Iphigenia – De Roovers
Geef mij maar het verzet van Klytamnestra
Mia Vaerman
Ik, Jan Cremer is een schelmenroman uit de jaren zestig. Hij heeft aan zijn auteur een internationale reputatie bezorgd. Na twintig jaar is het boek natuurlijk veel minder opwindend en blijft het matig boeien als een opeenstapeling van vlot geschreven adolescentendromen.
Maar Jan Cremer is het produkt van een bepaalde maatschappelijke visie, waarbij de ironie van Raymond Van het Groenewoud zo jammerlijk ontbreekt. Raymond heeft de hele wereld van Jan Cremer in één simpel liedje heerlijk op de helling gezet: Ik wil de grootste zijn zingt Raymond en alles wat ‘mythe’ is rond een opgeklopte macho als Jan Cremer gaat tegen de vloer.
Het is wel spijtig dat deze dimensie in de rockopera volledig ontbreekt: Jan Cremer wordt ons opgedist als een ‘held’ en als iemand van buitengewone proporties. Omdat het script erg slecht geschreven is, ontgaan de mild-kritische elementen. Omdat de conceptie van het spektakel dubbelzinnig-medeplichtig is, ontbreekt het aan een verhelderend perspectief. Dat manifesteert zich het duidelijkst in de ongenuanceerde benadering van de hoofdpersoon door Peter Tuinman (die maar wat stoer staat rond te lopen, alsof hij constant door de regisseur over het hoofd werd gezien), en door de behandeling van de vrouwelijke personages: zij zijn a) trutten, b) nonnen, of c) hoeren. De enige reden waarom we mogen aannemen dat Claudia aanspraak kan maken op de status van de ideale vrouw is dat we even haar lieve kont op een groot filmscherm in close-up mogen zien. Ik, Jan Cremer of de onversneden macho’s maken spektakel. De paar keren dat er gezegd wordt dat Jan niet zo stoer is, worden gedicteerd door dezelfde soort houding waarmee het hypocriete Hollywood de ‘zonde’ en het Verval’ in zijn Bijbelfilms goed praatte (terwijl alleen die zonde en dat verval het publiek naar de zaal lokte – die stonden immers in schreeuwende kleuren op de affiche afgebeeld -en het macho-gedoe is ook het enige wat er op de Cremer-affiche te zien is). Ik, Jan Cremer is dus erg bedenkelijk en onvolwassen van inhoud.
De romans Ik Jan Cremer (één én twee) zijn zo episodisch en repetitief geschreven, dat er nauwelijks iets van een dramatische opbouw in te ontdekken valt. Men kan zich dan ook afvragen waarom iemand er in de eerste plaats aan gedacht heeft dat dit tot een toneelstuk kon worden omgeschreven. De bewerkers Marijnen, Nijgh en Stellaard zijn er niet in geslaagd om enige duidelijke opbouw in het spektakel te steken. Het wordt dus een opeenvolging van taferelen, spektakelnummers, zonder veel verband (alleen de lectuur van de roman verraadt, bijvoorbeeld, wat de vriend van Cremer komt doen in de Noordafrikaanse hoerenkast). De afwezigheid van structuur weegt op het spektakel, en verhindert dat men ook maar één ogenblik met het hoofdpersonage kan meeleven: het spektakel is daardoor wel opdringerig luidruchtig en druk, maar laat ten slotte koud.
Maar om inhoud was het hier allemaal niet te doen. Het kwam er op aan een musical met Broadway-allures op te zetten. Op dat punt is de show in grote trekken geslaagd: Marijnen heeft trouwens op veilig gespeeld, door zowel een Amerikaanse choreograaf als Amerikaanse dansers in te huren. Rick Atwell is een specialist zoals Amerika er velen kent: zijn balletten voor meisjes staan stijf van clichés, maar zijn balletten voor mannen (vooral de scène met de politieagenten) getuigen van inventiviteit. De drie mannelijke dansers hebben daarbij de dynamisch-fysieke aanwezigheid die zo typerend is voor de Amerikaanse showwereld. Daarnaast heeft Marijnen een spectaculair, ingewikkeld en duur scènebeeld aan de Engelsman Paul Staples gevraagd. Het gaat om een stel platforms die op en neer bewegen. Plastisch is de machinerie wel niet helemaal onder controle, want buiten een paar oppervlakkige effecten, geeft het zo goed als nooit aanleiding tot een esthetisch pakkend beeld. De belichter Tom Goudswaard heeft speciale lampen uit Frankrijk gebruikt, waarmee aardig wordt omgesprongen, maar op een paar momenten na, haalt de belichtingsregie niet het peil van bv. een rockconcert van de Eurythmics. Voor de teksten werd gezorgd door Lennaert Nijgh, en hij heeft dat competent handig gedaan. Voor de muziek werd Gerard Stellaard aangesproken, en hij heeft zeer degelijk werk afgeleverd. Er zijn een paar sterke nummers bij, die bekroond worden door een spetterende finale met het lied The Sky is the Limit. Dank zij deze country-rockachtige muziek groeit de vertoning in de laatste minuten toch nog uit tot een opzwepend spektakel, zodat bij het applaus het publiek automatisch rechtveert en de hele troep een staande ovatie brengt.
Als we het regiewerk bekijken is het duidelijk dat Marijnen zeer veel hulp en inbreng heeft gehad van Rick Atwell en dat het deze choreograaf is, die de avond redt. Hij heeft iedereen op een hoog peil doen werken. Het is verbluffend te zien hoe deze Vlaamse en Hollandse acteurs zich een métier hebben eigen gemaakt, dat aan onze toneeltraditie vreemd is. De inzet van iedereen is totaal, ook de acteurs bewegen met volle inzet en grote overtuigingskracht. Daarom wordt een nummer als O altijd dat zaterdagavond-gevoel een hoogtepunt, dat voor ons theater uitzonderlijk is, want precies bij deze energievolle ensemblenummers laten onze acteurs en actrices het meestal afweten. Dit heeft, zonder enige twijfel, de allures van een Broadwayshow. De show wordt zo sterk door de groep gedragen dat het onrechtvaardig is om er iemand uit te pikken, maar we moeten toch opmerken dat er veel Vlaamse acteurs en actrices door Marijnen bij audities gekozen zijn, omdat de studio Herman Teirlinck in onze contreien voor dit soort spektakel de beste opleiding biedt.
Zo blijven we zitten met een spektakel dat ongelijk van kwaliteit is. Enkele keren zit het helemaal goed, zoals met het nummer Amerika (de eerste keer dat het vuur in de pan schiet in het spektakel), en dat komt omdat de inhoud met fantasie en ironie wordt behandeld. In deze toonaard had het spektakel kunnen uitgroeien tot een echt interessant gebeuren. Maar als men vanuit die geest zou gewerkt hebben, dan had Peter Tuinman nooit de hoofdrol mogen spelen: ik droom even en stel me voor dat René van Sambeek (opschepperig en kwetsbaar) of Marc Lauwrys (blufferig en gedreven ambitieus) Jan Cremer zouden geweest zijn, en onmiddellijk zou de kritiek op de mythe in het lichaam van de acteur zelf aanwezig geweest zijn. Nu is ‘Jan’ Tuinman een hol vat.
Ik droom nog even door: het tweede deel vangt aan met drie stoute meiden (The Cremerettes) die wat onrust in de zaal zaaien. Hier is een gegeven dat zo aanleiding geeft tot een echt subversieve, verontrustende situatie. Voor deze drie actrices, graag: een nieuw verhaal, nieuwe muziek en opwindende avonturen. Maar we hebben geen dromen, alleen deze Ik, Jan Cremer, het duurste spektakel der Lage Landen. Het leert dat er bij ons een commerciële show van niveau te maken is. Dat heeft Franz Marijnen alvast bewezen. Maar hij heeft nog nooit een spektakel gemaakt, waarbij zijn eigen persoonlijke toets zo sterk afwezig was.
Ik, Jan Cremer
tekst: Lennaert Nijgh;
muziek: Gerard Stellaard;
regie: Franz Marijnen;
choreografie: Rick Atwell; decorontwerp: Paul Staples;
acteurs: Peter Tuinman (Jan Cremer), Christine Bosmans, Marc Lauwrys, Alexandra van Marken, Tim Meeuws, René van Sambeek, Victor van Swaay, Karin Tanghe, e.a.
Het spektakel werd mogelijk dank zij het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (Nederland), de Vlaamse Gemeenschap van België, de Gemeente Groningen, e.a.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.