Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Sepideh Farvardin
De titel van Yassin Mrabtifi’s nieuwe choreografie, ‘Categoreez’, knipoogt naar de verschillende categorieën waarin voguedansers het tegen elkaar opnemen. De voorstelling weigert vaste labels, en laveert tussen ballroom wedstrijd, hedendaagse dans en hiphop.
Een donkere figuur komt het podium op, gehuld in een cape. Het projectiescherm achteraan het podium kolkt van de kleuren. Uit de speakers weerklinkt een lage, omineuze stem, als uit een goedkope avonturenfilm. De reiziger komt ons, zijn metgezellen, vertellen dat de mensheid ten onder zal gaan aan categorisatie en polarisatie. Er zijn nog maar een paar overlevers, en dit is hun verhaal… Is het echt nodig om zo letterlijk uit te leggen waarover deze voorstelling gaat? De titel op zich geeft al weinig subtiel weg wat we kunnen verwachten. Of niet?
Centraal op het podium ligt een rode loper. Doorheen de voorstelling zal die fungeren als catwalk, loopband, een dansvloer voor voguing. Aan beide kanten van het podium zijn twee kleine tribunes voor publiek opgesteld, en de rest van het publiek zit op gelijke hoogte. We zijn metgezellen, niet het zoveelste afstandelijk publiek dat verheven boven de actie zit. Althans, dat suggereren de duistere stem en de scenografie. Ook hier een weliswaar erg letterlijke, maar betekenisvolle keuze als tegenpool voor de ongelijkheid en onderdrukking die categorisatie veroorzaakt.
De mysterieuze reiziger gooit zijn cape af en neemt plaats achter de mixtafel op het podium. Beats doen de lichamen van het publiek vibreren. Drie figuren staan als schaduwen voor het scherm. Drie performers: een man, een vrouw, een non-binaire persoon? In hun zwart-witte, wat klassieke outfits lijken ze haast weggelopen uit een videoclip van Stromae. Hun trage, abstracte bewegingen hebben echter meer weg van hedendaagse dans. Oeps. Ik betrap mezelf erop dat ik hen in een categorie probeer te duwen, in een dansstijl, in een gender – zelfs mét de overduidelijke insteek van de voorstelling in het achterhoofd. In werkelijkheid koos Mrabtifi voor drie eclectische, multidisciplinaire dansers met sterke wortels in de zogenaamde urban dansstijlen: Justine Theizen, Naim Belhaloumi en Alae-Eddine Belmiloudi. Geen van allen laten ze zich vastpinnen op een vaste identiteit, net zoals de fluïde personages die ze verbeelden.
Het getuigt van een kwetsbaarheid om autobiografische referenties in te zetten die persoonlijk en politiek zijn. Toch voelt het overbodig, want de problematiek van de verscheurde, complexe identiteit wordt al getoond.
Initieel lijken de drie uniform geklede performers naast elkaar te dansen: met drie op een rij voeren ze parallelle, gelijkaardige bewegingen uit. Zijn ze pionnen op een spelbord? Vooruit, draaien, achteruit en opnieuw draaien. Zijn ze modellen op een runway? Het valt op dat ze nooit op gelijke hoogte lopen, wat een schijn van concurrentie doet vermoeden. De beats pompen, af en toe flikkert het scherm op als een soort technische storing, de performance heeft iets hypnotiserends. Na een tijd horen we opnieuw stemmen uit de speakers komen. Ditmaal een soort interview: verschillende stemmen vertellen tot welke categorie ze behoren. Die zelfcategorisatie begint typisch, maar getuigt van humor, zelfspot en relativering, maar ook van (bittere) ernst. Van: ‘Ik behoor tot de categorie van mensen die zich als man identificeren’ tot ‘de categorie van mensen die dessert eten voor het hoofdgerecht’ en ‘die vier maanden lang vegetariër zijn geweest’ tot ‘de categorie van mensen die geweld moeten ondergaan, maar zelf niet gewelddadig zijn’ en tot slot: ‘tot de categorie van mensen die queer zijn’.
Zo plaatst Mrabtifi zich wel erg letterlijk in het rijtje makers van Trajal Harrell tot Jaouad Alloul die een ‘hybride en flexibele identiteit in de urban culture’ en queer cultuur als inspiratiebron nemen, waarvan Charlotte De Somviele er een aantal belichtte in haar essay ‘Ass talk en clubbing vibes. Nomadische identiteiten in de hedendaagse dans.’ (Etcetera 138). Ze legt uit hoe een aantal makers ‘van de ene identiteit in de andere (…) morphen en daarmee de ideologische normen van smaak, seksualiteit en etniciteit onderuit (…) halen.’ Dat is wat ook er in Categoreez gebeurt.
Helaas wordt dat alweer letterlijk aangekondigd door een stem die uitlegt dat de kameleon een wel erg bijzonder dier is: perfect gecamoufleerd (behalve voor andere kameleons), in kleuren die zijn emoties weerspiegelen – zoals het projectiescherm de emoties van de dansers weergeeft? – een echte overlever. Het is een treffend, maar helaas wel erg cliché symbool in een voorstelling over fluïditeit. In een interview in De Tijd1 vertelt Mrabtifi hoe hij zich als een kameleon voelde, ‘iemand die altijd en overal een rol moet spelen, als sociale overlevingsstrategie’. Thuis moest hij ‘een goede moslim zijn, buitenshuis een voorbeeldige westerling. Dat was verwarrend en verscheurend.’ Het getuigt van een kwetsbaarheid om autobiografische referenties in te zetten die persoonlijk en politiek zijn. Toch voelt het overbodig, want de problematiek van de verscheurde, complexe identiteit wordt al getoond. Ze hoeft niet meer benoemd te worden.
In nauw aansluitende, opake top en gouden wikkelrok kruipt Belmiloudi – als een kameleon? – het podium op en geeft het beste van zichzelf in een sensuele stoelendans, laat zich in spectaculaire dips achterovervallen op de runway. Een knap staaltje voguing, dat wordt onderbroken door Belhaloumi die in losse, donkerblauwe broek en hemd de scène opwandelt. ‘Miauw’, doet hij haast achteloos. En nog eens, ditmaal luider, katachtiger: ‘miauw’. Het publiek lacht om de – weliswaar alweer letterlijke, maar ditmaal hilarisch onverwachte – referentie naar de catwalk. In een persiflage op een doorvoeld, theatraal optreden tijdens een talentenjacht miauwt Belhaloumi een poppy lied door een microfoon. Belmiloudi kijkt aanvankelijk onthutst naar het publiek, probeert nog even sensueel de aandacht te trekken en kruipt vervolgens aarzelend rond de spotlight waarin Belhaloumi staat te shinen – om hem vervolgens bij de benen vast te grijpen. Een strijd om aandacht, denk je, een competitie waarbij de beste of de sterkste wint? Maar dan wikkelt Belmiloudi zich om Belhaloumi heen, en volgt er een tedere choreografie: een omhelzing waarin de twee dansers één lichaam vormen. Uiteindelijk zal ook Theizen hen vervoegen. In een wit jurkje stormt die op hen af. De ontroerende scene ontaardt in een komische groepsknuffel, om vervolgens opnieuw tot een innige verstrengeling te vervloeien. Vormen de drie één entiteit, of is dit de pakkende belichaming van een framily?
De dansers vallen uit elkaar, en maken plaats voor het moment de gloire van Theizen. Het is een wat knullige playbackversie van een bekende solo uit de musical Les Misérables. ‘I dreamed a dream’, galmt het uit de speakers. Al lijkt Theizen daar zelf niet echt in te geloven. Al gauw worden hun theatrale armbewegingen schokkend, robotachtig, en hapert de muziek.
Alle cats en musical-cyborgs op een stokje: het bekende A Cyborg Manifesto van Donna Haraway is nooit ver weg. Ook mens en machine (of mens en dier) vormen geen strikt gescheiden categorieën meer. Al bewandelt Mrabtifi hier alweer platgetreden paden, hij doet het op een frisse, humoristische manier.

© Sepideh Farvardin
Uiteindelijk holt Theizen, zonder vooruit te komen, op de rode loper – een handeling die de dansers in het begin van de voorstelling ook uitvoerden. Wanneer er opnieuw gemiauw weerklinkt, is het duidelijk dat competitie zeker een rol speelt in deze voorstelling. Categoriseren betekent opdelen. Verdelen. En strijden om de heerschappij – of om de aandacht van het publiek. In een vloeiende jurk komt Belhaloumi op, alle ogen gericht op hem. Als een discoderwisj tolt hij elegant om zijn eigen as: zijn fluïde identiteit vormt een stralend middelpunt. Een discobol projecteert feeërieke vormen doorheen de zaal.
Wanneer de drie dansers opnieuw verschijnen, lijkt de voorstelling op zijn einde te lopen. Maar wat blijkt: het publiek wordt op het podium uitgenodigd om mee te dansen. Gewaagd, denk je dan. Want een feestje op een podium, betekent nog niet dat het publiek in de juiste vibe is om te participeren. Het is dus verbazingwekkend dat er plots een heleboel mensen vanuit alle hoeken van de zaal het podium opstromen. Nog verbazingwekkender: al gauw vormen ze een lange, enthousiast en haast synchroon dansende rij op de runway. Dit lijkt afgesproken en ingestudeerd, en dat is het ook: Mrabtifi gaf een paar dagen voor de voorstelling een dansworkshop. Je zou het als valsspelen kunnen zien, maar het werkt.
Een indrukwekkende, diverse groep van zo’n vijftig mensen neemt het podium dansend mee in. Een aantal van hen gaan zelfs solo, onder luid applaus. Ik zie jonge kinderen rondspringen, pubers in salopette die eerst aarzelend meedoen, twintigers in croptop, een meisje in jeans dat vanachter haar bureau lijkt te komen, heupwiegende tachtigers, een geestdriftige vrouw in glitterjurk met indrukwekkende moves en een man die het vooral van zijn grote, lederen piratenhoed moet hebben. De zaal joelt en klapt, want dit is aanstekelijk. Ik kan me zelfs voorstellen dat ik ook op het podium zou durven staan in deze setting. (Toch blijf ik zitten.)
Net zoals in het succesvolle Birds dat hij met Seppe Baeyens en Martha Balthazar maakte, blijft Mrabtifi verder experimenteren met de horizontale, inclusieve principes van de urban dansstijlen waarin hij geworteld is. En dat levert een soort schoolfeest-sfeer op in de KVS aan het einde van Categoreez. Deze voorstelling is niet onder één categorie te stoppen. Ja, ze is te uitleggerig en bevat te veel clichés. Ja, de dramaturgie is te een op een. Maar ze slaagt er tegelijkertijd toch in om het onderscheid tussen scène en zaal op te heffen, tussen hedendaagse dans, hiphop en vogue, tussen competitie en gemeenschap.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.