© Clara Hermans

Pieter T’Jonck

Leestijd 4 — 7 minuten

8.2 – Radouan Mriziga, hetpaleis, fABULEUS & Moussem

Een andere kijk op rapmuziek

Bij een voorstelling op en over rapmuziek verwacht je wellicht loeiharde muziek, veel obscene gebaren en geleuter over geld en seks. Ik zeg maar wat. Maar zo loopt het helemaal niet in 8.2, de voorstelling die Radouan Mriziga maakte voor hetpaleis/fABULEUS/Moussem. Het genre is hier een vehikel voor, of zelfs de expressie van wat een generatie bezig houdt.

Dat 8.2 iets heel anders zou worden dan een hiphop of rap battle kon je eigenlijk al zien aankomen na 8, een kleine voorstelling voor twee dansers die ik zowat een jaar geleden meemaakte in het decoratelier van Jozef Wouters in Molenbeek. Je kan het de voorloper noemen van 8.2. Mriziga pikte twee jonge kerels van 23 en 25 jaar min of meer van de straten in Marrakech op als performers. Hij bracht ze alles bij.

Met motorhelmen met gekrast vizier waren ze onherkenbaar, waardoor de aandacht helemaal ging naar hun passen. Niet per se sierlijke passen, maar veel lichtvoetig gehuppel en gespring. De klank die zo ontstond bracht echter een complexe vorm van polyritmiek. Het was een percussieconcert op zichzelf. Een bijzondere dynamiek is dat: de dansers brachten hun eigen percussie voort en omgekeerd dreef die weer het samenspel van hun bewegingen aan.

De openingsmomenten van 8.2 brachten deze ervaring als vanzelf weer in de herinnering, ook al zijn deze dansers (veel) jonger, en daardoor ook minder podiumvast. Jongeren zijn nu eenmaal minder zeker van hun lijf en van het effect dat het sorteert. Toch was er ook een frappante overeenkomst. Ook hier haakten de klank van de beweging en de beweging zelf op elkaar op een onontwarbare manier in.

De voorstelling opent terwijl de deur van het achtertoneel nog open staat en het koude TL werklicht nog brandt op het podium. Alsof je in een repetitie zou binnenkomen. Geen muziek te horen ook. Behalve, alweer, de muziek en ritmiek die de jongeren zelf voortbrengen met hun voeten en hun lijf.

De eerste die opkomt is Amina (17): met een ‘attitude’ van heb ik je daar neemt ze haar plaats in, slaat haar arm in haar nek, en keert zich rond met een sprongetje. Ondertussen loopt Julie schuin over het podium tot links vooraan op het podium, gevolgd door Sadie die rechts vooraan stopt. Met haar armen en handen voert die laatste een energieke, vloeiend-sensuele dans uit, onmiskenbaar verwant met hiphop, maar trager, intenser. Ondertussen springt Amina achter haar driftig stampend heen en weer.

Het mooie van deze openingsscène is dat het geluid dat Amina met haar heftige sprongen produceert het ritme, de bastoon, aangeeft waarop Sadie beweegt. Dat wordt een motief in de voorstelling: terwijl een paar dansers een ritme aangeven bouwen anderen daar een vrijere vorm bovenop. Zo krijg je een groep waarin nu eens de ene, dan weer de andere de boventoon voert, maar altijd in een hechte afstemming.

Maar zover zijn we dan nog niet. Eerst worden ook de vier jongens in het stuk geïntroduceerd. Dat begint met Tars (15), die samen met Amina quasi unisono een trage bewegingssequens opzet – hij met de armen nog wat verkrampt tegen zijn lijf, zij veel expansiever gesticulerend, maar toch op hetzelfde patroon. Unisono brengen ze ook een korte rap – over hun hekel aan stereotypering (als ik het goed begreep).

Als Mimbi (13), Ebe (17) en Nick (de oudste, 20) volgen, is het tableau compleet. Ze vormen een cirkel en nemen elkaars handen vast vooraleer ze hun eigen versie van een rapshow geven, compleet met opgestoken middelvingers. Haast onmerkbaar zijn ondertussen ook banieren met strepen en cirkels naar beneden gezakt die samen een complexe stervormige geometrische figuur te zien geven. Het is haast het enige moment eigenlijk dat je ondubbelzinnig de signatuur van Mriziga zelf herkent, gefascineerd als hij is door geometrie en de suggestie in en door beweging van ruimte en architectuur. Maar later zullen de jongeren die doeken gewoon neerhalen: de ruimte van het podium zal de hunne worden. En hoe.

Maar vooreerst kijken we nog wel naar een kaal podium en naar de backstage achteraan. Nog altijd is de enige muziek de raps die de performers zelf ten beste geven. Zoals de fors gebouwde Nick, die laat weten dat hij ‘tired of photoshop’ is. Dat verandert pas als Julie, die tot dan toe op de achtergrond bleef, het podium voor zich alleen heeft en een verbluffend zelfbewuste, trage solo ten beste geeft.

Je herkent er hiphopfiguren en de bijhorende uitdagende ‘attitude’ in, bijvoorbeeld als ze vooraan neerzijgt, haar romp vooruit duwt en haar hoofd naar achter legt. Maar het heeft niet het patserige en hijgerige van commerciële video’s: het is een rol die ze probeert, een vorm die ze test, waar het meisje nog in aanwezig is. Zelfbewust is ze wel, maar ook kwetsbaar.

Achter haar rug sluit op dat moment de rolpoort van de backstage. Sadie komt erbij en daarna Nick. Het is een hoogtepunt in de voorstelling, omdat de kwetsbaarheid die impliciet aanwezig was, plots op een grappige manier zichtbaar wordt. Nick wil de meisjes overtroeven, maar met zijn koddige moonwalk-achtige passen verraden vooral onhandigheid: het is hem met zijn lijf gewoon niet gegeven om de sensualiteit uit te stralen die de meisjes met hun poses moeiteloos oproepen.

Vanaf dan is het hek van de dam. Na Sun Ra’s Space is the place, een vroege voorloper van rap, volgen stukjes en brokjes van veelal minder bekende artiesten – ik moet zeggen dat ik op een brokje Kanye West en Kendrick Lamar nauwelijks iets herkende – die vooral duidelijk maken dat het panorama van rapmuziek  en van de teksten veel breder en complexer is dan wat we er ons gemiddeld bij voorstellen.

Maar ook de performers, hoe jong ook, blijken een verrassend breed palet van expressies binnen de genre-conventies – als dat het juiste woord is – te vertonen. Ebe blijkt helemaal thuis in hiphop-dansen, en demonstreert dat met een ‘snake’ of een halve ‘headspin’. De jongste, Mimbi, is dan meer de zanger.

Mriziga legde hen weinig op, en wilde net dat ze zelf met voorstellen kwamen. Zijn bijdrage zit eerder in het arrangeren, uitzuiveren en componeren van dat materiaal. Hij haalt er een soort polyritmiek uit, niet alleen qua ritmiek, maar ook in de manieren waarop hij de jongeren laat schitteren. Het mooie is dat geen van die dansers daarbij ooit probeert haantje de voorste te spelen. Ze steunen en begeleiden elkaar doorheen hun verkenning van de rapmuziek.

Een wereldwonder is de voorstelling daarom nog niet. Ik had het gevoel dat de première net iets te vroeg kwam. Wellicht ontdekken de jonge performers pas door de aanwezigheid van het publiek wat ze daar voorstellen, en hoe ze dat publiek kunnen bespelen of meenemen. Je ziet ze nog volop worstelen met de complexe ritmes. Hun lippen prevelen de tellen voortdurend. Maar zelfs op die manier is het een fascinerend portret van jonge mensen die hun manier van zijn, hun ‘drive’ aan het ontdekken en ontwikkelen zijn. Of nog: het groeipotentieel van dit werk is groot.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

recensie