Leestijd 7 — 10 minuten

De impuls van een nieuwe structuur

National Theatre, Londen

Geld is ook in de Londense theatermiddens het voornaamste onderwerp van gesprek. Het National Theatre, de mastodont die op de zuideroever van de Thames staat, heeft het hard te verduren gehad. De Arts Council, het lichaam dat de subsidies verdeelt, heeft het National Theatre tot ernstige besparingen gedwongen. Peter Hall, de directeur, heeft hierop krachtig gereageerd: hij heeft één van zijn drie theaters gesloten.

Daarbij is hij heel gewiekst tewerk gegaan. Laten we even naar de situatie van het National Theatre kijken: de reuzeorganisatie bestaat uit drie theaters. Over de jaren is er veel ongenoegen geweest over het beleid van Peter Hall, omdat hij het te commercieel aanpakte. Maar één onderdeel van zijn theater kon op volledige sympathie rekenen: dat was het kleine Cottlesloetheater, qua afmetingen en architectuur misschien het best te vergelijken met de Zwarte Zaal van Proka te Gent. Hier werken al jaren Bill Bryden, regisseur, en William Dudley, decorateur, samen. Zij hebben grote successen gescoord met wat men promenade performances noemt: vertoningen waarbij de toeschouwers rechtstaan of op de grond zitten, terwijl de acteurs tussen hen in evolueren: het is de toneelvorm, die in Westeuropa in de jaren zestig zo overweldigend werd ingevoerd door Lucca Ronconi in diens produktie van Orlando Furioso op het plein voor de Dom van Milaan. Het belangrijkste succes van Bryden en Dudley was een moderne bewerking van middeleeuwse passiespelen, die in het Engels Mysteries heten. In 1977 pakten Bryden en Dudley er voor het eerst mee uit, en onmiddellijk kregen ze er een enorme respons op. Sedertdien is de produktie niet meer van het programma verdwenen: ze gingen er mee op tournee, en toonden het op het festival te Edinburgh. Deze winter werd de trilogie (The Nativity, The Passion, Doomsday) in een bijgewerkte versie uitgebracht en het liep storm voor de Cottlesloe.

En toen kwam het nare bericht van de Arts Council en besloot Peter Hall om precies de Cottlesloe te sluiten: we hebben geen geld meer om ernstig aan toneel te doen, was zijn commentaar. We sluiten dan maar ons experimenteel theater tot er meer subsidie komt.

Hiermee is het verhaal niet af: vanuit de privésector was er belangstelling, want de produktie trok veel volk. Zo emigreerde de National Theatre voor het eerst naar een commerciële zaal: het Lyceum Theatre, op de andere oever van de Theems, bij de Strand, een commerciële ader van de stad. Het experimenteel theater in ballingschap dus. Deze politieke daad van Hall is vanzelfsprekend rechtstreeks tegen het onbarmhartige, barre beleid van Thatcher gericht. Hall heeft dan ook de steun gekregen van de Greater London Council, het stadsbestuur dat door Labour geleid wordt. Thatcher heeft wel een oplossing in petto om de lastige linkse politici van dit orgaan onschadelijk te maken: het GLC gewoon afschaffen. Maar daar is ze nog niet in geslaagd, zodat Hall er nog altijd kan op rekenen dat het GLC de centen bijpast, en de Cottlesloe in de herfst weer zijn deuren zal kunnen openen.

De produktie van The Mysteries zelf heeft een politieke boodschap, die het logisch gevolg is van een lange traditie van arbeiderscultuur, zoals ze sedert William Morris in de jaren 1880 bij de linkerzijde is blijven leven. Het promenade-karakter van de opvoering drukt uit hoezeer de kunst nog organisch met het leven verbonden is: de heilige cultuurtempels bestaan nog niet. De acteurs dragen eigentijdse kostuums, die regelmatig verwijzen naar de mijnwerkersstreek, omdat de originele teksten in York werden geschreven. Het muzikale idioom is dat van de folksong, zoals hij in de jaren zestig een grote populariteit kende onder impuls van mensen als Bert Lloyd, Peggy Seeger of Ewan McColl. De tekst zelf wordt vaak met veel ironie gebracht: het verdwijnen van Jezus uit zijn graf wordt als een grote goocheltruuk gebracht. Als hij op het Laatste Oordeel recht spreekt, rollen de toeschouwerstribunes uit elkaar en wordt een deel van het publiek als zondaars uitgescholden, terwijl het andere deel heel teder wordt toegesproken. Dat alles creëert een sfeer van grote, naïeve toneel-pret, waarbij afdalende engelen, lichteffecten met spiegels de feestsfeer versterken. Heel logisch sluit de vertoning met een volksdans af, waarbij het publiek tot deelname wordt uitgenodigd.

Het ‘experimentele’ karakter van de vertoning is voor een Europeaan niet erg groot, want het lijkt in zijn vorm, die zo typisch was voor de late jaren zestig, een gezellige, virtuoze brok nostalgie.

Peter Hall heeft over de jaren erg veel kritiek moeten slikken. Hijzelf heeft vooral succes geboekt met grote commerciële stukken, zoals het fel overschatte Amadeus (de kleinburgerlijke visie op een genie). Maar het National Theatre heeft te weinig artistieke uitstraling gehad. Hall is tot het besluit gekomen dat dit te wijten is aan de gecentraliseerde leiding. Daarom heeft hij zopas een grondige reorganisatie doorgevoerd: het National Theatre bestaat nu uit vijf aparte groepen, die elk zeventien acteurs tellen. De leiders ervan zijn Bill Bryden, Peter Hall en Peter Wood. Twee groepen hebben een dubbele artistieke directie: Richard Eyre en David Hare werken samen, zowel als Ian McKellen en Edward Pether-‘ bridge. Daarnaast is er dan nog een NT Studio, waar onder leiding van Peter Gill nieuwe teksten worden gestimuleerd.

De groep onder de leiding van Ian McKellen (één van Engelands begaafdste acteurs) en Edward Petherbridge heeft voor haar eerste produktie een beroep gedaan op Philip Prowse, de regisseur die sedert 1970 de Citizens’ Theatre in Glasgow leidt, en in het verre Schotland een artistieke stijl heeft ontwikkeld die uniek is in Engeland en die veel gemeen heeft met de theateresthetiek van het continent. Hij heeft voor zijn debuut bij het National Theatre The Duchess of Malfi van John Webster op de planken gezet. Dit is een erg moeilijk maar fascinerend stuk, geschreven rond 1612, waarin een pessimistische visie op de wreedheid des mensen, herinnerend aan King Lear, wordt weergegeven. Daarbij heeft het een sterk anti-katholiek karakter.

Prowse heeft van dit barokke drama een zeer strenge, bijna geritualiseerde versie gegeven. Zijn produktie valt op door de grote kwaliteit van de decors en kostuums (die ook van zijn hand zijn): in het eerste deel citeert hij de van dood-symbolen doordrenkte sculpturen uit de Italiaanse en Spaanse barok. Hij plaatst die in een strenge, koele, grijze geometrische ruimte, met wanden die naar voren worden gerold. Daar combineert hij een belichtingsregie mee, van de hand van zijn vaste medewerker Gerry Jenkinson, waardoor de sfeer van het scènebeeld voortdurend wisselt in functie van de tekst. Het geeft een grote vloeiende kracht aan de tekst, die de actie heel vlug van de ene locatie naar de andere voert. Daarbij gebruikt Prowse zijn acteurs als prachtige, plastische zetstukken. De koele schoonheid staat haaks op de wilde, zelfs waanzinnige situaties die Webster vertelt, maar juist door deze koelte ontwijkt Prowse het gevaar dat de hedendaagse toeschouwer zich monkelend gaat distantiëren bij zoveel ’toevallen’ en moorden. De filosofische ondertoon (‘We vangen aan als niets en we gaan naar het niets’) krijgt hierdoor een bijzonder sterke kracht. Uit deze bewust gekozen stijl weet Prowse de erg moeilijke finale (waarbij in de Jacobijnse traditie de scène volgestrooid ligt met lijken) tot een overtuigend beeld om te toveren. De opvoering zit op een golflengte tussen Patrice Chéreau en Karl-Ernst Herrmann in. Voortreffelijk werk, en binnen de Engelse context, erg verrassend.

Prowse heeft het wel wat moeilijker om met zijn acteurs om te gaan: bij de première kloeg men over hun debiet, en het is pas later dat de zegging in orde is gekomen. Toen ik de produktie zag, was alles in orde, maar toch bleven er een paar verrassende zwaktes: de Duchess van Eleanor Bron was vrij zwak (alleen plastisch was ze adembenemend), en Ian McKellen presteerde ver beneden zijn uitzonderlijk kunnen. Gelukkig stond daarnaast een schitterende Jonathan Hyde, in de rol van de waanzinnige, incestueuze hertog, en Edward Pether-bridge, als de duivelse kardinaal. Maar het is duidelijk dat Prowse een groter talent heeft voor de fysieke aankleding van het toneel, zodat ik hier een eerste-rangsoperaregisseur ontdekt heb.

Deze eerste produktie van de McKellen-Petherbridge-groep laat vermoeden dat Halls beslissing om zijn troep grondig te reorganiseren de juiste is geweest. Misschien moeten we tijdens het volgende seizoen Londen opnieuw gaan rekenen onder de plekken waar het hedendaagse theater een gezicht krijgt. Deze Duchess verdient alvast ‘le détour’.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#12

15.10.1985

—

14.01.1986

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!