Kelly Copper © Pavol Liska

Leestijd 8 — 11 minuten

Thuis voor de feestdagen

Bericht uit het buitenland

Kelly Copper woont en werkt in New York. Samen met Pavol Liska regisseert zij de producties van het Nature Theater of Oklahoma.

3 december. We zijn eindelijk terug in New York. We zijn thuis. We kwamen terug naar een gapend gat in het plafond waar het binnengeregend had. Van waar komt de regen, vraag ik me altijd af. We zitten op de vierde etage van een gebouw met vijf verdiepingen. De kerel boven ons is oké – helemaal geen lekken. Maar het sijpelt binnen van ergens – een barst in de gevel? Niemand die het echt weet. Het water komt bij momenten binnen, nu al vier jaar, en de eigenaar krijgt het blijkbaar niet opgelost. Altijd in het holst van de nacht worden we wakker van het geluid van regen, we lopen rond in het donker, op zoek naar potten, pannen en handdoeken. Deze keer hadden we de zondvloed gemist en zagen we enkel de nasleep: nat kleed – stukken pleister op de vloer. De poezen: bang, nat, dankbaar – welkom thuis!

Wanneer we dit zien, zeggen we elkaar voor de miljoenste keer dat we nu toch echt iets anders moeten vinden om te wonen. Iets met een deur. Sinds november wonen we vijftien jaar in deze studio. Het is echt een geweldige ruimte. Massa’s licht. Lage huur. In dit gebouw is het een van de laatste units met een vaste prijs. Door hier te wonen genoten we jarenlang van de luxe ons geen zorgen te moeten maken over geld. (Oké, we zaten opgescheept met bedwants, muizen en een buur die van 1995 tot 1999 elke namiddag gedurende een heel uur een erhu bespeelde, een Chinees strijkinstrument…)

Maar sinds kort is er het rusteloze verlangen naar iets meer. Iets met minder regen – en een deur – waar we een dagje ouder zouden kunnen worden.

Voor we inslapen, beloven we elkaar plechtig dat we volgend jaar zullen verhuizen; en we kruipen tegen elkaar aan, in de vochtigheid, naast de katten. Morgen bel ik nog maar eens naar de eigenaar, en deze keer zal ik op mijn punt staan: los die rotzooi op.

5 december. Vrijdag. We gaan naar de show van een vriend in de nieuwe Dixon Place. Het is een voorstelling met vier acteurs en een grote zak aardappelen. We zitten op de eerste rij. Ik kan de aardappelen ruiken. Een van de leuke dingen aan New York is dat alles er gemaakt wordt in zo benepen ruimtes dat je de dingen kan ruiken. Zelfs de muntkauwgom van de persoon die naast mij zit, mengt zich met de aardappelgeur… Het is niet altijd het soort intimiteit waar ik naar hunker. Soms is het knap vervelend, de aanwezigheid van zo veel anderen, het gebrek aan ruimte. En dan is het nieuwe theater waarin we ons bevinden niet eens zo klein als de oude Dixon Place, die gedurende 22 jaar het soort noodoplossing was waar New York bekend voor staat. De voorstellingen hadden plaats in de woonkamer van de artistiek directeur, in de Bowery. De artiesten brachten hun werk op een scène van hooguit 30 vierkante voet (zo een 9 m2, jw) – omgeven door goedkope sofa’s en stoelen die volgestouwd waren met de maximale 40 mensen.

Vandaag is alles anders. De nieuwe ruimte is nieuw – met nieuwe stoelen en een fris laagje verf. Spiksplinternieuw. Capaciteit 130. Groter, beter, netter.

Ik mis de oude ruimte. Ik weet niet waarom.

Misschien ben ik na 15 jaar hier gebroken. Ik heb geleerd te houden van die kloteruimtes – zoals werk soms in je leven binnendringt.

Ik hield vooral van de oude Dixon Place. Ik hield ervan hoe ze biertjes verkochten in de keuken; het publiek lag languit in die lompe, zachte sofa’s en bleef lang na de show nakletsen. Nu zit ik me af te vragen of het nog open is of dat ze ’t definitief gesloten hebben. Ik denk dat ze ’t definitief gesloten hebben.

8 december. Er staat een artikel in de Times: dit is misschien wel het beste moment om een huis te kopen. Wie voor het eerst een huis koopt, krijgt $ 7 500 terug van de belastingen.

Doe het: Dit Is Het Moment. Dump dat appartement. Fantastisch. We trekken naar Brooklyn en wandelen het eerste open house binnen dat we vinden. De makelaars zijn vriendelijk en tonen ons poppenhuismodellen met miniatuurhuiseigenaars die genieten van hun appartementen. Ze maken ons attent op een speciale gemeenschappelijke ruimte waar de mede-eigenaars kunnen spelen op hun Wii… Pavol kan het niet laten te lachen.

Dan slaat de realiteit toe. Voor een optrekje dat even klein is als waar wij wonen, is de vraagprijs een half miljoen en meer. Met pijn in het hart mompelen we iets over een andere afspraak en we vertrekken. Die avond gaan we uit eten met onze productiemanager, Robbie. We hebben het erover ergens een onderkomen garage te kopen. We willen een plek met kamers boven, waar we zouden kunnen wonen, en beneden een repetitieruimte of een theaterzaaltje. Robbie zal ons helpen. Hij kan overweg met gereedschap. Mooi. En, zoals Pavol opmerkt, we hebben de bovenverdieping zelfs niet echt nodig, we kunnen gewoon een appartementje inrichten onder de publiekszitjes. Na de show kunnen we naar huis kruipen onder de tribune en gaan slapen. We besluiten ooit zo een plek te maken. Eens te meer overtreft de droom de realiteit.

13 december. Bij ps122 loop ik een vriendin tegen het lijf die me vertelt dat het Ohio Theater de deuren sluit. Dit is een vreselijke schok. De Ohio is een van de laatste grote mooie ruimtes voor experimenteel werk. Een prachtige lege ruimte met heel hoge plafonds. Vroeger was het een kledingfabriek. De legende wil dat voor de eerste voorstelling de acteurs op handen en voeten rondkropen om met magneten naalden en spelden van de vloeren op te rapen. Na 20 jaar wordt het gebouw verkocht, waarschijnlijk krijgt het een meer commerciële handelsbestemming. Het beroerde is dat de mensen die het theater runden, erboven woonden, en dat ze eruit gezet worden, samen met de artiesten aan wie zij onderdak verleenden.

Dat was het dan – iedereen buiten.

Na de show in ps122 stroomt het publiek de straat op en plots is het een verrukkelijke nacht met honderden mensen in kerstmankostuums. Een echte optocht – dikke santa, magere santa, geile santa, santa’s sletterige hulpje in een pelsen mini-jurk, hondjes-santa, enz.

‘Dit is Santacon’, zegt iemand, al lachend.

Het is allemaal goedkoop en klef en bezopen en stom, maar ik vind het ook iets bemoedigends hebben. Als ze morgen alle theaterhuizen zouden sluiten, zouden de mensen misschien toch op een of andere manier dit soort dingen blijven doen. Iets wezenlijk hoopvols in honderd santa’s, denk ik.

20 december. Pavol en ik gaan eten bij Ryan Gilliam, de artistiek directeur van Downtown Art (een theatergezelschap in de East Village dat werkt met mensen van 12 jaar en ouder, jw). In 2007 leende zij ons haar ruimte om No Dice te maken en ze is in de voorbije twee jaar de gastvrouw blijven spelen voor alle repetities van ons gezelschap. In juni 2009 is ze haar ruimte kwijt, we moeten dus even uitzoeken wat we zullen doen voor de volgende zomer en voor de repetities van ons volgende project.

Er is een kleine kans dat de kerel in het appartement boven weg zal moeten, wat haar zou toelaten haar theater te verhuizen naar een verdieping hoger, maar de kans is heel klein, niks om op te rekenen. Ryan lijkt er in te berusten en zegt dat ze haar volgende seizoen plant rond de idee van straattheater. Maar de straat is niet echt een geschikte plek voor onze repetities. Voor de nieuwe show hebben we een uitgebreide cast, en drie mensen komen over uit Oostenrijk, we zullen dus andere plannen moeten smeden.

Op weg naar huis hebben we het over de voordelen van repeteren in appartementen versus een echte theaterruimte. Misschien is de truc om voor de Oostenrijkse acteurs een appartement te huren dat groot genoeg is om er met z’n allen te repeteren. De Oostenrijkers winnen erbij – zij krijgen een mooi appartement – en het gezelschap kan repeteren zoveel als nodig is. We zouden de ruimte altijd tot onze beschikking hebben en zouden de repetities niet moeten plannen buiten de uurschema’s van anderen.

21 december. We brengen onze derde zondag op rij door met het observeren van de repetities van Richard Foreman.

Het is als naar de kerk gaan – het is zelfs in een kerk, de St. Mark’s Church, slechts een blok van waar wij wonen. Vandaag is de hoofdingang afgesloten omwille van vallend ijs, en we moeten zelfs een binnenweg nemen langs de echte zondagsdienst om naar de repetitie te gaan. Richard is verdiept in zijn werk, en het is een grote troep – overal slingeren stukken en beetjes rond van kostuums en attributen. De ruimte voelt heel erg bewoond aan. De repetities worden bijgewoond door een internationale groep jonge ‘interns’ (assistenten in residentie, jw) en observatoren.

Vandaag is ook Yehuda weer op bezoek – net als Pavol begon hij hier als intern bij Richards Ontological (het Ontological-Hysteric Theatre, jw) en vandaag heeft hij zijn dochter meegebracht om naar de repetitie te kijken. Ik denk na over deze ruimte. De consistentie van een ruimte als deze in een stad waar alles altijd verandert.

Richard zit hier al onafgebroken sinds 1992. De mogelijkheid om een voorstelling op te bouwen (en te verbouwen), in te spelen en te presenteren in een en dezelfde ruimte lijkt een absoluutintegrerend deel van zijn werk. Dat hij deze ruimte niet alleen tot een thuis voor zichzelf heeft gemaakt, maar ook voor vele jonge regisseurs, ontroert me plots zeer.

De ruimte is niet geweldig. Ze is klein. Er staan zuilen in de weg. En er zitten muizen – wat blijkt uit enkele afgeknabbelde snippers zilverpapier naast een papieren zak links van mij. Maar dit is duidelijk een soort thuis – voor sommigen onder ons. We komen terug voor een bezoekje, om de fundamenten te voelen, het gevoel ergens bij te horen – of gewoon om ons te herinneren waarom we dit doen en waar het allemaal goed voor is. Uiteindelijk wordt er een pauze in de repetities ingelast voor de lunch en wanneer we buitenkomen, voel ik me lichter.

We gaan naar een klein Japans restaurant en eten en spreken over leven en werk. We voelen ons gelukkig. We zullen een ruimte vinden. Het werk zal er komen, ondanks alles, omwille van alles.

Dit is New York.

Vertaling Johan Wambacq | De originele Engelse versie van deze tekst kunt u lezen op www.e-tcetera.be.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

column
Leestijd 8 — 11 minuten

#115

01.02.2009

—

31.03.2009

Kelly Copper

Kelly Copper (1971) woont en werkt in New York sinds 1993. Samen met Pavol Liska leidt zij het Nature Theater of Oklahoma.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!