Iphigenia – De Roovers
Geef mij maar het verzet van Klytamnestra
Mia Vaerman
Saskia de Coster in het KMSKA © Sanne De Block
De paragraaf waarmee dit artikel zou kunnen beginnen, maar die ik vervolgens uit schaamte weer zou schrappen is de volgende: Mensen die uitstelgedrag vertonen zijn vaak jaloers op mensen die zich met zichtbaar genoegen moeiteloos van hun taken weten te kwijten. Ik bijvoorbeeld ben alleen vlijtig omdat anderen het ook lijken te zijn. Ik zou het dan ook niet aandurven om wie dan ook deelgenoot te maken van mijn schrijfproces. Dat bestaat onder andere uit vele uren naar een lege pagina staren, af en toe googelen, even rechtstaan en meteen weer gaan zitten, zuchten, weer opstaan, kijken hoeveel woorden ik heb getypt in de vijf minuten dat ik me heb kunnen concentreren, aan chocolade knabbelen, koffie maken, fantaseren over een filmscenario dat ik nooit zal schrijven en een toneelstuk waar niemand om gevraagd heeft, vervolgens weer alles onaf laten en naar mapjes slepen, koffie drinken, rugpijn voelen, RSI-tintelingen in de vingers, telefoneren, mailen, nieuwslezen, opstaan, fruit eten omdat de chocolade op is, afwassen, was instoppen, moeder bellen, kind 1 appen, foto’s kind 2 bekijken, frustratie, eten, kinderen naar bed, nieuwe schrijfpoging ondernemen.
De schrijvende mens zoekt vaak de eenzaamheid op. Dat heeft iets te maken met een verlangen naar concentratie, maar misschien ook met die schaamte rond de daad van het schrijven. Je loopt die tekst eruit te persen, maar de mentale en emotionele arbeid die een tekst vergt, valt eigenlijk niet zichtbaar te maken en dat wat wel zichtbaar is, is vaak niet representatief voor wat er daadwerkelijk aan werk wordt verricht. Soms word je kinderlijk enthousiast over de gedachten die zomaar uit je op lijken te borrelen (alsof je zelf een geniaal AI-model bent), soms heb je het gevoel dat je zo maar wat typt omdat er nu eenmaal getypt moet worden, omdat dat blad gevuld moet worden en omdat de deadline dichtbij is, soms heb je het gevoel dat je iets steelt of overschrijft, iets na-schrijft wat je ergens anders hebt gehoord. Of nog erger, het gevoel dat je jezelf herhaalt. Logisch dus, dat de schrijvende zich een beetje beschaamd verstopt voor gluurders.
“De schrijvende mens zoekt vaak de eenzaamheid op. Dat heeft iets te maken met een verlangen naar concentratie, maar misschien ook met de schaamte rond de daad van het schrijven.”
Ik zou ook niet weten waarom je een schrijvende op de vingers zou willen kijken. Want hoeveel er in de binnenwereld ook gebeurt, tegelijkertijd is schrijven van buitenaf bezien een volkomen onspectaculaire bezigheid. De eindeloze variaties van het alfabet die op het scherm verschijnen, het doffe geroffel, de dans van de weifelende cursor. Soms zou je bijna verlangen naar ‘echt werk’ omdat schrijven eerder een worsteling is.
Een schrijvende machine, dat heeft nog iets speels, in de trant van Tinguely’s tekenmachines, de Love Letter Generator van Christopher Strachey (1952!!) of ChatGPT. Of straatwerkers die een gat graven, of een schilderende kunstschilder, dát is spannend. Maar een schrijver bekijken die schrijft? Heeft schrijven een performatieve kwaliteit die de blik kan strikken? En als je een auteur die haar strepen verdiend heeft, ziet schrijven, zie je dan iets gebeuren dat zich onderscheidt van je eigen dilettantistische geroffel op de laptop? Toegegeven, er is er één die ik graag zie schrijven, mijn vijfjarige dochter die haar eerste verhaal in drie woorden op papier probeert te krijgen, omdat in haar lichaam en penvoering de worsteling met woorden zichtbaar wordt.
In de krant lees ik de aankondiging dat schrijfster Saskia de Coster zich in februari voor een maand laat bekijken in het KMSKA bij het redigeren van haar nieuwste roman. The Author is Present heet het werk met iets te veel knipoog naar Marina Abramovic’ performance The Artist is Present (2010). Abramovic’ performance had ik misschien wel overgeslagen, ook als het zich bij mij om de hoek had afgespeeld, maar de Costers performance moet ik zien, niet zozeer omdat ik een die-hard fan van haar werk ben, maar omdat ik denk dat ik mijn dagen vul met dezelfde bezigheid en ondertussen een overijverige fascinatie ontwikkeld heb voor het hoe van het schrijven zelf: zo weet ik dat Schiller meende aan rotte appels te moeten snuffelen om goed te kunnen schrijven, terwijl Jean Genet masturberen dan weer nuttig vond. Best theatraal allemaal, en Saskia de Coster belooft de noeste arbeid van het schrijven te laten zien, dus…
…ik begin februari de trein op naar Antwerpen, richting KMSKA. Pas na een dik uur dwalen door het museum, als ik al een beetje vergeten ben waarvoor ik daar eigenlijk ben, komt de shock: daar zit, in een plomp hok van hout en glas, niet alleen de schrijfster als schrijfster, maar de hele mens Saskia de Coster. Ze zit achter de laptop, te tokkelen. In schril contrast met het werk van Abramovic, die haar publiek recht in de ogen keek, is de blik van de Coster afwezig. De geconcentreerde blik, als een spoor van het werk, de denkende motor van de schrijfster. Ze vertoeft in andere regionen. Het licht van het raam achter haar, waar een paar kale takken wind en winter trotseren, streelt over haar schouders. De zaal is vol bezoekers, maar hun blik streelt met dezelfde vanzelfsprekendheid over het tableau vivant van de schrijfster als over als de andere schilderijen en beeldhouwwerken, een resem naturalistische kunstwerken van Evenepoel, Laermans en Meunier onder andere. Ze portretteren bijna uitsluitend de armoede en de bezigheden van het vrouwelijk proletariaat: aardappels rooien, vlaswieden, breien, bedelen. Met knoestige handen, vaak hun enige gereedschap, en de blik gericht op overleven, kwijten vrouwen zich van hun taken en laten zich op elk schilderij, bij elk beeldhouwwerk, definiëren door hun beroep. In die dodendans heeft de hedendaagse schrijfster zich ingevoegd, waardoor je niet anders kan dan ‘zoek de zeven verschillen’ spelen. Er is echter nog een andere rij kunstwerken die de schrijfster handig in haar eigen portret heeft binnengesmokkeld: Een stapel boeken met op de rug de namen van Bernardine Evaristo, Leanne Shapton, Clarice Lispector, enzovoort. Toch niet zo alleen dus….
“In schril contrast met het werk van Abramovic, die haar publiek recht in de ogen keek, is de blik van de Coster afwezig. De geconcentreerde blik, als een spoor van het werk, de denkende motor van de schrijfster.”
Wie dichterbij het hok komt, ziet het gereedschap van de hedendaagse schrijfster: een MacBook Air, even generiek als de mand van de aardappelrooister of de klompen van de boer en mijnwerker dat moeten zijn geweest in de hoogtijdagen van het naturalisme. Komt er ooit een tijd dat we met dezelfde historische afstand en exotische interesse naar een MacBook Air kijken als nu naar de klompen op het werk van Meunier?
De Costers vingers die over de laptop glijden zijn echter veel verfijnder dan de naturalistische vingers die naar aardappels grijpen of klompen vasthouden. In de zwarte rolkraag die ze vandaag draagt en met haar kaarsrechte houding achter de MacBook vallen vooral de verschillen tussen het levende portret van de schrijfster en de geschilderde en gebeeldhouwde vrouwen rond haar op. Ja, schrijven is ook werk, maar het lichaam draagt er nauwelijks de zichtbare sporen van. Gezien haar succes mogen we vermoeden dat de schrijfster de eindjes wel aan elkaar kan knopen en ze leidt allerminst een anoniem bestaan. Haar stem telt mee.
Ik blijf wat langer ronddrentelen rond het schrijfhok en denk: ‘’t Is toch een beetje als in de zoo staan bij een terrarium waar een wijngaardslak de show probeert te stelen.’ Nothing much to see, het slijmspoor is de enige getuige van beweging. Dus ik kom wat dichterbij, beweeg me naar de zijkant van het hok in een poging om door het glas over de schouder van de schrijfster mee te kijken. Dat voelt als een inbreuk op haar privacy, maar ik doe het toch: Ze scrolt van zin naar zin en past de persoonsvorm in een hoofdstuk aan, van de tweede persoon ‘jij’ naar de derde persoon ‘hij’ of iets dergelijks. Een zware ingreep want het hele vertelperspectief lijkt op de schop te gaan, maar het wordt uitgevoerd met een lichtheid die niets van een worsteling doet vermoeden. Nu heb ik toch het gevoel dichter bij het schrijfproces te komen en de Coster echt bij haar arbeid te betrappen. Terwijl ik sta mee te gluren, beeld ik me in hoe ik straks het boek koop en het hoofdstuk terugvertaal naar die andere persoonsvorm. Ik probeer de zinnen waar de Coster aan werkt in gedachten vast te houden, maar het gaat te snel. Het schrijven als een performance die een verdwijnend spoor nalaat.
In plaats van de gelijkenissen tussen de schrijfster en de negentiende-eeuwse arbeiders begin ik nu de gelijkenissen tussen de kunst van het schrijven en performancekunst te zien. Twee vormen van werkzaamheid die de Coster multitaskend met elkaar verbindt. Doordat haar performance is gekaderd door een reeks portretten van arbeiders, vraag ik me ook af welke financiële afspraken ze met het museum heeft gemaakt en of ze nu aan beide activiteiten – het performen van het schrijven en het schrijven zelf – tegelijkertijd iets verdient? Bestaat er naast meta-consumptie ook zoiets als meta-verloning?
Theaterwetenschapper Peggy Phelan schrijft dat het onderscheidende kenmerk van performance tegenover andere kunstvormen is dat het altijd gaat om een representatie zonder reproductie. De performance verdwijnt in het moment en dat maakt haar kwetsbaar voor de aanval dat het leeg is of waardeloos, geen ‘echt werk’, zoals de Antwerpse schepen van cultuur Nabilla Ait Daoud zich onlangs liet ontvallen. Eerlijk, ik vind het na een dag repeteren zelf soms ook moeilijk te begrijpen wat aan mijn werk nu eigenlijk werk was. Maar ik veronderstel dat een badmeester die niemand gered heeft met hetzelfde gevoel zit. Performance valt moeilijk te rijmen met de logica van de markt omdat het geen blijvend product produceert, net zoals alle andere vormen immaterieel werk.
“De Costers performance vindt waarschijnlijk niet toevallig op een scharnierpunt in de tijd plaats, waarin het schrijven zoals we het kennen bedreigd of aan het verdwijnen is.”
Schrijven is wel reproductieve arbeid en kan volgens Phelan dus onmogelijk samenvallen met performance. En toch is het even weerloos tegen de aanval dat het geen echt werk is. Weliswaar produceren allerlei vormen van schrijven een product, maar de performance van het schrijven zelf valt toch moeilijk ‘te verkopen’. Neem bijvoorbeeld een haiku. Hoelang duurt het om die neer te schrijven (het echte werk)? 10 seconden? Hoelang duurt om de inval te krijgen? Misschien ook niet zo lang. De waarde ervan kan dus moeilijk afgemeten worden aan de productietijd, de leestijd of de consumptiewaarde. Ook nieuwe technologie relativeert of ridiculiseert het schrijven. Sterke AI-modellen, zoals ChatGPT, produceren op commando tekstfragmenten en lijken de performance van het schrijven in luttele seconden uit te voeren. Als ik ChatGPT vraag om een stukje in de stijl van Saskia de Coster te schrijven, voert het AI-model dat meteen vrolijk uit. Het fragment leest als een grap. Maar ook al hebben die modellen nog geen Turingtest doorstaan, toch dagen ze ons uit vragen te stellen rond noties zoals inspiratie, originaliteit en creativiteit.
De Costers performance vindt dus waarschijnlijk niet toevallig op een scharnierpunt in de tijd plaats, waarin het schrijven zoals we het kennen bedreigd of aan het verdwijnen is. In het boek met de veelzeggende titel Uncreative Writing (2011) betoogt Kenneth Goldsmith dat hedendaagse teksten niet langer meer dienen om te lezen, maar eerder om verplaatst, gedeeld of gemanipuleerd te worden. De digitale omgeving waarin schrijvers werken, met machines die heel graag deel schijnen te willen nemen aan het arbeidsproces, nodigt hen uit om anders na te denken over hun rol. Misschien is De Costers performance ook als zo’n andere invulling te begrijpen, net zoals je in het Museum voor de Oudere Technieken (MOT) in Grimbergen de ijzersmid aan het werk kan zien?
Wat performance en schrijven gemeen hebben, is dat we ze alleen kunnen waarnemen in het moment van verdwijnen. Wat verdwijnt zal niet alleen de laptop zijn, maar ook de schrijfster erachter, net zoals de aardappelrooister, samen met haar mand is verdwenen. Twintig jaar geleden bezocht ik de Oostenrijkse literatuurarchieven en kon de manuscripten inkijken van schrijvers uit de negentiende eeuw tot ver in de twintigste eeuw zoals Jacob Wassermann, Andreas Okopenko, Friedericke Mayröcker en Elfriede Jelinek. Je kan aan de hand van slechts een handvol manuscripten geen oordeel vellen over de ontwikkeling van het schrijven, maar wat toch opvalt, is dat de handeling, de performance, gedurende de twintigste eeuw lijkt te verbrokkelen en langzaam verdwijnt. Zinnen en verhalen worden nauwelijks nog in één gebaar neergeworpen op het papier, maar ontstaan in een proces van soms eindeloos redigeren: Jacob Wassermann leek zijn negentiende-eeuwse roman nog bijna in één ruk neer te pennen. Als hij een zin aanpastte bleef elk spoor van de aanpassing zichtbaar in de inkt. In zijn manuscripten zie je ook nu nog de performance van het schrijven in de penvoering en de correcties. Wat verder in de tijd schrijft Andreas Okopenko op tramkaartjes, bierviltjes, her en der gevonden papiertjes. De evidentie waarmee papier in zijn tijd overal aanwezig was, de snelheid en gefragmenteerdheid van het stadse leven bepalen zijn verbrokkelde schriftuur.
Maar hoe verder in de tijd, hoe meer de performance van het schrijven wordt vervangen door de performance van het redactievoeren. Dankzij de computer kunnen schrijvers eindeloos versies opslaan. Zo blijft het proces weliswaar traceerbaar en zichtbaar, maar de performance van het schrijven in klassieke zin verdwijnt met de macht van de [Delete-]-toets en de zoek-en-vervangfunctie, waarmee de schrijvende eindeloze pogingen onderneemt om de tekst te verbeteren.
Het is die specifieke eigenschap van het hedendaagse schrijven die Saskia de Coster in haar performance uitlicht. Terwijl ik over haar schouder meekijk, zie ik haar door de zoveelste versie van het manuscript scrollen, woorden zoekend en vervangend. Daarmee nuanceert ze ook een klassiek beeld van het schrijven dat succesvol door (voornamelijk mannelijke) schrijvers zoals Jack Kerouac en hun uitgevers in de wereld werd gebracht, namelijk dat het schrijven een performance is die in één moment van genialiteit en spontaneïteit wordt volbracht. Zo laat de Coster zien dat schrijven toch vooral ploeterwerk is, ook al lezen we dat nauwelijks aan haar lichaam af.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.