Hier, ik als keizerin. Molenstraat 103/bus 5 – Veerle Baetens & Bo Spaenc
Radicale eenzaamheid
Klaas Tindemans
Goochelaars, fakirs, dwergen, tijgertemmers, langbenige dames met al even weelderige pluimen – allen sieren ze de pagina’s van Kijklust en sensatiezucht. Een geschiedenis van revue en variété, een rijkelijk geïllustreerd boek van de jonge theaterhistorica Evelien Jonckheere. Bij het boek hoort een gelijknamige, ietwat bescheiden tentoonstelling, die deze zomer in het Gentse Huis Van Alijn liep.
In haar boek schetst Jonckheere opkomst, hoogdagen en verval van het variététheater en van de revue in Vlaanderen. Haar geschiedenis neemt een aanvang in 1880 met de inhuldiging van het luxueuze Eden-theater in Brussel en eindigt grosso modo in 1940. Ze besteedt daarbij aandacht aan het theaterleven in Gent, Antwerpen, Brussel en – hoe kan het ook anders – Oostende, epicentrum van het burgerlijke mondaine leven.
Niet alleen vult de auteur met deze uitgave een belangrijke lacune in de officiële theatergeschiedenis (ze laat zien dat in die periode theater veel meer was dan achtereenvolgens het realisme en het naturalisme, het symbolisme en vervolgens de gestage ontwikkeling van de diverse avant-gardes in het interbellum), ze is er ook in geslaagd uitzonderlijk mooi beeldmateriaal te verzamelen. Zowel in het boek als in de tentoonstelling krijg je prachtige belle-époqueaffiches te zien, plannen van schouwburgen en music halls, foto’s en ansichtkaarten, uitnodigingen en zaalplannetjes. Allemaal geven ze een beeld van het burgerlijke ontspanningsleven zoals dat zich afspeelde aan het einde van de negentiende en in de eerste helft van de twintigste eeuw.
Vertrekpunt voor al die visuele pracht, die minstens even zinnenprikkelend is als het entertainment van toen, vormen de zogenaamde Vliegende Bladen, een unieke collectie almanakken, brochures, liederen, affiches, prenten, prospectussen,… die zich nu in de Gentse universiteitsbibliotheek bevindt en die verzameld werd door Ferdinand vander Haeghen. Die deed eind negentiende eeuw een oproep in kranten en tijdschriften om gedrukte of geschreven documenten die op het eerste gezicht van geen of weinig waarde leken, nooit weg te gooien. Als gevolg van zijn verzamelwoede beschikt de UGent nu over een unieke toegang tot het vrijetijdsleven uit die periode. Jonckheere doorploegde in het kader van haar onderzoek, dat binnen enkele jaren in een proefschrift dient te resulteren, niet alleen die Vliegende Bladen, maar schuimde ook andere Vlaamse archiefcollecties af. Op basis van die zoektochten presenteert ze nu een aanzienlijke greep uit dat iconografische materiaal, dat niet alleen van onschatbare waarde is voor theaterhistorici, maar ook een belangrijke bron vormt voor iedereen die geïnteresseerd is in de manier waarop populair entertainment – of het nu om burgerlijk of volks vermaak gaat – de fantasieën van zijn eigen context incorporeert. Het materiaal wordt begeleid door een uitgebreid maar toegankelijk en helder geschreven essay boordevol informatie.
Hetzelfde iconografische materiaal kan je in zijn originele vorm ook bewonderen op de gelijknamige tentoonstelling in het Huis van Alijn in Gent. Die is jammer genoeg aan de erg bescheiden kant (slechts één zaal) en doet niet meteen recht aan de veelheid en verscheidenheid van het beschikbare materiaal. Ook de basishypothese van het boek, namelijk dat er een duidelijke transhistorische link valt te maken tussen het corpus van Jonckheere en het televisietijdperk waarin wij sinds de jaren vijftig leven, komt niet aan bod. En dat is zeker een gemiste kans: het museum beschikt zonder twijfel over interessant audiovisueel materiaal dat een mooi addendum zou vormen bij de pracht en praal van de toenmalige vrijetijdscultuur.
In Kijklust en sensatiezucht beschrijft Jonckheere in feite de wortels van de populaire cultuur zoals die vorm kreeg na de Tweede Wereldoorlog, met het ontstaan van de televisie. Terecht legt ze in haar slothoofdstuk dan ook de link met de zapcultuur die tot op de dag van vandaag – zelfs in toenemende mate – ons kijken stuurt. In de variétéshows zoals die opgevoerd werden in zalen die luisterden naar namen als Eden-Theater, Eldorado, Scala of Olympia, wisselden spectaculaire acts van allerlei slag en soort elkaar vaak af zonder duidelijk onderling verband. Het variététheater ontstond op een moment waarop ook het officiële theater de vorm aannam van een burgerlijke onderneming, van een commercie. In diezelfde periode kreeg ook het vedettesysteem, dankzij een stevige duw in de rug van de fotografie en de explosie van het mediabedrijf, definitief vorm (denk maar aan de populariteit van een tragédienne als Sarah Bernhardt die zich maar wat graag in weelderige decors en dito kostuums liet fotograferen). Het variététheater, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstond uit de zogenaamde café chantants, fungeerde – meer nog dan andere vormen van theatraliteit – als een projectiescherm van de tijdgeest, als de plek waar de culturele verbeelding van een bepaalde periode concreet vorm kreeg. De shows vormden een historisch venster op de toenmalige visuele cultuur. Twee lijnen duiken in dat verband voortdurend op: de fascinatie en bijhorende angst voor exotische oorden enerzijds en voor nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen anderzijds. In beide gevallen ging het om het tonen van het ongekende, het andere (Kijklust en sensatiezucht vormt niet toevallig een tweeluik met De tentoongestelde mens in het Museum Dr. Guislain). Burgers verlustigden zich aan oosterse fakirs en Afrikaanse sjamanen, of lieten zich in verleiding brengen door pseudowetenschappelijke experimenten zoals die van een zekere Professeur Papus, die zich in Belgische variététheaters een week lang in een kist liet opsluiten.
In haar boek loodst Jonckheere haar lezer van zaal naar zaal, van het weelderige Palais d’Alcazar in Antwerpen over het Kursaal in Oostende naar de prachtige, exotische wintertuin van het Brusselse Palais d’été. Met het variété ontwikkelde de vrije tijd zich tot een nieuwe tijdsdimensie, waarin de burgerij zich in zijn mondaine cocon kon afzonderen en ondergedompeld werd in een sensitieve en zinnenprikkelende ervaring. Jonckheere laat zien hoe variété en revue (de termen worden in het boek niet altijd even duidelijk afgebakend) zich op de wip bevonden tussen traditie en moderniteit, tussen traditionele vormen van entertainment als de foor, het circus en het panoramische theater en nieuwerwetse ontspanningsactiviteiten als schaatsen en later cinema. Soms werd die moderniteit met beide armen omarmd, soms wentelde men zich in nostalgie en ging men op zoek naar plekken waar men diezelfde moderniteit kon ontvluchten, zoals in Bruxelles-Kermesse, dat een panoramisch zicht bood op het Brussel van weleer. Het variététheater was de laatste plek waar al die activiteiten samenkwamen in één en hetzelfde evenement; van dan af ging de vrijetijdsindustrie zich specialiseren en werden er velodrooms, hippodromen, panorama’s, enz. gebouwd. Dat evenement was in eerste instantie een sociaal evenement. Wat er op het podium gebeurde was in wezen een randfenomeen. Werkelijk van belang was wat er in de zaal gebeurde. Burgers kwamen er vooral om naar elkaar te kijken, om de echtgenotes van andere burgers te monsteren, en om zichzelf te laten bewonderen. Pour voir et être vu dus, zoals het altijd geweest is in de theatergeschiedenis. Meer nog dan spectaculair en visueel entertainment, is het variététheater een tijdruimte waarin de burgerij zijn eigen identiteit kon construeren én performen.
Met haar onderzoek, waar dit boek een voorlopig eindresultaat van is, verricht Jonckheere zonder meer pionierswerk. Ze is er daarenboven in geslaagd haar materiaal voor een breed publiek te ontsluiten en dat is, in tijden van wetenschappelijke hyperspecialisatie, een niet geringe verdienste. En ook al is de afbakening van het onderwerp niet in elk hoofdstuk even duidelijk (het boek gaat niet alleen over variété maar neemt eigenlijk alles wat onder de noemer burgerlijk entertainment valt onder de loep) en kan er zonder twijfel nog gesleuteld worden aan de onderverdeling van de hoofdstukken (een duidelijkere afbakening in deelaspecten of een iets rigidere geografische opsplitsing zou de blik zonder twijfel minder fragmentarisch maken), Kijklust en sensatiezucht biedt een bom aan informatie en bronnen waarvan de presentatie daarenboven vergezeld wordt van een heldere en toegankelijke tekst. Hoe die nu te operationaliseren in een spannend cultuurhistorisch én theoretisch kader, dat wordt de uitdaging voor het proefschrift waarvoor dit materiaal de basis zal vormen.
Evelien Jonckheere, Kijklust en sensatiezucht. Een geschiedenis van revue en variété, Meulenhoff/Manteau, Antwerpen/Amsterdam, 2009 De dolle jaren van het variététheater 1880-1940, Huis van Alijn, Gent, 29 mei tot 13 september 2009
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.