitas’. Ze impliceren namelijk vaak een (onjuist) medisch oordeel.”
Natuurlijk is het woord ‘dik’ nog steeds subjectief, aangezien we allemaal een andere opvatting hebben over wie we als dik beschouwen. Hier gebruik ik ‘dik’ om te spreken over verschillende lichaamstypes die niet aan de norm voldoen. De andere woordenschat die ik gebruik, is vaak afkomstig uit het Engels, omdat deze begrippen – net als de hele beweging – nog verder ontwikkeld moeten worden in Vlaanderen.
Toen ik me de vraag stelde hoe we de onder- en misrepresentatie van dikke personen in theater kunnen veranderen, kwam ik al snel terecht bij Jennifer-Scott Mobley’s begrip ‘fat dramaturgy’ of ‘dikke dramaturgie’. De Amerikaanse theaterwetenschapper beschrijft het zelf als een verzameling van strategieën en praktijken die ingezet kunnen worden om de representatie van dikke lichamen op het podium te analyseren en te bevorderen. Op die manier probeert Mobley diepgewortelde opvattingen over dik zijn bij te stellen. Dat impliceert ook dat een dikke dramaturgie inherent activistisch is, omdat het de discriminatie van dikke personen aankaart en tegengaat. Fat dramaturgy biedt zowel een theoretisch kader als praktische voorbeelden om negatieve stereotypen te doorbreken. In de praktijk betekent dit dat fat dramaturgy rekening houdt met de representatie van dikke personen op het podium, maar ook bijvoorbeeld met kostuums of een inclusieve casting.
Fat dramaturgy staat haaks op de vaak voorkomende dramaturgische strategie die gericht is op fat behavior. Dit verwijst naar stereotiepe eigenschappen en gedragingen die vaak in verband worden gebracht met het dikke lichaam. Denk maar aan de ontelbare dikke Disneypersonages die de belichaming van het kwaad zijn of worden ingezet als een komische noot. Een klassiek voorbeeld is de hartenkoningin, de antagonist uit Alice in Wonderland (1951). Alice beschrijft de koningin als een slechtgehumeurde, dikke tiran en haar omvang wordt nog meer in de verf gezet door het kleine gestalte van haar man, de hartenkoning. De fysieke kenmerken van de koningin dienen in deze film als een veruiterlijking van haar karakter als genadeloze sadist en tegelijk ook als comic relief. Vaak zijn dit dus eenzijdige personages die clichés over dikke mensen in stand houden. Wanneer dikke spelers het podium op komen, associeert het publiek hun lichamen automatisch met lachwekkende, negatieve eigenschappen zoals luiheid, gulzigheid of onhandigheid.
Het toepassen van een dikke dramaturgie begint al bij de casting. Net als color-blind casting is body-blind casting een manier om meer diversiteit op het podium te creëren door bij het casten verder te kijken dan het uiterlijk van spelers. Dikke spelers zouden bijvoorbeeld wél gecast kunnen worden als een romantisch begeerlijk hoofdpersonage in plaats van een zielige of luie antagonist. Voor acteurs en actrices die niet aan de norm voldoen, betekent dit dat ze voor meer gevarieerde rollen in aanmerking komen en minder eenzijdige personages moeten spelen – ook mensen met een zichtbare beperking zouden baat hebben bij deze manier van casten.
Om meer inzicht te krijgen in de drempels die dikke spelers in Vlaanderen ervaren, interviewde ik Andrew Van Ostade. Hij beschrijft zichzelf als fat activist en is acteur, muzikant, scenarioschrijver en theatermaker. Hij vertelde dat hij vaak gecast wordt in dezelfde eenzijdige rollen, die hij zelf beschrijft als de ‘socially awkward guy’. Deze stereotype rollen zorgen er volgens hem voor dat we dikke personen blijven zien als triest of grappig, in plaats van volwaardige, veelzijdige individuen. Ook op het vlak van kostuums zijn er volgens hem aanpassingen nodig voor dikke spelers. Veel kostuumontwerpers zijn er niet op voorbereid om een kostuum te maken voor een dik persoon. Dat leidt ertoe dat kostuums uiteindelijk niet goed zitten bij het spelen of zelfs uit elkaar vallen. Hij werd wel al gevraagd als model door de afdeling Kostuumontwerp aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen, en hoopt dan ook dat de studenten deze ervaring zullen meenemen in hun toekomstige job.

© Jelena Jankovic
Het dikke publiek wil niet alleen een positieve representatie op het podium, maar ook een comfortabel theaterbezoek. Theaterzalen toegankelijk maken, is zowel voor dikke mensen als mensen met een beperking cruciaal voor een aangename theaterervaring. Een eerste belangrijke stap is de informatie over de toegankelijkheid beschikbaar maken. In The Guardian verscheen een artikel van de Deense comedian Sofie Hagen met enkele voorstellen voor theaterzalen. Evenementenzalen kunnen bijvoorbeeld de afmetingen van hun stoelen online vermelden onder de sectie ‘toegankelijkheid’. De informatie die hierbij vermeld zou moeten worden is de breedte, diepte, en of er armsteunen zijn. Bovendien kunnen zalen alternatieve zitplaatsen voorzien die je op voorhand via mail of ter plaatse bij de medewerkers kan aanvragen. Hetpaleis in Antwerpen bracht voorstellen als die van Hagen al in de praktijk en plaatste de nodige informatie op de website, samen met een foto van de zitplaatsen.
We hebben nood aan personages op het podium die de eenzijdige representatie van dikke lichamen overstijgen. Theater kan ons helpen dromen van een diverse samenleving die rekening houdt met iedereen, ongeacht gender, leeftijd, afkomst of gewicht. Maar hoe realiseren we deze droom op het podium? In de voorstelling Bruegel (2019) van Toneelhuismaker Lisaboa Houbrechts vertolkt Andrew Van Ostade de rol van schilder Pieter Bruegel de Oude. Hoewel Van Ostade een dikke acteur is, en dus in dat opzicht niet lijkt op de historische Bruegel, werd dit in de voorstelling niet expliciet benoemd en stelde geen enkele recensie zijn casting in vraag. Van Ostade vertelde dat dit voor hem een bevrijdende ervaring was, omdat het eens niet over zijn lichaam ging.
Houbrechts slaagt erin om een dik personage op een genuanceerde manier in beeld te brengen zonder het dikke lichaam expliciet te benoemen. Bruegel is namelijk een complex personage dat niet louter goed of slecht is en dat heden en verleden samenbrengt in één historisch figuur. Houbrechts beeldt hem af als iemand die voornamelijk uit eigenbelang handelt, maar hij is niet inherent slecht. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Bruegels ingesteldheid tegenover zijn eigen schilderij Dulle Griet, dat door het personage van de kardinaal wordt beschreven als een goede spotprent. Terwijl hij aanvankelijk een oprechte, bevrijdende representatie wil maken van een genderfluïde persoon, zorgen zijn persoonlijke frustraties tegenover vrouwen er geleidelijk aan voor dat hij akkoord gaat met de kardinaal om er een spotprent van te maken.

© Kurt Van der Elst
Het gevaar bestaat echter dat het publiek automatisch terugvalt op het beeld van dikke mensen dat ze al kennen uit bijvoorbeeld de Disneyfilms. Daarom hebben we naast rollen als bijvoorbeeld Van Ostades Bruegel ook nood aan voorstellingen die bewust ingaan tegen clichés en geïnspireerd worden door fat activism, die de problemen van dikke mensen in deze samenleving ook uitdrukkelijk aankaarten. Enerzijds kan de aanwezigheid van een dik lichaam op het podium al genoeg zijn om het stigma rond dik zijn te doorbreken. We zijn het niet gewend om voor langere tijd naar dikke lichamen te kijken, dus deze nabijheid is als een eerste les watergewenning. Anderzijds kunnen de verhalen in theater die belichaamd worden door dikke spelers verandering brengen in onze culturele verbeelding, wat we geloofwaardig vinden in het echte leven, zoals een liefdesverhaal over een dunne en een dikke partner.
“Enerzijds kan de aanwezigheid van een dik lichaam op het podium al genoeg zijn om het stigma rond dik zijn te doorbreken. Anderzijds kunnen de verhalen in theater die belichaamd worden door dikke spelers verandering brengen in onze culturele verbeelding, wat we geloofwaardig vinden in het echte leven.”
Zo’n gewichtsneutrale utopie zag ik bijvoorbeeld in Desire (2023) van Louis Janssens. In Desire wordt regisseur Janssens op het podium bijgestaan door drie spelers met een verschillende lichaamsbouw. Deze diversiteit in lichaamstypes wordt meteen visueel benadrukt doordat alle vier de spelers vanaf het begin in bloot bovenlijf spelen. Na een indringende stilte beginnen ze hun diepste verlangens met het publiek te delen. In de tekst wordt nauwelijks aandacht besteed aan hun uiterlijke verschillen, met uitzondering van de momenten waarop Joshua Smits verlangt dat een man naar hem kijkt en hem vertelt hoe opwindend zijn rondingen zijn, of wanneer Francis Geeraert uitspreekt dat hij ziekelijk mager wil zijn.

© Sofie Knijff
Hoewel deze verlangens persoonlijk en uniek zijn, vertonen ze ook opvallende overeenkomsten. Een terugkerend thema is bijvoorbeeld het verlangen om bekeken te worden, en gedurende de hele voorstelling krijgt het publiek uitgebreid de kans om dit verlangen te vervullen. Het is uitzonderlijk dat we zo lang mogen kijken naar ontblote mannenbuiken, een meestal verborgen lichaamsdeel. Het maakt de spelers kwetsbaar omdat ze zich letterlijk blootgeven, maar tegelijk stralen ze een zelfzekerheid uit die hun verlangens kracht bijzet. Zo creëert Desire een ruimte waar geen schaamte bestaat, en waar elk lichaam mag verlangen naar een ander lichaam. Waar elk lichaam mag verlangen om begeerd te worden.
“Voorstellingen zoals Bruegel en Desire tonen hoe bewuste keuzes in casting en representatie de clichématige rollen doorbreken en dikke acteurs ruimte geven om veelzijdige personages te spelen.”
We zien ook live op het podium hoe de performers dit verlangen inlossen: ze houden elkaars handen vast, ze aaien elkaars buiken en dansen op intieme wijze. Deze fysieke interactie doorbreekt de idee dat enkel afgetrainde lichamen begeerlijk zijn en toont de eindeloze mogelijkheden van fysieke intimiteit. Ons ideaalbeeld van de dunne ballerina vervaagt wanneer de spelers met sierlijke bewegingen beginnen te dansen. Door te herzien en te herdefiniëren welke lichamen hun fysieke verlangens mogen tonen, ontstaat een vernieuwende kijk op dans en spel, waarin elk lichaam op zijn eigen, unieke manier beweegt. Net als Bruegel bewijst Desire dat theater een krachtig tegenwicht kan bieden voor de uitgemolken clichés, door elk lichaam een veelzijdig en origineel verhaal te laten vertellen.
Fat dramaturgy verschuift het perspectief op dikke lichamen in het theater en daagt de culturele verbeelding uit. Voorstellingen zoals Bruegel en Desire tonen hoe bewuste keuzes in casting en representatie de clichématige rollen doorbreken en dikke acteurs ruimte geven om veelzijdige personages te spelen. De realiteit is dat dikke mensen nog steeds gestigmatiseerd worden, maar theater kan ons alvast een voorproefje geven van een meer tolerante en inclusieve samenleving.
Meer lezen? Deze tekst is een herwerking van Loeka’s scriptie.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.