Sigrid Vinks in ‘Wintervögelchen’ © Danny Willems

Leestijd 7 — 10 minuten

Wintervögelchen

Jan Decorte/Bloet, Comp.Marius & Kaaitheater

Een kunstenaar zweet, worstelt met zijn materiaal, ziet af en zoekt voortdurend naar herbronning, naar relevantie. Of: een kunstenaar is een vrije en vreemde vogel, die speelt als een kind, ver weg van het geroutineerde: op de vlucht. In het geval van Jan Decorte is het duidelijk welke romantische opvatting over het kunstenaarschap hij erop na houdt. Hij windt er ook geen doekjes om. Geen arbeidsethos in zijn retoriek over het creatieproces, eerder het prediken van niet te veel inspanning.

Dat lijkt haaks te staan op hoe men de laatste jaren vaak over zijn manier van werken spreekt: hij ‘graaft’, tot op het bot dan nog, waardoor een skelet van de oorspronkelijke tekst tevoorschijn komt, maar ook een kern het licht ziet: Decorte zou steeds naarstig op zoek zijn naar een ‘essentie’. Naar de wortels van de taal. Naar een oervorm, want zijn kunst is primitief en ruw. Ooit bestempelde men zijn werk als  ‘eigenzinnig’ en dit woord is zich zozeer aan zijn werk gaan vasthechten, dat zijn werk sowieso een unieke plaats inneemt, daar hoeft Decorte dus ook geen moeite meer voor te doen. Repeteren en regisseren doet hij amper, het is allemaal niet lastig. En dat is maar goed ook, want het liefst zit hij op café, zoals het echte artiesten past. Schrijven doet hij eigenlijk enkel nog vlak voor een première. Zoals nu nog eens, na lange tijd, voor Wintervögelchen, dat van Shakespeares A Winter’s Tale de plot jatte. Shakespeare zelf was eerder aan de haal gegaan met het verhaal van Pandosto, een pastorale roman uit nog een eeuw vroeger, geschreven door een zekere Greene. Ook Decorte hertaalt het verhaal over een koning die zijn koningin ervan verdenkt een relatie te hebben met een andere koning en zodanig jaloers wordt dat hij haar in de kerker laat opsluiten en zijn pasgeboren dochter verbant naar een plek hier ver vandaan. Die verloren dochter keert uiteindelijk terug naar het hof om een happy end aan het verhaaltje te breien. Critici hadden het eeuwenlang moeilijk om het stuk te categoriseren en brachten het onder bij Shakespeares problem plays, maar bij Decorte is het simpel: een sprookje.

Decortes kale versie van dit eeuwenoude stuk lijkt immers van alle tijden. Waarom zou de klare taal van de koning uit het stuk moeten lijken op het discours van James I, dat een instrument van accurate, heldere representatie moest zijn, en uitgespeeld moeten worden tegen de taal van herders en orakels? En wat levert het op wanneer Perdita, de verbannen dochter, doet denken aan Elizabeth I? In een tijd waarin theater graag ‘brandend actueel’ wil zijn, lijkt Decorte, tegendraads als hij is, vooral te spelen met het actualiseren, hij ridiculiseert het: het is feest met ‘veel chocolat wanta kende ze toenal’. Verder komen we niet veel te weten over de tijd, en ook het ruimtelijk kader is onbestemd. Het sobere houten frame waarbinnen vier spelers (Waas Gramser, Kris Van Trier, Herwig Ilegems en Sigrid Vinks) het verhaal uitbeelden, zorgt zowel voor een duidelijke afgrenzing als voor een grote vrijheid. De vier zitten gevangen in een lege ruimte, maar in plaats van die leegte te benadrukken of trachten te vullen, wordt het een speel-ruimte (even meta als een postmodernistische metafoor, of – of all times – als een play within the play) waarin men zich volop kan uitleven. Grote bewegingen en grand guignol. Houterig en springerig, maar raak. De spelers in de houten kubus wijzen immers de weg naar de manier waarop Decortes bewerking – en bij uitbreiding ook tal van andere – het best benaderd wordt: door niet de schraalheid of reductie in de verfte zetten. Als er rekenschap moet worden afgelegd tegenover het werk van herkomst, lijkt de som meestal mager. Wat Decortes werk niet (meer) is, is hier eigenlijk niet van tel.

In ieder geval gaat het niet om het blootleggen van een kern. Als er niet meer wordt geloofd in een tegenstelling tussen oppervlakte en diepere inhoud, als alles even artificieel is, is dat onmogelijk. Indien men een kern wil tonen, moet men er immers van uitgaan dat die ergens verscholen zou liggen, en dient alles wat die kern verstikt, omgespit. Dan zou Decorte scherpe keuzes moeten maken, en dat doet hij liever niet: van de thema’s die je uit het oorspronkelijke stuk kunt halen (jaloezie, macht), kiest hij er geen enkel uit. Een dramaturgische analyse ontbreekt volledig. Hij doet graag een beroep op de eerste regel van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus: ‘De wereld is alles wat er gebeurt.’ Theater is alles wat er gebeurt en betekent op zich niets. Een boodschap creëert eenduidigheid en Decorte wil net zo veel mogelijk interpretaties openlaten. Een stuk mag niet over iets gaan, het moet over alles gaan. Ook ‘all the world’s a stage’ wordt tot in het absurde doorgetrokken. Wufte woorden wijzen niet op een leegte, want het leven is niet veel meer dan een luchtig toneeltje, een onvolmaakt sprookje. Omdat het over niets en alles en dus over het leven gaat, heeft men het bij Decortes werk dan maar over een essentie. Maar wat hij aanreikt is eerder een essence, geconcentreerd en vluchtig. Dat er tal van essences uit een tekst te distilleren vallen, wist Barthes al, maar zijn mort de l’auteur blijft nog te vaak dode letter. Decorte ziet de brontekst van Wintervögelchen als een texte scriptible bij uitstek, die hij naar eigen zeggen tijdens het lezen voor een derde begreep en die als basis diende voor een nieuwe schriftuur. De auteur van de brontekst verdwijnt samen met zijn boodschap naar de achtergrond en er komt ook geen regisseur met een duidelijke visie in de plaats.

Maar op een leegte staren we ons dus niet blind. Wintervögelchen levert de plot af in ruwe verpakking en biedt op de koop toe poëzie en sfeer aan, in snelle trekken: ‘als tweer schuin sta dende wolke schure langs uwen baart’. Winst zit vooral in het tempo: in volle vaart, met een snelheid die we niet zozeer van het theater, maar wel van de populaire cultuur kennen, raast deze voorstelling voorbij. De verteller, een rol die Decorte vol overgave op zich neemt, stuwt de actie vooruit. Hij is de Zinger en de Tijd, een groot kind en een oude gek, die de typische poppenkastachtige speelstijl hier beter dan ooit tot zijn recht laat komen. In eerdere stukken kreeg Decortes taaltje vaak een overdreven klemtoon en hield het zo het verhaal bewust op, maar dit is hier niet het geval. In Wintervögelchen lijkt een evenwicht bereikt.

Bovendien zorgen humor en speelsheid voor toegankelijkheid. Toevoegingen als herderstaferelen, heidense elementen en magie plezierden het zeventiende-eeuwse publiek. Tijdens een herdersfeest, een van de meest uitvoerig beschreven episodes in Shakespeares oeuvre, voeren twaalf als saters vermomde herders een dwaas dansje met bokkensprongen uit; hier zijn enkele silly moves van spelers met een gewei op het hoofd genoeg om op de lachspieren te werken. Decortes bewerkingen worden ‘abstracties’ genoemd, maar ze zijn vaak minder abstract dan
het oorspronkelijke werk. Leontes, de koning van Sicilië, is bij Decorte gewoon ‘de konink diënaltij grom zei’ en wordt in zijn meest dramatische moment van inkeer een man die wil wassen en plassen, koken en de bedden doen. Dan bedenkt hij zich plots dat ze daar in het kasteel mensen voor hebben, ‘dus das gee goe gedacht.’ Hilariteit alom. Het publiek dat in de kou blijft staan, en waar politici het onlangs graag voor opnamen, zal het van dit Wintervögelchen niet warm krijgen, maar deze aanpak van een oude tekst lijkt bij uitstek laagdrempelig. Zoals het dialect en het cliché Decortes taal kleuren, ontleent het spel elementen aan slapstick en strip. Niet alleen het speels-populaire, ook het uitdagende slaat aan: de manier waarop het kind Decorte een middelvinger opsteekt en talige en theatrale conventies aan zijn laars lapt. Koppig gaat Decorte in tegen de verstening van de taal door een frisse, levendige taal met nieuwe woordhompen te scheppen, en bouwt hij aan een hoogsteigen aanpak die leven doorheen werken blaast. Je zou het als een goede grap kunnen zien om, net nu de roep om repertoire luid klinkt, dit worst written play van Shakespeares hand boven te halen en de onvolmaaktheid ervan te belichten. Een gênante scène en bekende quote (‘Exit, pursued by a bear’) worden niet uit de weg gegaan maar droog becommentarieerd: ‘’T is belachelijk.’

Op het eind van dit stuk wordt het standbeeld van Hermione, de koningin die eenzaam in de kerker leek gestorven, tot leven gewekt; een wonderlijk trucje, met veel gedoe gespeeld. Het doek wordt weggehaald en daar staat Hermione, niet stil als een standbeeld, dying into art, maar ‘ze beweegt’ en ‘zademt’, zoals ook deze versteende Shakespeare-tekst opnieuw leeft, en Decortes stramien toch nog verrassend kwik lijkt. En misschien biedt dit ‘beeld’ een spoor, zij het vaag, als een niet te benoemen geur: het kan doorverwijzen naar de verhouding kunst-leven, een thema dat al vaker uit de oorspronkelijke tekst werd gehaald. Voor wie meer wil dan gewoon een grappig sprookje, gaat dit over hoe kunst telkens opnieuw van haar sokkel moet worden gehaald en tot leven gewekt. Een winters verhaal over leven na de dood.

Katrien van Langenhove

Wintervögelchen is op tournee tot 7 februari.
www.marius.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!