Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Tine Declerck
In Blue Moon Spring zet Anneleen Keppens drie dansers met een lijstje jazzmuziek op het podium. Soms draaien ze klassiekers als Thelonious Monk of Alice Coltrane, soms zijn de stukken speciaal voor deze voorstelling gecomponeerd door Nicolas Rombouts. Het spel van de muzikanten is vooraf opgenomen, maar de improvisatietechnieken typisch aan het genre nemen de dansers voor zich.
Dansers Jason Respilieux, Peter Savel en Margarida Marques Ramalhete lijken nog druk in de weer wanneer het publiek hun plaats zoekt in de Soetezaal in Leuven. Er hangen al een paar kleurrijke doeken en translucente gordijnen op, maar een lang, zwart doek met lijntekeningen plakken ze nog net met wat tape aan de dansvloer vast. Als iedereen zit, zet een van hen een nummer op en wagen ze hun eerste passen. Kort introduceren ze hun taal voor de avond, veel van de bewegingen in dit voorstuk komen later meermaals terug. Ze dansen met een gestrekte arm naar elkaar gericht, en toch ver uit elkaar, of liggen als verloren schildpadden op hun rug, poten in de lucht. Telkens gaan ze van snelle, individuele bewegingen naar een gemeenschappelijke vertraging en terug naar een versnelling. Ook de muziek doet zijn best om een prelude te zijn, dat klinkt als muzikanten die op hun instrumenten wat tokkelen, tussen het initieel stemmen en het werkelijk spelen in. Als ze klaar zijn zetten de dansers de muziek even op pauze en heet Ramalhete kort het publiek welkom. Respilieux zet vooraan een nieuwe plaat op, en de voorstelling begint, ditmaal voor echt.
In het programmaboekje belooft Keppens via de geschiedenis van de jazzmuziek te zoeken naar een ‘belichaming’ van de ‘jazzfilosofie’. Die bestaat volgens de choreografe uit kenmerken als intimiteit, kwetsbaarheid, lichamelijkheid, emotionele ervaring en spirituele impuls. Zo bootsen de dansers bijvoorbeeld soms in hun bewegingsritme een nummer na. Dan dansen ze mee met de muziek in het typisch jazzritme met een tegenritme. Alsof er een weerhaak in hun dans zit, stuiptrekken ze plots de andere richting uit.
Steunen en ondersteunen, zorg voor elkaar, is een terugkerend thema doorheen de volledige voorstelling.
Soms zijn de verwijzingen naar die jazzfilosofie vrij letterlijk terug te vinden in de structuur van een typisch jazznummer. Ergens midden in het stuk dansen de drie op het klassiek jazznummer Rythm-A-Ning van pianist en componist Telonious Monk, een stuk waar de piano, de baslijn en de trompet elk een solo krijgen. Elk van de dansers neemt een instrument voor zich. Terwijl de ene een instrumentsolo meedanst, dansen de twee anderen ondersteunend, net als in het muziekstuk, wat op de achtergrond. Maar soms zijn de verwijzingen naar jazz subtieler verborgen achter een danstaal.
Het eerste nummer evolueert van een vrolijk snarengetokkel met een zweverige fluit en een harmonica naar een vol lied met drums en een stevig samenspel. Telkens weer zet een danser zich op een afstand van de anderen, maar blijft in een ingebeelde verbinding met een van hen doordat ze beiden een arm naar elkaar toe strekken. De derde danser ondersteunt telkens een van de twee – door hem letterlijk te dragen of gewoon door al zijn aandacht en bewegingen erop te focussen. Daardoor ontstaat telkens een hiërarchie tussen de twee groepen, de ene alleen, als in een solo, de anderen met een zekere zwaarte. Als het evenwicht té verstoord wordt, draaien ze met drie richting elkaar tot alle dansers in elkaars armen vallen. Of soms vervolledigt de ene danser de draaibeweging van de andere, terwijl die al aan een nieuwe beweging begonnen is.
Dat steunen en ondersteunen, die zorg voor elkaar, is een terugkerend thema doorheen de volledige voorstelling. De dansers lijken bij momenten dan wel wat koppig hun eigen ding te doen – wanneer de muziek een soort kakofonie aan instrumenten brengt, danst Respilieux het liefst door te stampen met zijn voeten en te puffen. Maar vaak werken ze samen als individuen die elkaar ruimte en aandacht gunnen, zoals een trompettist met een blik aan zijn band een solo kan aanvragen. En tegelijkertijd zit er ook een zorg voor de volledige groep. Telkens wanneer de groep elkaar te veel uit het oog lijkt te verliezen, komen ze heel dicht bij elkaar staan, tot ze weer de verbinding voelen – iets wat een live jazzgroep ook doet door even terug te vallen op een vooraf afgesproken deuntje.
Op één moment voelt de interpretatie van de jazzmuziek en een jazzfilosofie toch licht gedwongen, alsof het afgesproken was op voorhand. Als een experimentele free jazz van knarsende violen weerklinkt, kruipen de dansers tussen de toeschouwers. Ramalhete nog gewoon via de trappen, maar Savel en Respilieux dansen zich letterlijk tussen de toeschouwers heen naar boven. Hoewel het een mooie passage oplevert – plots staat het lichaam van Respilieux op een paar centimeter van me te hijgen – moet het duidelijk voelen als een wilde speelsheid, een folietje. Maar toch komt het over als een trucje, een té letterlijke interpretatie van de ‘vrijheid’ en ‘totaal wildgaan’ van de muziek. Dat een danstaal op voorhand werd geoefend en vastgelegd is logisch. Maar even vraag je je af wat de waarde is van het improvisatorische als de trucjes ook vastgelegd zijn.
Gelukkig werkt de speelsheid vaak wel goed. Als de dansers de kenmerkende frustrerende, nooit-uitbarstende energie van de jazz niet meer kunnen behouden en zingen, kreunen of het uitschreeuwen van de spanning, zich gefrustreerd in een gordijn wikkelen of net met een overdreven zwaartekracht hun ledematen amper van de grond krijgen, komt het jazzspel helemaal tot zijn recht.
Maar ook alle interacties met de verschillende soorten gordijnen – in ontwerp van Sofie Durnez – brengen vrolijkheid. Het ene is translucent, waar de dansers geregeld voor en achter dansen, open en toe trekken. Het andere, zaalhoge doek schittert dan weer door de hele ruimte. En zelfs wanneer de dansers alle gordijnen neerhalen, laten ze de gordijnroedes hangen, maar zetten ze ze wat schuin. Het is een klein gebaar, maar door die schuine elementen lijkt het hele podium van de Soetezaal met zijn betonnen tektonische wand een vreemde dynamiek te krijgen, waar hij daarvoor een pak statischer was.
Als een trage en sombere bewerking van Nat King Cole’s Nature Boy inzet, het grijze, gedimd licht elke kleur op het podium uitwast, en de drie dansers zich op de grond op een hoop stofjes leggen, vallen de puzzelstukken in elkaar.
De keuze om met vooraf opgenomen muziek te werken is opvallend. Jazz vindt die typische speelsheid, intimiteit, levendigheid en zorg bij uitstek in de live interactie tussen muzikanten met elkaar en met het publiek. Opgenomen jazz werkt alleen door de herinnering aan een moment van levendigheid. Maar Blue Moon Spring kon helemaal niet werken met live muzikanten, dan zou de focus liggen op de interactie van de dansers met de grillen van de muzikanten, of op de begeleiding van de dansers door de muzikanten. En in die muziek zit nu net het probleem én de kracht van dit stuk.
Aan de ene kant brengt Blue Moon Spring een heuse bloemlezing aan verschillende jazzgenres (van donkere, trage, trieste middernachtmuziek, via experimentele collages tot bigband en zachte piano). Doordat Keppens vaak dezelfde danstaal laat terugkeren, geeft dit het gevoel dat ze als een wetenschapper wil bewijzen dat de jazzwaarden universeel zijn over al zijn subgenres. Alleen lijkt het daardoor, in combinatie met enkele vooraf ingestudeerde trucs die wat wildheid moeten suggereren, even alsof de voorstelling zijn eigen stelling naar zijn hand zet. Jazzwaarden toepassen op alle mogelijke subgenres dreigt de – zelfverzonnen – definitie van jazz net uit te hollen. Misschien leende het stuk zich ertoe om net soms minder muziek te hebben, zodat de jazzwaarden op zichzelf kunnen staan, en niet in relatie moeten staan tot de jazzmuziek.
Aan de andere kant kunnen de dansers door opgenomen muziek te gebruiken net tonen hoe ze de muziek terug tot leven kunnen brengen. In eenzelfde beweging tonen ze bijna klinisch aan hoe ze de jazzwaarden – die ‘jazzfilosofie’ – omtoverden tot een set aan regels voor een improvisatie. Daardoor bewijst ze dat ze waardevolle lessen uit een genre trekt. De zorg waarmee de dansers met het publiek en elkaar omgaan is van een andere, zachtere kwaliteit dan een dansvoorstelling meestal heeft. En tegelijkertijd verliest het spel niet aan sensualiteit en opborrelende energie, of net aan eindeloze melancholie.
Als de drie dansers het applaus in ontvangst nemen, zie je als toeschouwers voor de eerste keer hoe uitputtend de voorstelling moet geweest zijn, en niet enkel fysiek. Hun blik verraadt een mentale uitputtingsslag. Ze bedanken het publiek, en ook even elkaar. Tot aan het einde blijven ze hun jazzwaarden verdedigen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.